ECLI:NL:RBDHA:2026:8138
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning proceskostenvergoeding wegens vertraagde beslissing verblijfsvergunning
Verzoeker diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. Op 6 januari 2026 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De minister stemde in met het verzoek tot vergoeding. De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep en dat toekenning van proceskosten passend was. Gezien de lichte aard van de zaak en het inschakelen van een professionele hulpverlener, werd een wegingsfactor van 0,5 toegepast.
De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van €467,- aan proceskosten, inclusief het griffierecht. Er was geen noodzaak tot zitting, en de uitspraak werd in het openbaar gedaan op 6 maart 2026.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van €467,- aan proceskosten wegens vertraagde besluitvorming over de verblijfsvergunning.