Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8086

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
NL26.2998 en NL26.2999
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Verdrag betreffende de status van vluchtelingenVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Libische nationaliteit wegens ongeloofwaardigheid en misleiding

Eiser, van Libische nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De afwijzing was gebaseerd op twijfels over de geloofwaardigheid van eisers identiteit, de gestelde bedreigingen vanwege het werk van zijn vader voor Khadaffi, en zijn seksuele gerichtheid. Daarnaast werd hem misleiding over zijn identiteit en het niet tijdig indienen van de aanvraag verweten.

Eiser voerde in beroep aan dat het dossier onvolledig was en dat zijn verklaringen samenhangend en gedetailleerd waren, waardoor hij het voordeel van de twijfel verdiende. De rechtbank oordeelde echter dat het dossier volledig was en dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom de asielmotieven ongeloofwaardig waren. De verklaringen van eiser waren vaag, wisselend en boden onvoldoende inzicht in zijn situatie.

De rechtbank concludeerde dat eiser niet in grote lijnen geloofwaardig was, mede vanwege eerdere vertrekmomenten met onbekende bestemming en het gebruik van verschillende namen en geboortedata. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.2998 en NL26.2999
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 8 december 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en M. Fayez als tolk. Namens verweerder is met voorafgaand bericht geen gemachtigde verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt van Libische nationaliteit te zijn en is geboren op [geboortedatum] 1999. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Allereerst vreest hij dat de vijanden van zijn vader hem zullen doden, omdat zijn vader voor Khadaffi heeft gewerkt. Daarnaast valt eiser op zowel mannen als vrouwen en is dat in Libië niet geaccepteerd. Eiser heeft ook medische problemen, namelijk epilepsie en een verwonding aan zijn been door een ongeluk.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
eisers problemen vanwege het werk van zijn vader; en
eisers problemen vanwege zijn seksuele gerichtheid.
4. Verweerder vindt de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Ook eisers problemen vanwege het werk van zijn vader en vanwege zijn seksuele gerichtheid, vindt verweerder niet geloofwaardig. Volgens verweerder heeft eiser wat betreft zijn identiteit en de gestelde bedreigingen door vijanden van zijn vader, onvoldoende documenten gegeven. [2] Over alledrie de asielmotieven vormen eisers verklaringen daarnaast geen samenhangend en aannemelijk geheel. [3] Eiser is daarnaast niet in grote lijnen geloofwaardig en heeft zijn asielaanvraag zonder goede reden niet zo snel mogelijk ingediend. [4] Eiser heeft daarom geen gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin [5] en hij loopt geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. [6] Verweerder wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit en niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst is het dossier onvolledig. Verweerder heeft bij het voornemen het dossier niet volledig aan eiser verstuurd en ook in de beroepsfase ontbreken in het dossier correcties en aanvullingen die zijn gedaan door een eerdere gemachtigde. Ook de inhoud van gemaakte correcties en aanvullingen is onvoldoende meegenomen in het besluit. Eiser heeft daarnaast wel voldoende samenhangend en gedetailleerd verklaard over zijn problemen, zodat verweerder hem het voordeel van de twijfel moet geven. [7]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
7. De rechtbank volgt eiser allereerst niet in zijn betoog dat het dossier onvolledig is. Uit het bestreden besluit blijkt weliswaar dat verweerder met het voornemen niet alle onderliggende stukken heeft meegezonden omdat hij ervan uitging dat de eerdere gemachtigde van eiser de stukken aan de nieuwe gemachtigde had overgedragen, maar dit heeft niet tot gevolg gehad dat eiser op relevante stukken niet heeft kunnen reageren. Het beroepsdossier bevat namelijk alle stukken waarnaar in het voornemen en het bestreden besluit is verwezen. In het dossier staan ook voor alle gehoren bij de IND correcties en aanvullingen – of de mededeling dat er geen correcties en aanvullingen zijn. In de zienswijze en de beroepsgronden is eiser ook op de verschillende gehoorverslagen gereageerd. Al met al is de rechtbank daarom niet duidelijk welke stukken in het dossier zouden ontbreken.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook voldoende gemotiveerd dat eisers asielmotieven ongeloofwaardig zijn. Wat betreft het werk van eisers vader, mocht verweerder van eiser verwachten dat hij de bedreigingen kon overleggen, waar hij over heeft verklaard. Daarnaast mocht verweerder concluderen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen nu hij vaag en wisselend heeft verklaard over het overlijden van zijn ouders en de bedreigingen die hij zou hebben ontvangen. Ook wat betreft de seksuele gerichtheid van eiser, mocht verweerder concluderen dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. Eiser heeft tijdens het nader en aanvullend gehoor namelijk geen inzicht gegeven in zijn gedachtes en gevoelens rondom zijn seksuele gerichtheid, over de reacties van zijn omgeving en over hoe het voor hem was dat zijn gerichtheid niet werd geaccepteerd. Ook heeft eiser vaag verklaard over de video die van hem is gemaakt en hoe deze heeft geleid tot bedreigingen enkele jaren later. Eiser heeft met zijn verklaringen niet voldaan aan de maatstaf die volgt uit de door eiser aangehaalde rechtspraak, zodat verweerder hem niet het voordeel van de twijfel hoefde te geven. Verweerder mocht ook vinden dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd omdat hij drie keer eerder met onbekende bestemming is vertrokken en bij verschillende aanvragen verschillende namen, nationaliteiten en geboortedata heeft opgegeven.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft de aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9.1.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9.2.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en h, van de Vw 2000.
2.Zie artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b van de Vw 2000.
3.Zie artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw 2000.
4.Zie artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d en e van de Vw 2000.
5.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 juni 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1499).