ECLI:NL:RBDHA:2026:799

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63066
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 93 VwArt. 96 VwArt. 5 richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling ongegrond verklaard

De minister van Asiel en Migratie legde op 26 juni 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser zit sindsdien vast en stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel, met een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten.

Eiser stelde dat de maximale termijn van zes maanden vrijheidsontneming was bereikt en dat hij daarom in vrijheid moest worden gesteld. De rechtbank overwoog dat de bewaring maximaal achttien maanden kan duren, maar dat het belang van de vreemdeling om vrij te zijn zwaarder weegt naarmate de bewaring langer duurt. Verweerder had verzwaarde belangenafwegingen gemaakt op 7 oktober en 7 november 2025, waarbij werd vastgesteld dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting, onder meer door weigering deel te nemen aan gesprekken met de Libische autoriteiten.

De rechtbank concludeerde dat het belang van verweerder bij voortzetting van de bewaring zwaarder weegt dan het belang van eiser bij invrijheidstelling. Het beroep werd ongegrond verklaard. Tevens oordeelde de rechtbank dat het beroep niet als een nieuw eerste aanleg beroep kon worden behandeld, omdat het voortduren van de maatregel rechtmatig is. Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid en het beginsel van non-refoulement leverde geen onrechtmatigheid op. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.63066
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. Schaap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 26 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Toetsingskader
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 december 2025 (in de zaak NL25.58230) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Verzwaarde belangenafweging
3. Eiser betoogt dat, nu hij sinds 26 juni 2025 zes maanden in bewaring zit, de maximale termijn van zijn vrijheidsontneming volgens artikel 59, vijfde lid, van de Vw is bereikt. Verweerder had eiser dan ook in vrijheid moeten stellen.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Als een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en verweerder voortvarend werkt aan de verwijdering, is de duur van de bewaring een element dat bij de belangenafweging moet worden betrokken. De Vreemdelingenwet stelt een maximum van achttien maanden aan de duur van de bewaring. Dit betekent echter niet dat de bewaring in alle gevallen ook achttien maanden mag voortduren. Naarmate de bewaring voortduurt, wordt het belang van betrokkene om in vrijheid te worden gesteld groter. Indien de maatregel langer duurt dan zes maanden, kan deze toch voortduren als de uitzetting meer tijd zal vergen omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting (artikel 59, zesde lid, van de Vw). Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder op 7 oktober 2025 een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt en dat dit tijdens het vertrekgesprek van 14 oktober 2025 met eiser is besproken. Vervolgens heeft verweerder weer een verzwaarde belangenafweging gemaakt op 7 november 2025. Volgens verweerder is de laissez-passer (lp) aanvraag van eiser nog in onderzoek. Het Libische consulaat heeft aan eiser verzocht om persoonlijk contact op te nemen, maar eiser heeft geweigerd om deel te nemen aan de voor hem geplande presentaties bij de Libische autoriteiten. Dit is niet weersproken door eiser. Verder blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 19 december 2025 dat eiser heeft geweigerd deel te nemen aan het gesprek. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet alle medewerking verleent aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit en dat hij zelf geen actie onderneemt om aan documenten te komen.
Ten overvloede verwijst de rechtbank naar overweging 6. van voornoemde uitspraak van 11 december 2025 en merkt hierbij op dat eiser sinds 11 oktober 2025 zes maanden aansluitend in zowel strafrechtelijke als vreemdelingrechtelijke detentie heeft verbleven. De verzwaarde belangenafweging die verweerder op 7 oktober 2025 ten aanzien van de voortduring van de maatregel heeft gemaakt valt ook in deze beroepsprocedure buiten de te toetsen periode. Ten aanzien van de verzwaarde belangenafweging van 7 november 2025 merkt de rechtbank op dat verweerder niet gehouden was deze te maken.
5. De hiervoor genoemde omstandigheden leiden de rechtbank tot de conclusie dat aan het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Behandeling ter zitting
6. Eiser stelt verder dat zijn vervolgberoep behandeld dient te worden als een beroep in eerste aanleg, omdat sprake is van een nieuw besluit. Eiser voert hiertoe aan dat het laten voortduren van de maatregel zonder wettelijke grondslag moet worden aangemerkt als een feitelijke handeling van verweerder die gelijkgesteld kan worden met een besluit als bedoeld in artikel 93, eerste lid, van de Vw. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:194, overwegingen 4 en 5.
7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Zoals overwogen onder 4., is het voortduren van de maatregel rechtmatig op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw. In de door eiser aangehaalde afdelingsuitspraak is sprake van een andere situatie, nu verweerder in die zaak geen belangenafweging had gemaakt nadat een vreemdeling zes maanden in bewaring had verbleven. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
9. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 januari 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.