Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
- Namens [verzoekster] : de heer [naam] , bestuurder, bijgestaan door mr. Coskun;
- Mr. Kesting.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde op 19 maart 2026 het verzoek van [verzoekster] B.V. tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor om vier getuigen te horen over het eigendom van goederen waarop executoriaal beslag is gelegd. Dit beslag was gelegd door gerechtsdeurwaarder LAVG in opdracht van [verweerder], voortvloeiend uit een vonnis tegen [bedrijfsnaam] B.V., waarmee [verzoekster] naar eigen zeggen wordt vereenzelvigd.
[Verzoekster] stelt dat het beslag onrechtmatig is en wenst via het getuigenverhoor bewijs te verzamelen ter voorbereiding van een bodemprocedure waarin zij haar eigendomsrecht wil vaststellen, afgifte van de goederen wil afdwingen en schadevergoeding wil vorderen. [Verweerder] betwist het verzoek en voert onder meer aan dat het verzoekschrift niet aan de wettelijke vereisten voldoet en dat de informatie onvoldoende bepaald is.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek voldoet aan de wettelijke criteria van artikel 196 Rv Pro en dat het belang van [verzoekster] voldoende concreet is gemaakt. De rechtbank wijst het verzoek toe, maar stelt als voorwaarde dat [verzoekster] uiterlijk drie weken voor het verhoor een overzichtelijk rapport van de boekhouder overlegt, waarin per in beslag genomen goed een verklaring over het eigendom wordt gegeven met verwijzing naar relevante facturen. Tevens worden praktische afspraken gemaakt over de planning en communicatie.
De beschikking is gegeven door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
Uitkomst: Verzoek tot voorlopig getuigenverhoor toegewezen onder voorwaarde van voorafgaand rapport van de boekhouder.