Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7985

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
24/14089 en 24/14090
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 9 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing verblijfsdocument EU/EER wegens ontbreken gronden

Eiseres, van Marokkaanse nationaliteit, diende op 4 december 2023 een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER om bij haar partner te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af op 16 mei 2024, en handhaafde dit besluit op 4 september 2024, omdat tussen eiseres en haar partner geen familierechtelijke relatie bestond vanwege een echtscheiding op 15 mei 2024.

Eiseres stelde beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek op 26 februari 2026, waarbij eiseres en haar gemachtigde niet verschenen. De rechtbank constateerde dat het beroepschrift van 6 september 2024 geen gronden van beroep bevatte, ondanks een aangetekende aanmaning om deze binnen vier weken aan te vullen.

Omdat eiseres niet aan dit verzoek voldeed en geen reactie gaf op de standpunten van verweerder, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Hierdoor werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en kreeg eiseres geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verblijfsdocument EU/EER is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 24/14089 en 24/14090
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaken tussen

[eiseres], van de Marokkaanse nationaliteit, eiseres en verzoeker (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. A.J. El Kadi),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsdocument EU/EER. Eiseres is het niet eens met de afwijzing.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep
niet-ontvankelijk is. Het beroep wordt niet inhoudelijk behandeld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft

Procesverloop

2.1.
Eiseres heeft op 4 december 2023 een aanvraag ingediend voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER [1] voor verblijf bij haar partner (referent). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 september 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres voor een verblijfsdocument EU/EER afgewezen omdat er tussen eiseres en referent geen sprake is van een familierechtelijke relatie. Referent heeft aan verweerder gemeld dat tussen hem en eiseres op 15 mei 2024 de echtscheiding is uitgesproken door de rechtbank.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet in een beroepschrift worden toegelicht wat de redenen zijn dat de indiener het niet eens is met de beslissing op het bezwaar, ook wel de gronden van beroep genoemd. In artikel 6:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb staat dat het beroepschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb, en de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
3.2.
Eiseres heeft op 6 september 2024 een beroepschrift ingediend dat geen gronden van beroep bevat. Bij brief van 11 september 2024 heeft de griffier eiseres verzocht om binnen vier weken na verzending van de brief de gronden van het beroep mee te delen. In deze brief is meegedeeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als eiseres niet aan het verzoek voldoet en ook niet binnen de gestelde termijn een verzoek om uitstel indient. De brief is aangetekend verzonden en bezorgd op het adres van de gemachtigde van eiseres.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat er binnen de gestelde termijn geen gronden van beroep zijn ontvangen. Verweerder heeft zich op 25 februari 2026 op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ook op deze brief heeft de rechtbank geen reactie ontvangen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaken niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt afgewezen omdat op het beroep wordt beslist.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt afgewezen omdat op het beroep wordt beslist.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.