Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
De minister van Asiel en Migratie legde op 26 juni 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser zit sindsdien vast en stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel, met een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten.
Eiser stelde dat de maximale termijn van zes maanden vrijheidsontneming was bereikt en dat hij daarom in vrijheid moest worden gesteld. De rechtbank overwoog dat de bewaring maximaal achttien maanden kan duren, maar dat het belang van de vreemdeling om vrij te zijn zwaarder weegt naarmate de bewaring langer duurt. Verweerder had verzwaarde belangenafwegingen gemaakt op 7 oktober en 7 november 2025, waarbij werd vastgesteld dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting, onder meer door weigering deel te nemen aan gesprekken met de Libische autoriteiten.
De rechtbank concludeerde dat het belang van verweerder bij voortzetting van de bewaring zwaarder weegt dan het belang van eiser bij invrijheidstelling. Het beroep werd ongegrond verklaard. Tevens oordeelde de rechtbank dat het beroep niet als een nieuw eerste aanleg beroep kon worden behandeld, omdat het voortduren van de maatregel rechtmatig is. Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid en het beginsel van non-refoulement leverde geen onrechtmatigheid op. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.