ECLI:NL:RBDHA:2026:793

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL26.696
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een Marokkaanse vreemdeling in het kader van de Vreemdelingenwet

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring van een Marokkaanse vreemdeling, die op 9 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw), omdat er een risico bestond dat de vreemdeling zich aan het toezicht zou onttrekken en de voorbereiding van zijn uitzetting zou beletten. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 behandeld, waarbij de vreemdeling werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was. De rechtbank heeft de gronden van de bewaring beoordeeld en vastgesteld dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft, aangezien zijn asielaanvraag eerder was afgewezen. De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er voldoende gronden waren voor de maatregel van bewaring en dat er geen aanleiding was voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend was. Het beroep van de vreemdeling is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.696

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

1. De minister heeft op 9 december 2025 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(
zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
(
lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [2] heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op de grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op 1 mei 2025 een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 19 mei 2025 heeft de minister de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, een terugkeerbesluit opgelegd en ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
6.
De zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Ten tijde van de inbewaringstelling bestond er dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiser er door de minister ook op is gewezen dat medische/psychische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is. De rechtbank is ook overigens niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
8. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Op 10 december 2025 heeft eiser een kopie van zijn paspoort overhandigd aan de IND [3] . De minister heeft op dezelfde dag een lp [4] -aanvraag verzonden aan de Marokkaanse autoriteiten, maar de kopie van het paspoort is pas op 7 januari 2026 verzonden. De minister heeft volgens eiser ook onvoldoende voortvarend gehandeld door op geen enkele wijze op dossierniveau contact te zoeken met voornoemde autoriteiten.
8.1.
De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank stelt vast dat de minister op 10 december 2025 een lp-aanvraag heeft ingevuld en doorgezonden naar de afdeling DIA [5] . Op 15 december 2025 is een lp-aanvraag met de vingerafdrukken van eiser aan de Marokkaanse autoriteiten verzonden. Dat de kopie van het paspoort vervolgens op 7 januari 2026 aan de hiervoor genoemde autoriteiten is doorgezonden, hetgeen mogelijk ook eerder had gekund, maakt niet dat sprake is van een gebrek aan voortvarendheid die onderhavige maatregel van bewaring onrechtmatig maakt. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat de minister niet alleen een lp-aanvraag heeft verzonden, maar daarnaast op 10 december 2025 en 2 januari 2026 ook een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat de minister bij de huidige stand van zaken op dossierniveau had moeten rappelleren.
Zicht op uitzetting
9. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat de Afdeling [6] heeft geoordeeld dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. [7] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De lp-aanvraag is nog steeds in onderzoek en op dit moment zijn er geen aanknopingspunten dat de Marokkaanse autoriteiten geen lp aan eiser zullen afgeven. Ook acht de rechtbank van belang dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Marokkaanse autoriteiten.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Immigratie- en Naturalisatiedienst.
4.Laissez-passer.
5.Directie Internationale Aangelegenheden.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Uitspraak van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.