ECLI:NL:RBDHA:2026:803

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
09/057738-23
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor de verkoop en het witwassen van grote hoeveelheden cocaïne met procesafspraken

Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het verkopen en aanwezig hebben van grote hoeveelheden cocaïne, alsook van witwassen. De verdachte, geboren in 1994, werd beschuldigd van meerdere feiten die zich afspeelden tussen juni 2020 en maart 2023. De rechtbank heeft op basis van de tenlastelegging en het onderzoek op de terechtzitting, die plaatsvond op 7 januari 2026, een vonnis gewezen. De officier van justitie, mr. L.A. van der Leeuw, vorderde een gevangenisstraf van 40 maanden, wat door de verdediging werd ondersteund. De verdachte had procesafspraken gemaakt met het Openbaar Ministerie, wat leidde tot een efficiënte afdoening van de zaak. De rechtbank oordeelde dat de verdachte vrijwillig had ingestemd met deze afspraken en dat hij zich bewust was van de rechtsgevolgen. De rechtbank verklaarde de verdachte wettig en overtuigend bewezen schuldig aan de ten laste gelegde feiten, waaronder het opzettelijk verkopen van cocaïne en het witwassen van grote geldbedragen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 40 maanden op, met aftrek van voorarrest, en oordeelde dat de straf in redelijke verhouding stond tot de ernst van de feiten. De uitspraak benadrukte de ontwrichtende invloed van de drugshandel op de samenleving en de noodzaak van een stevige straf.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/057738-23
Datum uitspraak: 21 januari 2026
Tegenspraak
Verkort vonnis
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres], [postcode] [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 7 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.A. van der Leeuw en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. Y. Bouchikhi naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juni 2020 tot en met 7 maart 2021 te Delft, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juni 2020 tot en met 7 maart 2021 te Delft, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (telkens) een hoeveelheid
van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt over het afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne (onder meer met Sky-gebruikers [gebruikersnaam 1] en/of [gebruikersnaam 2] en/of [gebruikersnaam 3] en/of [gebruikersnaam 4]);
3
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 juni 2020 tot en met 13 maart 2023 te Delft en/of Maassluis, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) (van) een of meerdere voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedragen van in totaal ongeveer 2.335.000 euro, althans een of meerdere grote geldbedragen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

3.Procesafspraken

3.1
Aard van de zaak
Deze strafzaak kenmerkt zich doordat de officier van justitie en de verdediging zogeheten ‘procesafspraken’ hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst die op 3 november 2025 door de officier van justitie en door de raadsman is ondertekend. [1] De officier van justitie heeft de procesafspraken voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling aan de rechtbank toegestuurd. In de overeenkomst doen de officier van justitie en de verdediging aan de rechtbank een gezamenlijk voorstel voor de wijze van afdoening van de strafzaak.
Samengevat houdt dit afdoeningsvoorstel het volgende in:
- de verdachte ziet af van het indienen van onderzoekswensen;
- de verdachte hoeft in het kader van de afspraken geen nadere verklaring af te leggen.
- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting rekwireren tot een bewezenverklaring van:
o feit 1: aanwezig hebben/verkopen van (in ieder geval 60 kilo) cocaïne in de periode van 16 juni 2020 tot en met 10 januari 2021 te Delft, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen;
o feit 2: voorbereidingshandelingen van invoer van (een deel van) 30 kilo cocaïne via België naar Nederland en handel in cocaïne in de periode van 22 juli 2020 tot en met 7 maart 2021 te Delft, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen;
o feit 3: witwassen van ruim € 2.000.000 in de periode van 25 juni 2020 tot en met 13 maart 2023 te Delft, in elk geval in Nederland;
- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting voor die bewezenverklaring een
een gevangenisstraf van 40 maanden vorderen;
- door de verdediging worden geen verweren gevoerd;
- de verdachte zal verschijnen op de terechtzitting;
- de verdachte zal zich op 5 november 2025 om 10 uur melden bij de politie aan het
hoofdbureau aan de Burgemeester Patijnlaan 35 in Den Haag;
- bij de voorgeleiding bij de rechter-commissaris zal het Openbaar Ministerie instemmen met een schorsing van de voorlopige hechtenis tot aan de einduitspraak en indien de rechter-commissaris niet overgaat tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal het Openbaar Ministerie geen vordering gevangenhouding indienen;
- de verdachte zal zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de straf;
- door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld, indien
de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de
verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;
- de verdachte doet afstand van het beslag;
- het Openbaar Ministerie zal geen vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel indienen;
- het Openbaar Ministerie zal geen andere zaak jegens de verdachte beginnen op basis van de datasets van de Sky-ID's [gebruikersnaam 5] en [gebruikersnaam 6] voor wat betreft witwasdelicten en
drugsdelicten, waaronder ook inbegrepen artikel 11b Opiumwet en artikel 140 Wetboek
van Strafrecht (daar waar het drugsdelicten betreft). Vervolging blijft wel mogelijk bij
andersoortige delicten zoals gewelds- of andere slachtofferdelicten.
In de overeenkomst is verder een voorwaardelijk verzoek opgenomen van de verdediging en het Openbaar Ministerie tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting, indien de
rechtbank de procesafspraken zou afwijzen in de volgende gevallen:
- indien de rechtbank tot een andere bewezenverklaring zou komen, maar uitsluitend voor zover hierdoor de aard van het delict wezenlijk verandert;
- indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de overeengekomen straf niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak.
3.2
Toetsingskader
Bij de beoordeling van deze zaak zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252. Deze komen op het volgende neer.
Hoewel een wettelijke regeling van procesafspraken op dit moment ontbreekt, verzet het stelsel van strafvordering zich er niet tegen dat de officier van justitie en de verdediging een gezamenlijk standpunt innemen over de beoogde afdoening van een strafzaak. De totstandkoming van procesafspraken doet echter geen afbreuk aan de zelfstandige positie van de rechtbank. De rechtbank behoudt haar eigen verantwoordelijkheid dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regeling – in het bijzonder de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – en de eisen van een eerlijk proces.
Op grond van de artikelen 348 en 350 Sv beslist de rechtbank op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de in die bepalingen genoemde vraagpunten. Aan de verplichting die op de rechtbank rust om te beslissen op de in de artikelen 348 en 350 Sv genoemde vraagpunten, wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat een afdoeningsvoorstel wordt gedaan. Wel moet de rechtbank dat voorstel betrekken bij de beantwoording van de genoemde vraagpunten, maar zij is niet verplicht om overeenkomstig het voorstel te beslissen.
Waar het gaat om de beantwoording van de eerste vraag van artikel 350 Sv brengt de eigen zelfstandige verantwoordelijkheid van de rechtbank met zich dat zij zelf – ongeacht wat het afdoeningsvoorstel daarover inhoudt – dient na te gaan of zij de aan de verdachte ten laste gelegde feiten bewezen acht. Artikel 338 Sv dwingt de rechtbank ertoe het bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan slechts aan te nemen, indien zij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.
Waar het gaat om de beantwoording van de vierde vraag van artikel 350 Sv heeft de rechtbank een eigen zelfstandige verantwoordelijkheid om te komen tot een strafoplegging die zij passend en geboden acht. De rechtbank heeft hierbij een grote vrijheid, zowel in de keuze van de op te leggen straf als de waardering van de factoren die zij daarbij betrekt. Het afdoeningsvoorstel is een relevante factor die de rechtbank moet betrekken bij de keuze van de op te leggen straf. Indien de rechtbank van oordeel is dat wat het afdoeningsvoorstel over de strafoplegging inhoudt, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting, ligt het in de rede dat zij die straf als passend en geboden oplegt.
Om betekenis toe te kunnen kennen aan het afdoeningsvoorstel, moet de rechtbank kunnen garanderen dat jegens de verdachte wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces. In het bijzonder betekent dit dat de rechtbank moet onderzoeken of de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Dit onderzoek vindt plaats op de terechtzitting.
3.3
De toetsing in onderhavige zaak
Om de hiervoor genoemde beoordeling te kunnen verrichten, heeft de rechtbank de
strafzaak inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 januari 2026. Na de voordracht van de zaak door de officier van justitie heeft de rechtbank de verdachte bevraagd over het afdoeningsvoorstel. De verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij weet wat het afdoeningsvoorstel inhoudt, dat hij begrijpt dat hij bepaalde hem toekomende rechten niet uitoefent en wat de gevolgen daarvan voor hem kunnen zijn. De verdachte is daarnaast vrijwillig tot de beslissing is gekomen om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel. Concreet heeft de verdachte in dit kader verklaard dat hij de inhoud van het afdoeningsvoorstel heeft doorgelezen en dat hij achter de in dit voorstel gemaakte afspraken staat. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens stelt.
De rechtbank heeft de verdachte op de voet van artikel 286 Sv ondervraagd over de hem ten laste gelegde feiten. Overeenkomstig artikel 301 Sv heeft de rechtbank de korte inhoud meegedeeld van de processtukken die zij relevant acht voor de door haar te nemen beslissingen. Dat is gedaan enerzijds om de verdachte in de gelegenheid te stellen daarop te reageren, anderzijds met het oog op de externe openbaarheid.
Vervolgens heeft de officier van justitie gerekwireerd overeenkomstig het afdoeningsvoorstel. De raadsman heeft het woord gevoerd namens de verdediging, waarbij hij de rechtbank heeft verzocht het afdoeningsvoorstel te volgen. Aan de verdachte is het recht gelaten om het laatst te spreken. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
In het hierna volgende zal de rechtbank de relevante vraagpunten uit artikel 350 Sv
beantwoorden.

4.De bewijsbeslissing

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – overeenkomstig de procesafspraken – gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Door de raadsman is – overeenkomstig de procesafspraken – namens de verdachte ten aanzien van de bewijsbeslissing geen verweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij in de periode van 16 juni 2020 tot en met 7 maart 2021 te Delft, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en vervoerd en aanwezig heeft gehad (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij in de periode van 16 juni 2020 tot en met 7 maart 2021 te Delft, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en afleveren en verstrekken en vervoeren van (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, zich en anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte en zijn mededaders contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt over het afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne (onder meer met Sky-gebruikers [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2] en [gebruikersnaam 3] en [gebruikersnaam 4]);
3
hij in de periode van 25 juni 2020 tot en met 13 maart 2023 te Delft, in ieder geval in Nederland, voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal ongeveer 2.335.000 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7.De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
De officier van justitie heeft toegelicht dat zij zonder de procesafspraken een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden passend en geboden zou achten. In het kader van de procesafspraken is een strafkorting aangeboden van één derde van deze straf, gelet op de tijdswinst, de ontlasting van de strafrechtsketen en de welwillende houding van de verdachte bij het maken van de procesafspraken.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
Door de raadsman is – overeenkomstig de procesafspraken – geen verweer gevoerd.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met anderen gedurende een periode van ruim een half jaar schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben en verkopen van grote hoeveelheden cocaïne, aan voorbereidingshandelingen hiertoe en aan voorbereidingshandelingen van invoer van cocaïne via België naar Nederland.
De grootschalige handel in harddrugs heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Er gaan in deze handel grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt (extreem) geweld regelmatig niet geschuwd. Vrijwel alle liquidaties die in het criminele circuit worden gepleegd, zijn direct of indirect het gevolg van conflicten in de onderwereld met betrekking tot drugshandel. Verder geldt dat een aanzienlijk deel van vermogensdelicten zoals winkeldiefstallen en woninginbraken terug is te leiden naar de behoefte aan drugs bij verslaafde gebruikers.
De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer, faciliteert de onderliggende criminaliteit en levert een aantasting op van de legale economie.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 november 2025. Hieruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder soortgelijke strafbare feiten, maar dat hij niet eerder is veroordeeld tot een gevangenisstraf.
Procesafspraken
De rechtbank heeft acht geslagen op het afdoeningsvoorstel en de inhoud daarvan met betrekking tot de strafoplegging.
De rechtbank merkt op dat de officier van justitie en de verdediging, op initiatief van de verdediging, in een vroeg stadium in gesprek zijn gegaan over procesafspraken. De rechtbank is van oordeel dat dit heeft geleid tot een voortvarende strafrechtelijke behandeling in eerste aanleg. Verder is veel voordeel behaald door het ontlasten van onderzoeks- en zittingscapaciteit van politie en justitie alsook in het voorkomen van een eventuele behandeling van de zaak in hoger beroep en cassatie. De rechtbank is zich ervan bewust dat de afspraak om geen hoger beroep in te stellen niet als rechtsgeldige afstand van dat rechtsmiddel geldt. Mocht toch hoger beroep worden ingesteld, dan is die afspraak echter wel relevant bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van dat hoger beroep. Uit de omstandigheid dat in eerste aanleg vonnis is gewezen overeenkomstig het afdoeningsvoorstel zal in de regel voortvloeien dat het belang ontbreekt bij een behandeling van de zaak in hoger beroep. Een volledige behandeling in hoger beroep lijkt daarmee onwaarschijnlijk. Het voorstel dient niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling, maar ook een effectieve afdoening van de zaak, omdat de zaak sneller onherroepelijk wordt en de straf sneller wordt geëxecuteerd. De procesafspraken dragen dus aanzienlijk bij aan een efficiëntere rechtsgang. Dat de verdachte heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de procesafspraken, weegt de rechtbank daarom mee in zijn voordeel.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, bezien in het licht van al hetgeen hiervoor is overwogen, niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt.
De door procespartijen overeengekomen straf staat naar het oordeel van de rechtbank in redelijke verhouding tot de ernst van de feiten en dient in voldoende mate de met bestraffing te dienen doelen van vergelding, normbevestiging en voorkoming van recidive. De rechtbank zal dan ook de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek van het voorarrest, aan de verdachte opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
witwassen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
40 (veertig) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.W. Duijnstee, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. I.C. Kranenburg, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 januari 2026.
Bijlage I
Procesafspraken

Voetnoten

1.De overeenkomst is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.