ECLI:NL:RBDHA:2026:8080

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
NL26.1505
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor gecombineerde vergunning verblijf en arbeid

Verzoeker heeft op 30 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om als kok te werken bij een Aziatisch restaurant. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag bij besluit van 29 december 2025 afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en diende tevens een verzoek om een voorlopige voorziening in, waarmee hij gedurende de bezwaarperiode wilde blijven werken.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 25 maart 2026, waarbij verweerder aangaf zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. Partijen waren niet aanwezig bij de zitting. De voorzieningenrechter besloot het verzoek toe te wijzen, zodat verzoeker mag werken en verblijven totdat op het bezwaar is beslist.

Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,-, en het griffierecht van € 200,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, verzoeker mag werken en verblijven totdat op bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1505

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Hij heeft op 30 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om als kok werkzaamheden te verrichten bij een Aziatisch restaurant (referent). Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 29 december 2025 afgewezen.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft ook dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarin hij de rechtbank verzoekt verweerder te gebieden dat verzoeker gedurende de bezwaarperiode mag werken bij referent.
1.2.
Bij brief van 24 maart 2026 heeft verweerder aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de verzochte voorlopige voorziening.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op
25 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Nu verweerder heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. Dat betekent dat verweerder verzoeker moet toestaan te werken zolang nog niet op het bezwaar is beslist.
3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
4. Ook bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 200,- moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder verzoeker aldus dient te behandelen dat hij mag werken bij referent en in Nederland mag verblijven totdat op het bezwaar is beslist;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.