Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8084

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
NL25.47391
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken feitelijke gezinsband

Eiseres, een Syrische vrouw, heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf om bij haar echtgenoot in Nederland te verblijven. Deze aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen omdat er geen sprake is van een feitelijke gezinsband, ondanks het huwelijk. Eerder afgewezen aanvragen en bezwaarprocedures bevestigden dit standpunt.

De rechtbank oordeelt dat verweerder de nieuwe feiten en omstandigheden, waaronder WhatsApp-berichten, geldtransacties en een vliegticketreservering, voldoende heeft meegewogen. Deze stukken zijn echter onvoldoende om een doorlopend en intensief contact aan te tonen dat past bij een feitelijke gezinsband, zeker gezien het langdurige huwelijk van negen jaar. Ook het argument dat het gezinsleven voortgezet wordt door de aanvraag zelf, wordt verworpen.

Verder is vastgesteld dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden, omdat de nieuwe bewijsstukken pas in de beroepsfase zijn ingediend en er in de bezwaarfase geen aanleiding was tot een hoorzitting. Omdat er geen gezinsleven is, was een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro niet vereist. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de aanvraag.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een feitelijke gezinsband.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47391

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], [v-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. H. Yousef),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Beyik).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor het afgeven van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid.’
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 september 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, referent, A. Toma als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Syrische nationaliteit. Zij heeft op 26 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een mvv omdat zij wil verblijven bij haar echtgenoot, [referent], die in Nederland woont.
3. Voor eiseres is eerder op 4 november 2020 een aanvraag gedaan in het kader van de nareis. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat er geen sprake is van een feitelijke gezinsband. Dit besluit is in rechte vast komen te staan nadat het beroep en het hoger beroep van eiseres ongegrond zijn verklaard. [1] Op 14 december 2022 heeft referent een mvv aangevraagd voor eiseres met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid.’ Die aanvraag heeft verweerder op 13 april 2023 afgewezen. Tegen dat besluit is geen bezwaar of beroep ingesteld.
4. Verweerder heeft de huidige aanvraag afgewezen omdat er, ondanks dat eiseres en referent zijn getrouwd, tussen hen geen feitelijke gezinsband bestaat. De schermafbeeldingen van (pogingen tot) oproepen en berichten via whatsapp, twee geldoverschrijvingen, en een reserveringsbevestiging van een vliegticket naar [plaats] zijn niet genoeg om de feitelijke gezinsband te onderbouwen. Omdat er geen familie- en gezinsleven wordt aangenomen in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [2] , heeft verweerder in het bestreden besluit geen belangenafweging gemaakt. Verweerder heeft ook geen aanleiding gezien om af te wijken van zijn beleid op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. De feitelijke gezinsband is wel voldoende onderbouwd. Verweerder verwijst ten onrechte naar de afwijzingen in de eerdere procedures, nu in deze procedure een nieuwe beoordeling van de huidige feiten en omstandigheden gemaakt moet worden. Verweerder heeft onvoldoende uitgelegd waarom de overgelegde bewijsstukken niet volstaan. Daarnaast hanteert verweerder een te nauwe interpretatie van het begrip ‘gezinsleven’ door alleen gezinsleven aan te nemen als de partners samenwonen. Omdat er wel gezinsleven bestaat, moest verweerder een belangenafweging maken. Daarnaast heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden en niet gemotiveerd waarom artikel 4:84 van Pro de Awb niet wordt toegepast. In beroep heeft eiseres foto’s overgelegd van eiseres en referent op vakantie in [plaats] in augustus 2025 en een verklaring van de maatschappelijk begeleider van referent.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
7. De rechtbank is het met eiseres eens dat verweerder in deze aanvraagprocedure nieuw aangevoerde feiten en omstandigheden moest meewegen, maar is van oordeel dat verweerder dit voldoende heeft gedaan. Verweerder heeft niet enkel verwezen naar de eerdere procedures van eiseres, maar ook de nieuwe stukken van eiseres meegenomen. Verweerder mocht zich daarover op het standpunt stellen dat er niet uit volgt dat er tussen eiseres en referent sprake is van een feitelijke gezinsband. De rechtbank volgt verweerder dat de overgelegde schermafbeeldingen onvoldoende zijn, omdat er niet uit volgt dat eiseres en referent doorlopend of intensief contact hebben, terwijl dat wel verwacht mag worden omdat zij al negen jaar getrouwd zijn. Ook van een huwelijk op afstand mag verweerder verwachten dat er op emotioneel vlak invulling aan wordt gegeven. De stelling van eiseres dat het op afstand alleen mogelijk is om financiële ondersteuning te bieden, hoefde verweerder niet te volgen. Dat referent tweemaal via zijn familie geld heeft overgemaakt aan eiseres leidt daarnaast niet tot de conclusie dat er sprake is van doorlopende financiële steun. Anders dan eiseres heeft betoogd, heeft verweerder zijn besluit niet gebaseerd op het uitgangspunt dat enkel een feitelijke gezinsband kan bestaan tussen partners die samenwonen. Verweerder heeft immers juist beoordeeld of gezinsleven bestaat ondanks dat eiseres en referent niet samenwonen. Ook het betoog dat uit het gegeven dat referent deze nieuwe aanvraag voor eiseres heeft gedaan, volgt dat zij de intentie hebben om het gezinsleven voort te zetten, maakt niet dat er sprake is van een feitelijke gezinsband.
8. Het betoog van eiseres dat verweerder haar of referent moest horen over de vakantie in [plaats], slaagt niet. Over de reserveringsbevestiging die in bezwaar is overgelegd mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat er niet uit volgt dat er enig contact is tussen eiseres en referent, nu de bevestiging alleen op referent ziet. Ook is niet gebleken dat eiseres in de bezwaarfase aan verweerder heeft gecommuniceerd dat zij bezig was met het verzamelen van foto’s van de reis. De foto’s zijn uiteindelijk pas in de beroepsfase op 13 maart 2026, dus ruim nadat de vakantie zou hebben plaatsgevonden, overgelegd. Ook de verklaring van de maatschappelijk begeleider van referent is pas in de beroepsfase naar voren gekomen, zodat deze geen aanleiding kon hebben gevormd om te horen. Verweerder mocht zich daarnaast op het standpunt stellen dat uit deze verklaring geen feitelijke informatie blijkt die niet al bekend was. Naar het oordeel van de rechtbank is niet is gebleken dat het voor eiseres niet mogelijk was om in de bezwaarfase nadere stukken over te leggen. Verweerder heeft er namelijk op mogen wijzen dat al in de eerdere procedures duidelijk was wat nog nodig was om de aanvraag te onderbouwen, omdat eiseres daar in de eerdere besluitvorming en herstelverzuimbrieven op is gewezen. Hoewel van het horen in bezwaar mag pas mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden, zijn er in de bezwaarfase geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen die aanknopingspunten gaven voor een gehoor. Verweerder mocht dus het bezwaar kennelijk ongegrond verklaren en afzien van het horen.
9. Nu er geen sprake is van gezinsleven tussen referent en eiseres, hoefde verweerder geen belangenafweging te maken in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder toepassing moest geven aan artikel 4:84 van Pro de Awb, nu er geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken die een reden zouden zijn om af te wijken van enig beleid.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
11. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van deze rechtbank van 1 augustus 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:12323) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2023.
2.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.