ECLI:NL:RBDHA:2026:796
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot het sluiten van het onderzoek op 12 november 2025. De rechtbank beoordeelde nu de periode van 12 november 2025 tot 8 januari 2026.
Eiser stelde dat er geen concreet zicht was op zijn uitzetting naar Marokko, omdat de Marokkaanse autoriteiten ondanks toezeggingen nog geen laissez-passer hadden afgegeven. De rechtbank oordeelde dat het lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten tijd kost en dat de voortgangsrapportages lieten zien dat het onderzoek nog liep. De enkele verklaring van eiser dat hij pas na vrijlating kan meewerken aan zijn vertrek, werd niet gevolgd omdat hij ook in bewaring mogelijkheden heeft om voorbereidingen te treffen.
De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit aan de hand van relevante Europese jurisprudentie, waaronder het Hof van Justitie arrest van 8 november 2022 en het arrest Adrar van 4 september 2025. Er waren geen aanwijzingen dat het beginsel van non-refoulement of het belang van het gezin zich verzetten tegen de verwijdering. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.