Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 januari 2026;
- het gewijzigde verzoekschrift van de gecertificeerde instelling met bijlagen, ontvangen op 17 februari 2026;
- de brief van de advocaat van de vader met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2026;
- de herstelbeschikking van 2 maart 2026 in zaaknummer C/09/680234 / JE RK 25-268.
- [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
- de moeder, bijgestaan door mr. M.S. Krol, waarnemend voor mr. Witteveen.
2.De feiten
3.Het verzoek en de gronden
4.De standpunten van de belanghebbenden
Indien de kinderrechter meent dat de gecertificeerde instelling wel ontvankelijk is in haar verzoek dan vraagt de moeder primair het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen en subsidiair om het verzoek toe te wijzen voor een kortere duur. De vermeerdering van het verzoek tot de duur van een jaar is op de dag af drie dagen voor de zitting ingediend en dus strikt genomen nog op tijd, maar een zo late vermeerdering kan ook strijd met een goede procesorde opleveren.
Het verzoek tot het formaliseren van de omgangsregeling moet worden afgewezen. Dit is een apart verzoek dat te laat is ingediend; ook zijn niet alle belanghebbenden daarvoor opgeroepen.
De moeder erkent dat zij hulp nodig heeft en is gemotiveerd om hiermee aan de slag te gaan. Ook vindt zij het van belang dat de kinderen starten met hulpverlening. De problematiek van de kinderen speelt al jaren en die situatie is sinds de inzet van de ondertoezichtstelling niet veranderd. Daarnaast heeft de ondertoezichtstelling de afgelopen periode niet bijgedragen aan het creëren van rust in de thuissituatie van de kinderen. De moeder vindt het belangrijk dat de kinderen ieder weekend hun vader kunnen zien. Zij wijst er op dat de oma vaderszijde nauwelijks aanwezig is bij netwerkberaden en ook vaak zelf niet thuis is in de weekenden als de kinderen bij haar thuis hun vader zien. Ook zonder ondertoezichtstelling is het netwerk bereid om de omgang tussen de kinderen en de vader te begeleiden.
De vader vraagt subsidiair de ondertoezichtstelling te verlengen voor niet langer dan zes maanden. De vader vraagt ook om een omgangsregeling vast te stellen met perspectief, waarbij de kinderen stapsgewijs weer bij hem kunnen verblijven. Hij stelt zich meewerkend en gemotiveerd op richting hulpverlening en werkt aan zijn problematiek. Beide ouders volgen behandelingen, de moeder heeft een woning en het gaat goed met de vader. De doelen die de gecertificeerde instelling stelt voor de ondertoezichtstelling zoals het monitoren van de situatie van de moeder, het faciliteren en evalueren van hulpverlening en opstellen van een borgingsplan kunnen worden verwezenlijkt binnen een periode van zes maanden. De vader ziet graag dat de kinderen weer bij hem thuis kunnen komen zoals dat tot september 2025 het geval was. De oma vaderszijde heeft aangegeven dat zij de omgang niet langer kan begeleiden, het is dan ook niet begrijpelijk dat de gecertificeerde instelling verzoekt om deze regeling te formaliseren. De vader ziet graag dat er met professionele begeleiding – gekoppeld aan het verloop van de hulpverlening bij de Brijder – een opbouwregeling wordt gemaakt waarbij na het verloop van een aantal weken wordt bezien hoe het gaat en wordt bekeken of er kan worden opgeschaald.
5.De beoordeling
Ter zitting van 3 maart 2025 heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan op het toen voorliggende verzoek om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Bij die mondelinge beschikking is de ondertoezichtstelling verlengd voor die verzochte duur van zes maanden. In de schriftelijke vastlegging van die beschikking is onder de kop “beoordeling van het verzoek” in rechtsoverweging 4.3 vermeld dat de kinderrechter het verzoek verlengt voor de duur van zes maanden.
De mondelinge uitspraak van de kinderrechter op de zitting van 3 maart 2025 is leidend. Bij die uitspraak is de ondertoezichtstelling verlengd. De nadien in het dictum van de beschikking als einddatum bij wijze van vergissing opgenomen datum van 6 maart 2026 doet daaraan niet af. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is geëxpireerd op 6 september 2025.
6.De beslissing
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.