Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8016

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/09/692892 / HA RK 25-585
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor inzake eigendom en beslaglegging goederen

De rechtbank Den Haag behandelde op 19 maart 2026 het verzoek van [verzoekster] B.V. tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor om vier getuigen te horen over het eigendom van goederen waarop executoriaal beslag is gelegd. Dit beslag was gelegd door gerechtsdeurwaarder LAVG in opdracht van [verweerder], voortvloeiend uit een vonnis tegen [bedrijfsnaam] B.V., waarmee [verzoekster] naar eigen zeggen wordt vereenzelvigd.

[Verzoekster] stelt dat het beslag onrechtmatig is en wenst via het getuigenverhoor bewijs te verzamelen ter voorbereiding van een bodemprocedure waarin zij haar eigendomsrecht wil vaststellen, afgifte van de goederen wil afdwingen en schadevergoeding wil vorderen. [Verweerder] betwist het verzoek en voert onder meer aan dat het verzoekschrift niet aan de wettelijke vereisten voldoet en dat de informatie onvoldoende bepaald is.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek voldoet aan de wettelijke criteria van artikel 196 Rv Pro en dat het belang van [verzoekster] voldoende concreet is gemaakt. De rechtbank wijst het verzoek toe, maar stelt als voorwaarde dat [verzoekster] uiterlijk drie weken voor het verhoor een overzichtelijk rapport van de boekhouder overlegt, waarin per in beslag genomen goed een verklaring over het eigendom wordt gegeven met verwijzing naar relevante facturen. Tevens worden praktische afspraken gemaakt over de planning en communicatie.

De beschikking is gegeven door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopig getuigenverhoor toegewezen onder voorwaarde van voorafgaand rapport van de boekhouder.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/692892 / HA RK 25-585
Beschikking van 19 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster] B.V., te [vestigingsplaats] ,
verzoekster, hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. D. Coskun,
tegen
[verweerder], te [woonplaats] ,
verweerder, hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. L. Kesting.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met vijf producties, ingekomen op 13 oktober 2025;
- de e-mail van mr. Coskun van 17 oktober 2025;
- de brief van mr. Kesting van 29 oktober 2025;
- het verweerschrift met één productie, ingekomen op 27 januari 2026.
1.2.
Op 5 februari 2026 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling. Hierbij waren aanwezig:
  • Namens [verzoekster] : de heer [naam] , bestuurder, bijgestaan door mr. Coskun;
  • Mr. Kesting.

2.De feiten

2.1.
Bij vonnis van 19 mei 2022 is [bedrijfsnaam] B.V. (hierna te noemen: [bedrijfsnaam] ) veroordeeld tot betaling van een geldsom aan [verweerder] .
2.2.
Op 20 februari 2025 heeft gerechtsdeurwaarder LAVG (hierna te noemen: LAVG) in opdracht van [verweerder] executoriaal beslag gelegd op goederen uit de winkelvoorraad van [verzoekster] . Aan dit beslag lag voornoemd vonnis tegen [bedrijfsnaam] ten grondslag. LAVG heeft zich bij de beslaglegging op het standpunt gesteld dat [verzoekster] te vereenzelvigen is met [bedrijfsnaam] .
2.3.
[verzoekster] heeft in kort geding opheffing van het gelegde beslag gevorderd. De voorzieningenrechter te Amsterdam heeft de vordering afgewezen en overwoog hierbij als volgt:
“Bouwmarkt heeft al met al onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de roerende zaken waarop beslag is gelegd aan haar in eigendom toebehoren.[…]”(randnummer 4.9.)
“[…] Indien in een bodemprocedure mocht blijken dat het eigendom van de goederen toch bij Bouwmarkt lag, zal dat zich moeten vertalen in een vordering tot schadevergoeding”(randnummer 4.12).
Tegen dit vonnis heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.
2.4.
[verzoekster] heeft € 8.500,- gestort op de derdengeldenrekening van mr. Kesting om de executoriale verkoop van de in beslag genomen goederen te voorkomen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Het verzoek strekt, zakelijk weergegeven, tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor teneinde vier getuigen te horen.
3.2.
Aan het verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat er onrechtmatig beslag is gelegd op haar goederen. [verzoekster] wenst een bodemprocedure te starten om haar eigendomsrecht vast te laten stellen, afgifte van haar goederen af te dwingen en een schadevergoeding te vorderen vanwege het onrechtmatig handelen van [verweerder] . Alvorens de bodemprocedure aanhangig te maken, wenst [verzoekster] door middel van het voorlopig getuigenverhoor aan te tonen dat zij eigenaar is van de in beslag genomen goederen en dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade aan haar zijde.
3.3.
[verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

De conclusie
4.1.
Het verzoek van [verzoekster] wordt toegewezen. Wel zal de rechtbank voorwaarden ten behoeve van het verhoor stellen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Het beoordelingskader
4.2.
Een voorlopig getuigenverhoor heeft als doel de verzoeker in staat te stellen duidelijkheid te verkrijgen over bepaalde feiten waarvan hij in een eventuele procedure de bewijslast zal hebben. Daarnaast biedt het de verzoeker de mogelijkheid zijn proceskansen beter te kunnen inschatten.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan worden toegewezen in de gevallen waarin volgens de wet het bewijs door getuigen is toegelaten. Uitgangspunt daarbij is dat de feiten die met het verhoor bewezen kunnen worden tot een beslissing van de zaak kunnen leiden. Op grond van artikel 196 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor alleen worden afgewezen als: (1) de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is, (2) onvoldoende belang bestaat bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor, (3) het verzoek in strijd is met de goede procesorde, (4) sprake is van misbruik van bevoegdheid of (5) andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen het voorlopig getuigenverhoor. Als geen van deze situaties zich voordoet en het verzoek verder aan alle formele vereisten voldoet, wordt het verzoek toegewezen.
Het verzoek voldoet aan de wettelijke vereisten.
4.4.
[verweerder] stelt dat het verzoekschrift van [verzoekster] niet aan de wettelijke vereisten voldoet, omdat de woonplaatsen van de te horen getuigen er niet in zijn opgenomen. Hoewel de woonplaatsen van de te horen getuigen inderdaad niet in het verzoekschrift zijn opgenomen, is dit naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor de afwijzing van het verzoek. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het voldoende duidelijk is geworden welke getuigen [verzoekster] wenst te horen.
De verlangde informatie is voldoende bepaald.
4.5.
[verweerder] stelt dat de verlangde informatie onvoldoende bepaald is. Hiertoe voert [verweerder] aan dat het onderliggende doel van het voorlopig getuigenverhoor niet duidelijk is nu enerzijds door [verzoekster] wordt gesteld dat het verhoor nodig is ter voorbereiding op een te entameren bodemprocedure en anderzijds wordt gesteld dat spoed vereist is in verband met het lopende hoger beroep. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoekster] voldoende duidelijk gemaakt dat zij getuigen wenst te horen vanwege een mogelijk te entameren bodemprocedure waarin zij enerzijds haar eigendomsrecht vast wil laten stellen en anderzijds afgifte van de in beslag genomen goederen en vergoeding van de door haar geleden schade vordert. Daarmee is het doel van het voorlopig getuigenverhoor voldoende duidelijk.
4.6.
Verder blijft [verzoekster] volgens [verweerder] steken in algemene aanduidingen over het eigendom van de in beslag genomen goederen en is per getuige niet voldoende duidelijk gemaakt waarover zij kunnen verklaren en waarom die verklaringen relevant zijn voor het geschil. [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de boekhouder, de heer Sahin (hierna: de boekhouder), kan verklaren over het eigendom van de afzonderlijke in beslag genomen goederen, onder verwijzing naar de bijbehorende inkoopfacturen. Daarnaast zou de boekhouder volgens [verzoekster] kunnen verklaren dat de in beslag genomen goederen niet voorkomen in de administratie van [bedrijfsnaam] . De heer en mevrouw [naam] kunnen volgens [verzoekster] ook verklaren over het eigendom van de in beslaggenomen goederen. [verweerder] kan volgens [verzoekster] verklaren over het feit dat [bedrijfsnaam] op een ander adres was gevestigd. [verzoekster] stelt, gelet op het voornoemde, dat de verlangde informatie concreet, toetsbaar en direct relevant voor het geschil is. De rechtbank volgt [verzoekster] hierin en is van oordeel dat de verlangde informatie voldoende bepaald is.
[verzoekster] heeft voldoende belang bij haar verzoek.
4.7.
[verweerder] stelt zich op het standpunt dat [verzoekster] haar belang bij het ophelderen van de feiten en het beoordelen van haar positie in een te entameren bodemprocedure onvoldoende concreet heeft gemaakt. Hiertoe voert [verweerder] aan dat [verzoekster] niet inzichtelijk heeft gemaakt welke feiten nog onduidelijk zijn gebleven en welke nieuwe feiten door het horen van getuigen zouden moeten worden vastgesteld nu twee van de vier getuigen al een schriftelijke verklaring hebben afgelegd. Volgens [verweerder] wordt in het verzoekschrift niet geconcretiseerd welk belang [verzoekster] heeft bij het horen van de heer [naam] en [verweerder] . Met betrekking tot [verweerder] geldt dat te meer omdat het enkele feit dat [verweerder] kennis zou hebben gehad van een andere locatie van [bedrijfsnaam] niet maakt dat [verweerder] kan verklaren over het eigendom van de in beslag genomen goederen, aldus [verweerder] .
4.8.
[verzoekster] wenst door middel van het voorlopig getuigenverhoor aan te tonen dat het eigendom van de in beslag genomen goederen bij haar ligt en kennelijk ook dat door [verweerder] tegen beter weten in desalniettemin beslag is gelegd. [verzoekster] heeft in dat licht bezien voldoende duidelijk gemaakt wat de te horen getuigen daaromtrent kunnen verklaren en waarom die verklaringen relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het geschil in een te entameren bodemprocedure. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verzoekster] voldoende belang heeft bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [verzoekster] aan de wettelijke vereisten voldoet en dat er geen afwijzingsgronden zijn gebleken. Om die reden zal het verzoek van [verzoekster] tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor worden toegewezen.
De voorwaarden voor het voorlopig getuigenverhoor.
4.10.
Gelet op de grote hoeveelheid in beslag genomen goederen en het feit dat [verzoekster] te kennen heeft gegeven dat de boekhouder over elk afzonderlijk in beslag genomen goed kan verklaren, acht de rechtbank het noodzakelijk bepaalde voorwaarden te verbinden aan het verhoor. Om het verhoor voor alle betrokkenen overzichtelijk te houden zal de rechtbank bepalen dat [verzoekster] uiterlijk drie weken voorafgaand aan het verhoor een overzichtelijk, zo kort mogelijk rapport van de boekhouder moet overleggen waarin de boekhouder verklaart over het eigendom van de afzonderlijke in beslag genomen goederen, onder verwijzing naar de (bijgevoegde) relevante facturen. Deze beslissing in aanmerking genomen zullen de vier verhoren niet meer dan (gemiddeld) ongeveer een uur in beslag hoeven nemen. De rechter voor wie de verhoren zullen worden gehouden is uiteraard degene die (nadere) beslissingen zal kunnen nemen met betrekking tot het (verdere) verloop van het voorlopig getuigenverhoor.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor teneinde vier getuigen te horen over het eigendom van de in beslag genomen goederen;
5.2.
bepaalt dat het verhoor van de vier getuigen zal plaatsvinden in het Paleis van Justitie te Den Haag aan de Prins Clauslaan 60 op een nader te bepalen datum en tijdstip ten overstaan van een nader te bepalen rechter-commissaris;
5.3.
bepaalt dat [verzoekster] uiterlijk drie weken voorafgaand aan het verhoor een overzichtelijk rapport van de boekhouder aan [verweerder] en de rechtbank moet overleggen, waarin per in beslag genomen goed een korte verklaring over het eigendom van het goed wordt gegeven en waarin wordt verwezen naar de bijgevoegde relevante facturen;
5.4.
bepaalt dat partijen binnen twee weken na heden hun verhinderdata over de komende vier maanden dienen door te geven aan de rechtbank;
5.5.
bepaalt dat [verzoekster] uiterlijk twee weken na deze beschikking een afschrift van de beschikking bij aangetekende brief of bij exploot aan [verweerder] moet doen toekomen.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
type: 3384