ECLI:NL:RBDHA:2026:794

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL26.223
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring en voortvarendheid minister

De minister heeft op 11 november 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die van Marokkaanse nationaliteit is. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank had deze maatregel al eerder getoetst en oordeelde toen dat deze rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek op 21 november 2025.

In deze procedure stond centraal of de maatregel sinds dat moment nog steeds rechtmatig is. Eiser voerde aan dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat het lp-traject bij het Algerijnse consulaat was afgesloten en de minister onvoldoende voortvarend zou handelen. Ook stelde eiser dat een lichter middel dan bewaring mogelijk is, omdat hij medewerking verleent.

De rechtbank oordeelde dat het afgesloten lp-traject bij Algerije niet betekent dat het zicht op uitzetting is vervallen, omdat er nog een lopende lp-procedure bij de Marokkaanse autoriteiten is. De minister heeft voldoende voortvarend gehandeld door herhaaldelijk te rappelleren bij de Marokkaanse autoriteiten en vertrekgesprekken te voeren met eiser. Eiser heeft onvoldoende medewerking getoond, bijvoorbeeld door het niet overleggen van zijn paspoort. Daarom is geen reden om de maatregel van bewaring te beëindigen of te vervangen door een lichter middel.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.223

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van (gestelde) Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

1. De minister heeft op 11 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 november 2025 [2] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 21 november 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
4. Eiser betoogt dat hij al geruime tijd in vreemdelingenbewaring verblijft, maar dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is. Dit wordt bevestigd door het bericht van het Afghaanse [de rechtbank begrijpt: Algerijnse] consulaat, waarin staat vermeld dat eisers nationaliteit niet kan worden bevestigd en het lp [3] -traject daarom wordt afgesloten. Ook handelt de minister onvoldoende voortvarend door enkel een bericht te sturen aan het consulaat. Een lichter middel, zoals een meldplicht, is mogelijk omdat eiser de afgelopen tijd medewerking verleent en zich beschikbaar zal houden.
Beoordeling rechtbank
5. Dat het lp-traject ten aanzien van Algerije is afgesloten, maakt niet dat daarmee ook het zicht op uitzetting is komen te vervallen. Er loopt namelijk ook nog een lp-procedure bij de Marokkaanse autoriteiten. In de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak is geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. De rechtbank ziet in onderhavige procedure geen reden voor een ander oordeel. De lp-aanvraag is nog steeds in onderzoek en op dit moment zijn er geen aanknopingspunten dat de Marokkaanse autoriteiten geen lp aan eiser zullen afgeven. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Marokkaanse autoriteiten. Daar komt bij dat in onderhavige procedure niet is gebleken dat eiser bereidwillig is om zijn medewerking te verlenen. Zo heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 12 december 2025 verklaard dat hij een paspoort heeft die bij een vriend ligt, maar heeft zijn paspoort tot op heden niet overgelegd. De enkele verklaring, tijdens het vertrekgesprek van 22 december 2025, dat hij de telefoonnummer van zijn vriend niet in het bezit heeft, acht de rechtbank daartoe onvoldoende.
5.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Op 27 november 2025 en 17 december 2025 is schriftelijk gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast hebben er een tweetal vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden, laatstelijk op 22 december 2025. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
5.2.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
5.3.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft geen redenen naar voren gebracht waarin de minister hier aanleiding voor had moeten zien.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Laissez-passer.