Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7924

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 april 2026
Zaaknummer
C/09/697186 / JE RK 26-9
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet ontvankelijkheid verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling wegens expiratie

De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, met een aanvullende vraag om een omgangsregeling te formaliseren. De kinderen wonen bij hun moeder, die samen met de vader het ouderlijk gezag heeft. De ondertoezichtstelling was eerder verlengd bij beschikking van 3 maart 2025.

De moeder en vader voerden verweer tegen het verzoek. Zij stelden dat de ondertoezichtstelling op grond van een kennelijke schrijffout in de beschikking van 3 maart 2025 slechts voor zes maanden was verlengd en derhalve op 6 september 2025 was geëxpireerd. De moeder betoogde dat de gecertificeerde instelling daarom niet ontvankelijk was in haar verzoek tot verlenging.

De kinderrechter oordeelde dat de mondelinge uitspraak van 3 maart 2025 leidend is en dat de schriftelijke beschikking een vergissing bevatte. De ondertoezichtstelling was derhalve geëxpireerd en verlenging niet aan de orde. Ook is de gecertificeerde instelling niet bevoegd om een nieuwe ondertoezichtstelling te verzoeken. Daarom werd het verzoek niet ontvankelijk verklaard.

De kinderrechter wees het verzoek tot formalisering van de omgangsregeling af wegens te late indiening en het ontbreken van oproeping van alle belanghebbenden. De uitspraak werd gedaan op 5 maart 2026 en is vatbaar voor hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling niet ontvankelijk verklaard wegens expiratie van de maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/697186 / JE RK 26-9
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter
Verzoeker niet ontvankelijk
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.L. Witteveen uit Rotterdam,
[vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. Hayaty uit Den Haag.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 januari 2026;
  • het gewijzigde verzoekschrift van de gecertificeerde instelling met bijlagen, ontvangen op 17 februari 2026;
  • de brief van de advocaat van de vader met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2026;
  • de herstelbeschikking van 2 maart 2026 in zaaknummer C/09/680234 / JE RK 25-268.
De kinderrechter heeft, na daartoe strekkende verzoeken van de advocaat van de vader en van de gecertificeerde instelling voorafgaand aan de zitting, besloten de vader en de moeder gescheiden van elkaar te horen. De gecertificeerde instelling, de advocaat van de moeder en de advocaat van de vader zijn opgeroepen voor beide tijdstippen waarop de mondelinge behandeling plaatsvindt.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 februari 2026. Daarbij zijn voor het eerste deel van de behandeling verschenen:
  • [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder, bijgestaan door mr. M.S. Krol, waarnemend voor mr. Witteveen.
Voor het tweede deel van de behandeling zijn verschenen:
- de vader met zijn advocaat.
1.3.
De kinderrechter heeft de kinderen in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. De kinderen hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
1.4.
Zoals ter zitting bepaald, en vastgelegd bij proces-verbaal van 20 februari 2026, heeft de kinderrechter de gecertificeerde instelling en de vader de gelegenheid gegeven om uiterlijk 26 februari 2026 een standpunt in te nemen ten aanzien van het namens de moeder gedane verzoek tot verbetering van de beschikking van 3 maart 2025. De kinderrechter heeft tevens medegedeeld dat op 5 maart 2026 schriftelijk uitspraak wordt gedaan in de zaak van het onderhavige verzoek.
1.5.
De kinderrechter heeft op 26 februari 2026 bericht ontvangen van de gecertificeerde instelling. De kinderrechter heeft geen bericht ontvangen van de vader.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 maart 2026 een kennelijke fout in de beschikking van 3 maart 2025 hersteld.

3.Het verzoek en de gronden

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek in de aanvullende briefrapportage van 17 februari 2026 vermeerderd in die zin dat wordt verzocht om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar. Daarnaast is bij die briefrapportage verzocht een omgangsregeling te formaliseren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek -verkort en zakelijk weergegeven- als volgt gemotiveerd. De kinderen wonen sinds kort bij de moeder. Het was de bedoeling dat dit voor meer rust zou zorgen bij de kinderen, maar door het patroon van aantrekken en afstoten door beide ouders is de onrust onverminderd aanwezig. De vader heeft recent een contact- en gebiedsverbod opgelegd gekregen en voor de moeder is een SOS-knop aangevraagd met hulpverlening vanuit Arosa. De steeds voortdurende zorgelijke situatie heeft een negatieve weerslag op het gedrag van de kinderen. Zij laten zeer zorgelijk gedrag zien op school. De kinderen zoeken negatieve aandacht en zijn agressief. De school kan aansluiten bij de kinderen waardoor het van belang is dat zij op hun huidige school blijven. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is nodig zodat de kinderen kunnen starten met behandelingen voor traumaverwerking en emotieregulatie. De gecertificeerde instelling vindt het daarnaast van belang om zicht te houden op de behandelingen van de moeder bij de Brijder. De kinderen zien de vader op dit moment ieder weekend bij de grootmoeder vaderszijde thuis. Ook een tante en andere leden van het netwerk ondersteunen daarbij. De gecertificeerde instelling vindt het wenselijk als deze regeling geformaliseerd wordt zodat het voor iedereen duidelijk is wanneer en op welke manier er contact tussen de vader en de kinderen plaatsvindt.

4.De standpunten van de belanghebbenden

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. Ter zitting heeft de advocaat van de moeder opgeworpen dat in het dictum van de beschikking van 3 maart 2025 een kennelijke schrijffout staat. De advocaat van de moeder heeft op voet van artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) verzocht om de beschikking van 3 maart 2025 te verbeteren en heeft daartoe aangedragen dat het vorige verzoek strekte tot verlenging van de ondertoezichtstelling met zes maanden, dat op de zitting van 3 maart 2025 bij mondelinge beschikking de ondertoezichtstelling is verlengd met zes maanden en dat in de schriftelijke vaststelling van die beschikking onder rechtsoverweging 4.3 ook is opgenomen dat de ondertoezichtstelling zal worden verlengd met zes maanden. In het dictum van die schriftelijke beschikking is evenwel opgenomen dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 6 maart 2026. Dat is een kennelijke verschrijving. Die beschikking moet dus verbeterd worden. De advocaat stelt zich namens de moeder primair op het standpunt dat dan de ondertoezichtstelling vanaf 6 maart 2025 niet langer dan zes maanden heeft geduurd, dat er nu geen ondertoezichtstelling meer is en dat dat de gecertificeerde instelling dan niet ontvankelijk is in haar verzoek.
Indien de kinderrechter meent dat de gecertificeerde instelling wel ontvankelijk is in haar verzoek dan vraagt de moeder primair het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen en subsidiair om het verzoek toe te wijzen voor een kortere duur. De vermeerdering van het verzoek tot de duur van een jaar is op de dag af drie dagen voor de zitting ingediend en dus strikt genomen nog op tijd, maar een zo late vermeerdering kan ook strijd met een goede procesorde opleveren.
Het verzoek tot het formaliseren van de omgangsregeling moet worden afgewezen. Dit is een apart verzoek dat te laat is ingediend; ook zijn niet alle belanghebbenden daarvoor opgeroepen.
De moeder erkent dat zij hulp nodig heeft en is gemotiveerd om hiermee aan de slag te gaan. Ook vindt zij het van belang dat de kinderen starten met hulpverlening. De problematiek van de kinderen speelt al jaren en die situatie is sinds de inzet van de ondertoezichtstelling niet veranderd. Daarnaast heeft de ondertoezichtstelling de afgelopen periode niet bijgedragen aan het creëren van rust in de thuissituatie van de kinderen. De moeder vindt het belangrijk dat de kinderen ieder weekend hun vader kunnen zien. Zij wijst er op dat de oma vaderszijde nauwelijks aanwezig is bij netwerkberaden en ook vaak zelf niet thuis is in de weekenden als de kinderen bij haar thuis hun vader zien. Ook zonder ondertoezichtstelling is het netwerk bereid om de omgang tussen de kinderen en de vader te begeleiden.
4.2.
Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzochte. De advocaat heeft het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. De vader vraagt primair om het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen omdat in de vorige beschikking een fout is gemaakt. Bij die beschikking is de ondertoezichtstelling voor een jaar verlengd terwijl deze voor de duur van zes maanden was verzocht en uitgesproken. Daarom is er in het afgelopen half jaar ten onrechte sprake geweest van een ondertoezichtstelling.
De vader vraagt subsidiair de ondertoezichtstelling te verlengen voor niet langer dan zes maanden. De vader vraagt ook om een omgangsregeling vast te stellen met perspectief, waarbij de kinderen stapsgewijs weer bij hem kunnen verblijven. Hij stelt zich meewerkend en gemotiveerd op richting hulpverlening en werkt aan zijn problematiek. Beide ouders volgen behandelingen, de moeder heeft een woning en het gaat goed met de vader. De doelen die de gecertificeerde instelling stelt voor de ondertoezichtstelling zoals het monitoren van de situatie van de moeder, het faciliteren en evalueren van hulpverlening en opstellen van een borgingsplan kunnen worden verwezenlijkt binnen een periode van zes maanden. De vader ziet graag dat de kinderen weer bij hem thuis kunnen komen zoals dat tot september 2025 het geval was. De oma vaderszijde heeft aangegeven dat zij de omgang niet langer kan begeleiden, het is dan ook niet begrijpelijk dat de gecertificeerde instelling verzoekt om deze regeling te formaliseren. De vader ziet graag dat er met professionele begeleiding – gekoppeld aan het verloop van de hulpverlening bij de Brijder – een opbouwregeling wordt gemaakt waarbij na het verloop van een aantal weken wordt bezien hoe het gaat en wordt bekeken of er kan worden opgeschaald.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter moet als eerste beoordelen of de gecertificeerde instelling ontvankelijk is in het verzoek. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.2.
Ter zitting van 20 februari 2026 heeft de kinderrechter aan de gecertificeerde instelling en aan de moeder de gelegenheid gegeven om zich uit te laten over het verzoek namens de moeder om de beschikking van 3 maart 2025 te verbeteren. Partijen hebben daartoe de gelegenheid gekregen tot en met 26 februari 2026. De kinderrechter heeft vervolgens ambtshalve kennis genomen van de herstelbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank, waarbij de schriftelijke beschikking van 3 maart 2025 is verbeterd.
5.3.
Het primaire verweer van de moeder treft doel. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Ter zitting van 3 maart 2025 heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan op het toen voorliggende verzoek om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Bij die mondelinge beschikking is de ondertoezichtstelling verlengd voor die verzochte duur van zes maanden. In de schriftelijke vastlegging van die beschikking is onder de kop “beoordeling van het verzoek” in rechtsoverweging 4.3 vermeld dat de kinderrechter het verzoek verlengt voor de duur van zes maanden.
De mondelinge uitspraak van de kinderrechter op de zitting van 3 maart 2025 is leidend. Bij die uitspraak is de ondertoezichtstelling verlengd. De nadien in het dictum van de beschikking als einddatum bij wijze van vergissing opgenomen datum van 6 maart 2026 doet daaraan niet af. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is geëxpireerd op 6 september 2025.
5.4.
Aangezien er op dit moment geen sprake is van een lopende ondertoezichtstelling, is verlenging niet aan de orde. Aan de gecertificeerde instelling komt ook geen bevoegdheid toe om een nieuwe ondertoezichtstelling te verzoeken. Dit betekent dat de gecertificeerde instelling niet ontvankelijk is in haar verzoek.
5.5.
De kinderrechter zal de gecertificeerde instelling niet ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verklaart de gecertificeerde instelling niet ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.