ECLI:NL:RBDHA:2026:796

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL26.250
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 5 Richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot het sluiten van het onderzoek op 12 november 2025. De rechtbank beoordeelde nu de periode van 12 november 2025 tot 8 januari 2026.

Eiser stelde dat er geen concreet zicht was op zijn uitzetting naar Marokko, omdat de Marokkaanse autoriteiten ondanks toezeggingen nog geen laissez-passer hadden afgegeven. De rechtbank oordeelde dat het lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten tijd kost en dat de voortgangsrapportages lieten zien dat het onderzoek nog liep. De enkele verklaring van eiser dat hij pas na vrijlating kan meewerken aan zijn vertrek, werd niet gevolgd omdat hij ook in bewaring mogelijkheden heeft om voorbereidingen te treffen.

De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit aan de hand van relevante Europese jurisprudentie, waaronder het Hof van Justitie arrest van 8 november 2022 en het arrest Adrar van 4 september 2025. Er waren geen aanwijzingen dat het beginsel van non-refoulement of het belang van het gezin zich verzetten tegen de verwijdering. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.250

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 30 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 8 januari 2026.

Overwegingen

Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 november 2025 (in de zaak NL25.53331), bij uitspraak van 17 december 2025 bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 12 november 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 12 november 2025 tot 8 januari 2026.
Zicht op uitzetting
3. Eiser voert aan dat er geen concreet zicht is op uitzetting naar Marokko. Op 12 september 2023 hebben de Marokkaanse autoriteiten eisers nationaliteit en identiteit bevestigd en een laissez-passer (lp) toezegging gedaan. Ondanks herhaalde rappels en vermelding van opschaling van eisers zaak is er tot op heden geen lp afgegeven. Daarnaast voert eiser in zijn reactie op de stukken van verweerder aan dat het zicht op uitzetting ontbreekt omdat hij volledig mee wil werken aan zijn vertrek, maar hij dit pas kan doen nadat hij vrijgelaten is.
4. De rechtbank merkt op dat deze beroepsgrond eerder is aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 17 november 2025. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.4 van deze uitspraak. De situatie is ongewijzigd en het tijdsverloop sinds de uitspraak van 17 november 2025 is niet zodanig dat de rechtbank daarin aanleiding ziet om anders over de beroepsgrond te oordelen. Met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten is in het algemeen de nodige tijd gemoeid. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten nog loopt. Op 26 november 2025 is eisers zaak besproken met de Consul General en deze heeft gezegd de zaak intern te zullen bespreken. Verweerder rappelleert regelmatig bij de Marokkaanse autoriteiten in verband met de afgifte van een lp ten behoeve van eisers uitzetting, voor het laatst op 17 december 2025. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet kenbaar gemaakt geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. De enkele verklaring van eiser dat hij pas na vrijlating kan werken aan zijn terugkeer naar Marokko, volgt de rechtbank niet. Ook in bewaring heeft eiser de mogelijkheid om (zo nodig met hulp van zijn gemachtigde of familieleden) de nodige handelingen voor zijn vertrek te verrichten. Eiser heeft ook niet concreet gemaakt wat hij met het oog op zijn vertrek had willen regelen, maar wat door zijn detentie niet is gelukt. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank het zicht op de uitzetting van eiser naar Marokko vooralsnog aanwezig. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.