Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8014

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
NL26.15317
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:75a AwbArt. 72 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting na asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard

Verzoeker werd geïnformeerd over een voorgenomen uitzetting naar Marokko gepland op 20 maart 2026. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar en vroeg op 19 maart 2026 een voorlopige voorziening om overdracht tijdens bezwaarprocedure te voorkomen.

Verweerder diende een verweerschrift in en gaf aan dat de uitzetting was geannuleerd vanwege een nieuwe asielaanvraag van verzoeker. De voorzieningenrechter oordeelde dat door de annulering het spoedeisend belang van het verzoek verviel.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb werd het verzoek om voorlopige voorziening daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat de annulering los stond van de bezwaargronden.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de voorgenomen uitzetting is niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen spoedeisend belang na annulering van de uitzetting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15317

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. Y.M. Schrevelius),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: drs. [gemachtigde]).

Procesverloop

Verweerder heeft aan verzoeker meegedeeld dat hij voornemens is om hem uit te zetten naar Marokko op vrijdag 20 maart om 17:15 uur.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen uitzetting. Hij heeft verder op 19 maart 2026 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij tijdens de behandeling van het bezwaarschrift niet wordt overgedragen.
Verweerder heeft op 19 maart 2026 een verweerschrift ingediend. Daaruit volgt dat verweerder de voorgenomen uitzetting heeft geannuleerd, nadat eiser een asielaanvraag heeft ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. [1]

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De mededeling aan verzoeker over de voorgenomen uitzetting is aan te merken als een feitelijke handeling jegens een vreemdeling als zodanig. Een dergelijke handeling is op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw [2] gelijkgesteld met een beschikking. Hiertegen is bezwaar en vervolgens beroep mogelijk. De voorzieningenrechter is dan ook bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen.
2. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
3. De voorzieningenrechter ziet aanleiding van de bovenstaande bevoegdheid gebruik te maken. Verweerder heeft de voorzieningenrechter op 19 maart 2026 te kennen gegeven dat de voorgenomen uitzetting van verzoekster op 20 maart 2026 geen doorgang zal vinden. Nu de uitzetting is geannuleerd, is daarmee ook het spoedeisend belang aan de gevraagde voorlopige voorziening komen te vervallen.
4. Gelet hierop verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk.
5. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval geen sprake van tegemoetkomen zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Verweerder heeft namelijk de uitzetting geannuleerd omdat verzoeker na het aankondigen van de vluchtgegevens een nieuwe asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft vervolgens vanwege deze nieuwe asielaanvraag de voorgenomen uitzetting geannuleerd. In zoverre houdt de annulering van de uitzetting geen verband met de gronden van het bezwaar.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 2 april 2026 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Vreemdelingenwet 2000.