ECLI:NL:RBDHA:2026:805

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL25.56830
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b Vw 2000Art. 31 Vw 2000Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Venezuela wegens ongeloofwaardigheid politieke vervolging en geen gegronde vrees

Eiser, een Venezolaan die deelnam aan protesten tegen de regering Maduro en beweert beschoten te zijn, vroeg asiel aan in Nederland. Hij vreesde vervolging vanwege zijn politieke activiteiten en biseksualiteit. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende bewijs leverde en zijn verklaringen inconsistent waren.

De rechtbank behandelde het beroep zonder aanwezigheid van eiser en concludeerde dat de minister terecht het tweede asielmotief (politieke vervolging) ongeloofwaardig vond vanwege het ontbreken van documenten en tegenstrijdigheden in het relaas. De biseksualiteit van eiser werd niet als vluchtmotief beoordeeld, wat volgens de rechtbank rechtmatig was.

Verder oordeelde de rechtbank dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Venezuela, mede op basis van het Algemeen Ambtsbericht Venezuela 2020. De rechtbank verwierp ook het beroep op het arrest Adrar en vond dat het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod rechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56830

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Dam).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 17 november 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld en zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Asielrelaas
2. Eiser heeft de Venezolaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1991. Eiser heeft verklaard dat hij deel heeft genomen aan de protesten tegen de regering van Maduro. Tijdens deze protesten is hij beschoten. Verder heeft eiser naar voren gebracht dat twee politieagenten hem wilden meenemen, maar dat buren hen hebben weggejaagd. Eiser vreest bij een terugkeer naar Venezuela vermoord te worden door de regering van Maduro. Ook heeft eiser verklaard dat hij biseksueel is, maar dat dit niet de directe reden is geweest dat hij zijn land heeft verlaten.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (ook wel het eerste asielmotief);
De problemen vanwege politieke activiteiten (ook wel het tweede asielmotief);
Eisers biseksualiteit (ook wel het derde asielmotief).
3.1.
Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Verweerder vindt het tweede asielmotief ongeloofwaardig, omdat eiser onvoldoende documenten heeft gegeven en daar geen goede verklaring voor heeft, de verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, de asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk is ingediend
en eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. [2] Verweerder volgt wel dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar stelt zich op het standpunt dat van hem bij een terugkeer naar Venezuela terughoudendheid verwacht mag worden in het uiten van zijn overtuiging, omdat hij zich tot op heden ook terughoudend heeft geuit. Verder is het derde asielmotief niet op geloofwaardigheid getoetst, nu het niet kan leiden tot vluchtelingenschap. Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Venezuela geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. [3]
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst vindt eiser dat hij concreet heeft verklaard over het tweede asielmotief. Verweerder heeft niet onderbouwd waarom eisers verklaringen vaag, summier en inconsistent zijn. Uit een uitspraak van deze rechtbank van 24 oktober 2025 volgt dat verweerder hier wel toe verplicht is. [4] Verder heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser geen documenten heeft overgelegd en heeft verzwegen dat hij vier jaar in Spanje heeft verbleven. Verweerder heeft daarbij geen rekening gehouden met eisers psychische problematiek, terwijl dit invloed heeft op zijn geheugen, tijdsordening en detaillering. Daarnaast heeft eiser zijn biseksualiteit miskend als beschermingsmotief. Voorts voert eiser aan dat verweerder het arrest Adrar [5] niet heeft toegepast. Verweerder heeft namelijk geen volledige, individuele en actuele beoordeling gemaakt van de risico’s die eiser loopt bij terugkeer. Bovendien bevat het terugkeerbesluit geen individuele risicoanalyse en is het inreisverbod opgelegd zonder proportionaliteitsafweging.
.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Mocht verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig vinden?
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig kunnen vinden. Hiervoor is het volgende van belang.
6.1.
Verweerder heeft voorop mogen stellen dat eiser onvoldoende documenten heeft gegeven en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij onder andere documenten kan overleggen van de bedreigingen [6] die hij heeft ontvangen en de politieposters [7] waarop staat vermeld dat hij wordt gezocht. Ook heeft hij verklaard dat hij documenten heeft van het ziekenhuis waaruit zou blijken dat hij behandeld is aan schotwonden. [8] Eiser heeft deze documenten echter niet overlegd. Verweerder kan dit hem aanrekenen, nu hij ruim de tijd heeft gehad om aan deze documenten te komen. Eisers betoog dat niet van hem verwacht kan worden dat hij deze documenten overlegt, omdat ziekenhuizen geen medische rapporten afgeven wanneer iemand door staatsgeweld gewond is geraakt en officiële documenten eenvoudig verdwijnen of worden vernietigd wanneer zij ongemakkelijk zijn voor de staat, slaagt niet. Eiser heeft immers zelf verklaard dat hij aan deze documenten kan komen, maar dat het enkel lastig is vanuit vreemdelingenbewaring. [9]
6.2.
Verweerder heeft daarnaast van belang mogen achten dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder heeft namelijk kunnen vinden dat eiser op verschillende punten vage, summiere en wisselende verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft verweerder het als vaag mogen bestempelen dat de politie bij eiser thuis kwam, maar wegrende toen buurtbewoners begonnen te schreeuwen. Ook heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser er geen concrete aanwijzingen voor heeft dat de politie bij hem thuis langskwam vanwege zijn deelname aan demonstraties. Eiser baseert dit enkel op aannames. Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser wisselend heeft verklaard over de beschieting. Zo heeft hij enerzijds verklaard dat de beschieting niet persoonlijk op hem gericht was [10] , en anderzijds dat het wel voor hem bedoeld was. [11] Eisers betoog dat hij wel concreet heeft verklaard en dat verweerder niet heeft onderbouwd waarom zijn verklaringen vaag, summier en inconsistent zijn, slaagt gelet op het voorgaande niet. Het beroep van eiser op de uitspraak van deze rechtbank van 24 oktober 2025 [12] treft daarom geen doel. Dat verweerder volgens eiser geen rekening heeft gehouden met zijn psychische problematiek, terwijl dit invloed heeft op zijn geheugen, tijdsordening en detaillering, volgt de rechtbank ook niet. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd dat hij vanwege psychische klachten niet adequaat heeft kunnen verklaren over zijn asielrelaas.
6.3.
Verder heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn verblijf in Spanje, legaal Venezuela is uitgereisd en zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daar geen goede verklaring voor heeft. Eisers stelling dat hij nooit iets heeft verzwegen over zijn tijd in Spanje en moeite heeft met het nauwkeurig herinneren van bepaalde tijdstippen door stress, trauma en psychische druk, leidt zonder nadere onderbouwing niet tot een ander oordeel. Tot slot heeft verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Hij is namelijk tijdens zijn asielprocedure met onbekende bestemming vertrokken en heeft daar geen verschoonbare verklaring voor.
Moest verweerder de biseksuele geaardheid van eiser op geloofwaardigheid beoordelen?
7. Eisers betoog dat zijn biseksualiteit is miskend als beschermingsmotief, volgt de rechtbank niet. De rechtbank leest deze beroepsgrond zo dat eiser zich er niet in kan vinden dat verweerder het derde asielmotief op zwaarwegendheid heeft beoordeeld en de geloofwaardigheid in het midden heeft gelaten. De rechtbank wijst in dit kader op een uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 17 augustus 2022 waaruit volgt dat deze werkwijze niet in strijd is met een wettelijke bepaling of nationale en Unierechtelijke standaarden, zolang verweerder enkele (procedurele) waarborgen in acht houdt. [13] Niet is gebleken dat eiser door het hanteren van deze werkwijze is benadeeld of in zijn belangen is geschaad, of dat verweerder de in de uitspraak genoemde waarborgen niet in acht zou hebben genomen.
Mocht verweerder vinden dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft?
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging bij een terugkeer naar Venezuela. Zo heeft verweerder er op kunnen wijzen dat uit het Algemeen Ambtsbericht Venezuela 2020 blijkt dat er in Venezuela geen wettelijk verbod is op relaties tussen personen van hetzelfde geslacht en dat er geen actief vervolgingsbeleid is. Hoewel de LHBTI-gemeenschap in Venezuela te maken krijgt met discriminatie, is het aantal geweldsdelicten laag. [14] Eiser heeft verklaard dat hij vanwege zijn geaardheid is beledigd, uitgescholden en wel eens een duwtje heeft gekregen. [15] Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat dit onvoldoende is om te spreken van vluchtelingenschap. Eisers stelling dat verweerder actuele bronnen had moeten betrekken bij zijn beoordeling van de vrees, slaagt niet nu eiser niet heeft geconcretiseerd wat maakt dat niet langer van de informatie uit het ambtsbericht kan worden uitgegaan. Dat verweerder geen volledige, individuele en actuele beoordeling heeft gemaakt van de risico’s die eiser loopt bij terugkeer, volgt de rechtbank gelet op voorgaande niet.
8.1.
Eisers betoog dat verweerder het arrest Adrar niet heeft toegepast, slaagt evenmin. In dit arrest is namelijk geoordeeld dat de nationale rechter, die de rechtmatigheid moet toetsen van de inbewaringstelling van een vreemdeling met het oog op diens verwijdering ter uitvoering van een definitief terugkeerbesluit, ook verplicht is om na te gaan of het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen die verwijdering. De rechtbank ziet niet in hoe dit van toepassing is op onderhavige zaak.
8.2.
Verweerder heeft zich tot slot op het standpunt mogen stellen dat van eiser bij een terugkeer naar Venezuela terughoudendheid verwacht mag worden in het uiten van zijn politieke overtuiging, nu hij zich tot op heden ook terughoudend heeft geuit. Verweerder heeft daarbij relevant kunnen vinden dat eiser nooit problemen heeft ondervonden vanwege zijn politieke overtuiging en geen prominente positie in de politieke ruimte had. Ook heeft eiser zich in Nederland niet op politiek vlak geuit en verklaart hij summier over wat zijn politieke overtuiging inhoudt.
Mocht verweerder een terugkeerbesluit en inreisverbod opleggen?
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers asielaanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond, nu eiser zich niet onverwijld heeft gemeld en daar geen goede reden voor heeft opgegeven. Verweerder heeft daarom een terugkeerbesluit mogen opleggen met een onmiddellijke vertrekplicht [16] en een inreisverbod voor de duur van twee jaar [17] mogen uitvaardigen. Dat het terugkeerbesluit geen individuele risicoanalyse bevat, volgt de rechtbank niet. In het bestreden besluit heeft verweerder namelijk deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij een terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Eisers betoog dat het inreisverbod is opgelegd zonder proportionaliteitsafweging, slaagt evenmin. Eiser heeft namelijk geen persoonlijke feiten of omstandigheden naar voren gebracht die verweerder had moeten meenemen in een proportionaliteitstoets.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Het beroep is ongegrond.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c, d en e, van de Vw 2000.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Uitspraak van rechtbank Den Haag van 24 oktober 2025, NL25.49093 en NL25.49094 (niet gepubliceerd).
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar).
6.Nader gehoor van 10 november 2025, p. 19.
7.Nader gehoor van 10 november 2025, p. 7 en 21.
8.Nader gehoor van 10 november 2025, p. 16.
9.Nader gehoor van 10 november 2025, p. 6, 15 en 16.
10.Nader gehoor van 10 november 2025, p. 9.
11.Nader gehoor van 10 november 2025, p. 16.
12.Uitspraak van rechtbank Den Haag van 24 oktober 2025, NL25.49093 en NL25.49094 (niet gepubliceerd).
13.Uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 10-10.5.
14.Algemeen Ambtsbericht voor Venezuela van 11 juni 2020, p. 46 en 47.
15.Nader gehoor van 10 november 2025, p. 21.
16.Artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
17.Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.