Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8081

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
NL26.9640
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor gecombineerde vergunning verblijf en arbeid als kok

Verzoeker heeft op 27 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om als kok te werken bij een Aziatisch restaurant. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag bij besluit van 16 februari 2026 afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening om gedurende de bezwaarperiode te mogen werken.

Verweerder heeft bij brief van 27 maart 2026 aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. Beide partijen vonden een zitting niet nodig, waarna de voorzieningenrechter het onderzoek sloot en zonder zitting uitspraak deed.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, waardoor verweerder verzoeker moet toestaan te werken en te verblijven in Nederland totdat op het bezwaar is beslist. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,- en het griffierecht van € 200,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, verzoeker mag werken en verblijven totdat op bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9640

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Hij heeft op 27 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om als kok werkzaamheden te verrichten bij een Aziatisch restaurant (referent). Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 16 februari 2026 afgewezen.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft ook dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarin hij de rechtbank verzoekt verweerder te gebieden dat verzoeker gedurende de bezwaarperiode mag werken bij referent.
1.2.
Bij brief van 27 maart 2026 heeft verweerder aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de verzochte voorlopige voorziening.
1.3.
Beide partijen hebben vervolgens aangegeven dat zij een zitting niet nodig vinden. De voorzieningenrechter heeft daarom het onderzoek gesloten en doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Nu verweerder heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. Dat betekent dat verweerder verzoeker moet toestaan te werken zolang nog niet op het bezwaar is beslist.
3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
4. Ook bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 200,- moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder verzoeker aldus dient te behandelen dat hij mag werken bij referent en in Nederland mag verblijven totdat op het bezwaar is beslist;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:57 van Pro de Awb.