ECLI:NL:RBDHA:2026:8069

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
NL26.5121
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag verblijfsvergunning asiel

Eiser diende op 11 februari 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam op 1 juli 2025 een besluit, dat op 27 januari 2026 werd ingetrokken. Daarna nam de minister geen nieuw besluit, waarna eiser op 29 januari 2026 beroep instelde wegens overschrijding van de beslistermijn.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat eiser de minister eerder in gebreke had gesteld en het niet redelijk is dat hij dit opnieuw moet doen na intrekking van het eerdere besluit. De beslistermijn van zes maanden is verstreken zonder nieuw besluit, waardoor het beroep gegrond is.

De rechtbank legt de minister een termijn van twee weken op om alsnog een besluit te nemen en verbindt daaraan een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €467 wegens inschakeling van juridische hulp.

De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober op 27 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een termijn van twee weken op om alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.5121
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.J. Paffen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Eiser heeft op 11 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor een bepaalde tijd (de aanvraag). Op 1 juli 2025 heeft de minister een besluit genomen op de aanvraag. Dit besluit heeft de minister op 27 januari 2026 ingetrokken. De minister heeft nog geen nieuw besluit genomen op de aanvraag.
Eiser heeft vervolgens op 29 januari 2026 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Hij stelt dat de minister niet op tijd een nieuwe beslissing heeft genomen op de aanvraag.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
3. Eiser heeft de minister eerder al in gebreke gesteld. Omdat de minister het besluit van 1 juli 2025 heeft ingetrokken, is het niet redelijk om van eiser te verwachten dat hij de minister opnieuw in gebreke stelt. Het beroep van eiser dus ontvankelijk. De rechtbank stelt verder vast dat de beslistermijn van zes maanden is verstreken en dat de minister nog geen nieuw besluit op de aanvraag heeft genomen. Het beroep is kennelijk gegrond.
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.3 In deze zaak is dit aan de orde.
5. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.4 Dat de beslistermijn van 21 maanden waarbinnen de behandelingsprocedure dient te worden afgerond in dit geval is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser wel is gehoord omtrent zijn asielmotieven en de minister, sinds de intrekking van het besluit op 27 januari 2026, nog geen vervolgactie heeft ondernomen. Gelet op één en ander, bepaalt de rechtbank dat de minister binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.

Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?

6. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.5 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen zes weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
3 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
5 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 maart 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.