Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7948

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 april 2026
Zaaknummer
C/09/699670 / JE RK 26-264
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens gedragsproblemen en gezinsdynamiek

De moeder van de minderjarige is in 2022 overleden, waarna de vader het ouderlijk gezag uitoefent. De minderjarige vertoont ernstige gedragsproblemen en verblijft sinds februari 2026 bij Jeugdformaat, nadat een netwerkpleeggezin aangaf onvoldoende ondersteuning te kunnen bieden. De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een ondertoezichtstelling voor een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden.

De vader en stiefmoeder stemmen in met het verzoek en erkennen de noodzaak van behandeling en rust voor de minderjarige, die ADHD en mogelijk trauma gerelateerde problematiek heeft. De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door de gezinsdynamiek en gedragsproblemen, en dat professionele hulpverlening noodzakelijk is.

De beschikking stelt de minderjarige onder toezicht van de gecertificeerde instelling en verleent de machtiging tot uithuisplaatsing, met het oog op het herstel van de ouder-kindrelatie en het voorkomen van nieuwe escalaties. De beslissing is direct uitvoerbaar en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De kinderrechter wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing toe en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/699670 / JE RK 26-264
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. R. Plieger uit Hemmen,
[de stiefmoeder],
hierna te noemen: de stiefmoeder,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader met zijn advocaat;
  • de stiefmoeder;
- [naam 1] namens de Raad met een collega [naam 2] als toehoorder;
- [naam 3] namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder van [de minderjarige] , [naam 4] , is op [datum] 2022 overleden.
2.2.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] verblijft bij een groep van Jeugdformaat.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek, kort en zakelijk weergegeven, als volgt onderbouwd. Er zijn zorgen over de ontwikkeling en het gedrag van [de minderjarige] en de ingrijpende gebeurtenissen die zij heeft meegemaakt in het verleden. In de thuissituatie bij de vader en de stiefmoeder vonden er regelmatig steeds heftigere escalaties plaats. [de minderjarige] voelt zich afgewezen door deze negatieve interacties waardoor de ouder-kind relatie verder onder druk is komen te staan en [de minderjarige] zich emotioneel onveilig kan voelen. [de minderjarige] is in november 2025 bij een netwerkpleeggezin, Yvonne en Jeroen, gaan wonen. Op 30 januari 2026 hebben zij echter aangegeven dat [de minderjarige] een omgeving nodig heeft waar intensieve ondersteuning geboden kan worden en dat zij [de minderjarige] niet langer kunnen opvangen. [de minderjarige] woont daarom sinds 9 februari 2026 bij Jeugdformaat. [de minderjarige] heeft een coach gekregen en er is een persoonlijkheidsonderzoek gedaan. Het is van belang dat gekeken wordt welke behandeling passend is en wordt ingezet, voordat [de minderjarige] weer stapsgewijs naar huis kan. Daarnaast zal er ook hulpverlening in het gezinssysteem ingezet moeten worden waarbij de vader en de stiefmoeder begeleiding en handvatten krijgen hoe zij zo goed mogelijk kunnen omgaan met het gedrag van [de minderjarige] . Het doel is dat [de minderjarige] zo snel mogelijk weer bij de vader en de stiefmoeder kan wonen, maar het tempo van [de minderjarige] is daarin leidend en het is van belang dat er eerst hulpverlening wordt ingezet en stappen worden gezet om nieuwe escalaties in de thuissituatie te voorkomen.

4.De standpunten

4.1.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij het eens is met de verzoeken van de Raad. Het is in de thuissituatie nu wat rustiger. Het gedrag van [de minderjarige] is nog niet veranderd en de oude patronen zijn nog aanwezig. [de minderjarige] houdt zich niet aan de afspraken en het probleemgedrag op school speelt nog steeds. Tot nu toe heeft de hulpverlening nog niet tot een verandering bij [de minderjarige] geleid, omdat zij wenselijk gedrag kan laten zien waar vervolgens niet doorheen wordt geprikt. De vader wil heel graag dat [de minderjarige] uiteindelijk weer thuis komt wonen, maar het is belangrijk dat zij eerst tot rust komt en behandeling krijgt omdat het anders opnieuw zal escaleren. De vader en de stiefmoeder staan ook open voor hulpverlening om beter met [de minderjarige] haar gedrag en ADHD om te leren gaan. De vader vraagt zich wel af of de huidige accommodatie passend is voor [de minderjarige] en haar problematiek en maakt zich zorgen omdat de behandeling de afgelopen weken heeft stilgestaan. De advocaat heeft toegelicht dat vader en stiefmoeder zich niet verzetten tegen de verzoeken en dat er hopelijk snel duidelijkheid komt voor [de minderjarige] .
4.2.
De stiefmoeder sluit zich aan bij het standpunt van de vader. Zij houdt veel van [de minderjarige] en hoopt dat [de minderjarige] uiteindelijk weer thuis kan wonen, maar de situatie was niet langer houdbaar. Het is belangrijk dat [de minderjarige] eerst behandeling krijgt.
4.3.
De gecertificeerde instelling sluit zich aan bij het verzoek en het standpunt van de Raad. De jeugdbeschermer zal zelf de vaste jeugdbeschermer van het gezin worden en zal met het gezin gaan kijken welke hulpverlening en behandeling passend is en ingezet zal worden.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [de minderjarige] heeft veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt in haar leven waarbij het nog onduidelijk is welke impact dat precies op haar heeft gehad. [de minderjarige] laat in toenemende mate gedragsproblemen zien, houdt zich niet altijd aan de afspraken en heeft moeite met het organiseren van haar leven. [de minderjarige] heeft extra ondersteuning en stimulans nodig en het lukt de vader en de stiefmoeder onvoldoende om op een adequate manier met het gedrag van [de minderjarige] om te kunnen gaan. De gezinsdynamiek is hierdoor steeds verder onder druk komen te staan waardoor de escalaties toenamen en de thuissituatie niet langer houdbaar was. Ook in het netwerkpleeggezin werd gezien dat [de minderjarige] een professionele setting nodig heeft waar zij rust en intensieve begeleiding kan krijgen. [de minderjarige] verblijft daarom sinds 9 februari 2026 bij Jeugdformaat. Zij heeft een coach gekregen en er is een persoonlijkheidsonderzoek gedaan. [de minderjarige] en haar vader hebben verteld dat daaruit is gekomen dat zij ADHD heeft en er mogelijk sprake is van trauma gerelateerde problematiek. De kinderrechter vindt een ondertoezichtstelling nodig zodat een jeugdbeschermer de regie kan pakken en met de vader, de stiefmoeder en [de minderjarige] kan kijken welke hulpverlening passend is. Zo kan er meer ruimte komen voor het gezin om zich te focussen op het herstellen van de ouder-kind relatie. Daarbij is het van belang dat er zowel individuele hulpverlening voor [de minderjarige] als hulpverlening voor het gezin wordt ingezet. De vader en de stiefmoeder kunnen handvatten krijgen hoe zij het beste met [de minderjarige] om kunnen gaan. Gelet op de stappen die nog gezet moeten worden, vindt de kinderrechter de duur van twaalf maanden daarvoor passend en geboden. De kinderrechter zal ook de machtiging tot uithuisplaatsing toewijzen voor de verzochte duur van zes maanden. [de minderjarige] , de vader en de stiefmoeder willen het liefst dat [de minderjarige] weer thuis komt wonen, maar zijn het ook eens dat het noodzakelijk is dat er eerst rust komt en dat eerst behandeling wordt opgestart voordat er stapsgewijs kan worden teruggewerkt naar huis om nieuwe escalaties te voorkomen.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 5 maart 2026 tot 5 maart 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 5 maart 2026 tot 5 september 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026 door
mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 17 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.