Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8145

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/09/688836
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:44 BWArt. 3:194 BWArt. 3:196 BWArt. 6:228 BWArt. 1:94 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens vernietiging echtscheidingsconvenant en verzwegen vermogen

Eiseres en gedaagde waren van 1982 tot 2022 getrouwd in gemeenschap van goederen en maakten bij hun echtscheiding afspraken over de verdeling van hun vermogen in een convenant. Eiseres betoogde dat zij onvoldoende informatie had en dat gedaagde niet eerlijk was geweest, waardoor zij te weinig had ontvangen. Zij vorderde onder meer betaling wegens overbedeling van een loods, verzwegen banktegoeden en vernietiging van pensioenafspraken.

De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende feiten had gesteld om te bewijzen dat zij voor meer dan een kwart was benadeeld door de waardering van de loods, zoals vereist voor vernietiging wegens dwaling. Ook was er geen bewijs van misbruik van omstandigheden bij het sluiten van het convenant. Ten aanzien van de pensioenverdeling faalde het beroep op vernietiging wegens misbruik en dwaling, omdat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat gedaagde haar had misleid of dat zij niet op de hoogte was van de wettelijke regeling.

Verder kon eiseres niet aantonen dat gedaagde opzettelijk vermogen had verzwegen of zoekgemaakt, onder meer omdat een screenshot van een bankrekening niet toerekenbaar was aan gedaagde en contante opnames niet waren onderbouwd. De vorderingen tot inzage van bankafschriften werden afgewezen wegens gebrek aan belang en het risico van een fishing expedition.

De rechtbank veroordeelde eiseres in de proceskosten omdat zij onvoldoende feiten had gesteld om haar vorderingen te dragen. De vorderingen van gedaagde in reconventie werden niet inhoudelijk behandeld omdat de voorwaarde voor die vorderingen niet was vervuld. De proceskosten in reconventie werden gecompenseerd.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres af en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/688836 / HA ZA 25-644
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. I.P. Biemond,
tegen
[gedaagde]te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.C.A. Geerts.

1.Waar gaat deze zaak over?

[eiseres] en [gedaagde] waren van 1982 tot 2022 met elkaar getrouwd in gemeenschap van goederen. Zij zijn in 2022 uit elkaar gegaan en hebben toen afspraken gemaakt over de verdeling van hun vermogen. Die afspraken hebben zij opgenomen in een echtscheidingsconvenant. Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiseres] en [gedaagde] zijn gebonden aan die afspraken. [eiseres] vindt dat zij in 2022 onvoldoende informatie had, dat [gedaagde] niet eerlijk is geweest, dat [gedaagde] hierdoor te veel heeft gekregen en dat hij [eiseres] daarom nu alsnog nog geld moet betalen. De rechtbank is het daar niet mee eens en wijst de vorderingen van [eiseres] af. De rechtbank legt hieronder uit waarom.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 17 juli 2025, met producties 1 tot en met 7;
  • de conclusie van antwoord en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 3;
  • de conclusie van antwoord in reconventie met productie 8;
  • het bericht van [eiseres] van 7 januari 2026 met productie 9;
  • het bericht van [gedaagde] van 8 januari 2026 met productie 4.
2.2.
Op 19 januari 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting is besproken. Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op vandaag.
3. De feiten
3.1.
[eiseres] en [gedaagde] zijn op [dag 1] 1982 in gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd. Bij beschikking van [dag 2] 2022 heeft de rechtbank Overijssel de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Onderdeel van die beschikking is het tussen partijen overeengekomen en ondertekende echtscheidingsconvenant van 14 december 2022 (hierna: het “convenant”).
3.2.
In het convenant hebben partijen onder meer afspraken gemaakt over de echtscheidingsprocedure, de partneralimentatie, de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen en de verdeling van de pensioenaanspraken. De peildatum voor de samenstelling en waardering van de huwelijksgoederengemeenschap is de datum van ondertekening van het convenant.
3.3.
Tot het gemeenschappelijk vermogen behoorden onder meer de saldi van een aantal bankrekeningen, een loods in Zierikzee (hierna: de “loods”) en een chalet in Burgh Haamstede (hierna: het “chalet”). In het convenant zijn partijen overeengekomen dat de loods aan [gedaagde] werd toebedeeld en het chalet aan [eiseres] . In artikel 4.1 tweede bullet van het convenant (hierna: “artikel 4.1-2”) is de waarde van de loods bepaald op € 68.000,00.
3.4.
In artikel 9 van Pro het convenant (hierna: “artikel 9”) zijn partijen een verdeling van de pensioenaanspraken overeengekomen. Dit artikel bepaalt dat het ouderdomspensioen dat [gedaagde] tijdens het huwelijk heeft opgebouwd voor 75% toekomt aan [gedaagde] en voor 25% aan [eiseres] , dat [gedaagde] afstand doet van zijn aanspraak op het door [eiseres] opgebouwde ouderdomspensioen en dat partijen geen aanspraak maken op nabestaandenpensioen.
3.5.
Bij brief van 13 augustus 2024 heeft de (toenmalige) advocaat van [eiseres] [gedaagde] bericht dat [eiseres] het convenant onjuist vindt en de gemaakte afspraken wil bespreken. Er heeft nadien geen overleg plaatsgevonden.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 26.000,00 aan [eiseres] wegens overbedeling met de loods;
II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 31.417,23 aan [eiseres] wegens verzwegen vermogen op rekening [rekeningnummer 1] ;
III. [gedaagde] veroordeelt tot het overleggen van bankafschriften van 2021 en 2022 van de drie bankrekeningen:
a. [rekeningnummer 1]
b. [rekeningnummer 2]
c. [rekeningnummer 3]
IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per dag aan [eiseres] voor iedere dag dat [gedaagde] met het onder III gevorderde in gebreke blijft;
V. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 2.000,00 aan [eiseres] wegens verzwegen vermogen dat [gedaagde] contant heeft opgenomen;
VI. artikel 9 van Pro het convenant vernietigt en bepaalt dat de daarin genoemde pensioenen van partijen volgens de wet worden verevend;
VII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van de kosten van deze procedure.
4.2.
[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat sprake is van dwaling danwel dat [gedaagde] haar heeft misleid en misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden. Artikel
4.1-2 en artikel 9 zijn Pro daarom vernietigbaar. Daarnaast heeft [gedaagde] bij de verdeling opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwegen, zodat [gedaagde] zijn aandeel in deze goederen aan [eiseres] heeft verbeurd. [eiseres] voert aan dat zij bij de totstandkoming van het convenant te goed van vertrouwen is geweest, onterecht heeft vertrouwd op de eerlijkheid van [gedaagde] en dat [gedaagde] destijds druk op haar heeft uitgeoefend om tot snelle ondertekening van het convenant over te gaan. Zij heeft spijt hoe het destijds is gelopen.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij voert aan dat [eiseres] is gebonden aan de afspraken die in het echtscheidingsconvenant zijn gemaakt. Dat [eiseres] na het sluiten van het convenant spijt heeft gekregen over deze afspraken, maakt dat niet anders. Ook stelt [gedaagde] dat het convenant een totaalakkoord is, zodat [eiseres] niet achteraf specifieke bepalingen die haar slecht uitkomen in haar voordeel kan aanpassen. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de volledige kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen in conventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.5.
[gedaagde] vordert – samengevat – dat de rechtbank, voor het geval enige vordering van [eiseres] wordt toegewezen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de waardering van het chalet in het convenant vernietigt en de waarde van het chalet op de peildatum vaststelt op € 100.000,00 en [eiseres] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] van € 35.000,00;
  • [eiseres] veroordeelt in de volledige kosten van deze procedure.
4.6.
[eiseres] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] .
4.7.
Op de stellingen van partijen in reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie
De afspraken over de loods
5.1.
Volgens [eiseres] is artikel 4.1-2 vernietigbaar omdat dit artikel onder invloed van dwaling tot stand is gekomen of omdat [gedaagde] misbruik van de omstandigheden heeft gemaakt. [eiseres] stelt hiertoe dat [gedaagde] de loods twee maanden na ondertekening van het convenant voor € 120.000,00 heeft verkocht terwijl de loods in het convenant is gewaardeerd op € 68.000,00. [eiseres] stelt dat partijen bij de totstandkoming van het convenant dus beiden hebben gedwaald over de waarde van de loods, of – als [gedaagde] wel op de hoogte was van de hogere waarde van de loods – dat [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van de omstandigheid dat hij meer wist over de hogere verkoopwaarde van de loods en dat voor [eiseres] heeft verzwegen.
5.2.
Het convenant houdt ten aanzien van de waardering en toedeling van de loods een verdeling van een gemeenschap in. Voor een beroep op vernietiging van een verdeling wegens dwaling bestaat een eigen dwalingsregeling die is opgenomen in artikel 3:196 BW Pro. Artikel 3:196 lid 1 BW Pro bepaalt dat een verdeling vernietigbaar is wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald, en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte van de waarde van het aandeel in de gemeenschap, is benadeeld.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [eiseres] op vernietiging van artikel 4.1-2 op grond van dwaling niet kan slagen. Het is niet gesteld of gebleken dat [eiseres] als gevolg van de waardebepaling van de loods in artikel 4.1-2 voor meer dan een vierde is benadeeld als bedoeld in artikel 3:196 lid 1 BW Pro. [eiseres] heeft ter zitting erkend dat zij, indien de benadeling door toedeling van de loods aan de man wordt afgezet tegen het totaal, niet voor meer dan een kwart is benadeeld. [eiseres] heeft nog wel betoogd dat indien alleen wordt gekeken naar de verkoopopbrengst van de loods, er wel sprake is van benadeling voor meer dan een kwart. Deze opvatting vindt echter geen steun in het recht. Bij de beoordeling of sprake is van benadeling, dient namelijk te worden uitgegaan van de waarde van alle goederen en schulden op het tijdstip van verdeling. De benadeling dient dus tegen het totaal te worden afgezet. Nu [eiseres] gelet op het totaal niet voor meer dan een kwart is benadeeld, is niet voldaan aan de eisen van artikel 3:196 lid 1 BW Pro. Het beroep op vernietiging faalt om die reden.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [eiseres] op vernietiging van artikel 4.1-2 op grond van misbruik van omstandigheden evenmin kan slagen. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
5.5.
Een rechtshandeling is op grond van artikel 3:44 lid 1 BW Pro vernietigbaar wanneer zij door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Van misbruik van omstandigheden is volgens lid 4 van artikel 3:44 BW Pro sprake wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand brengen van die rechtshandeling bevordert, terwijl hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro rust op [eiseres] de stelplicht en eventuele bewijslast voor feiten en omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat het convenant – of delen daarvan – op grond van artikel 3:44 BW Pro vernietigbaar is.
5.6.
[eiseres] stelt dat bij de waardebepaling van de loods (zoals opgenomen in artikel 4.1-2) sprake was van misbruik van omstandigheden. [eiseres] voert ter onderbouwing van die stelling aan dat zij vermoedt dat [gedaagde] ten tijde van de ondertekening van het convenant wist dat de verkoopwaarde van de loods hoger was en dat voor [eiseres] heeft verzwegen. [gedaagde] heeft ter zitting gemotiveerd betwist dat hij destijds wist wat de loods bij een toekomstige verkoop zou opbrengen. Volgens [gedaagde] was hij ten tijde van de ondertekening van het convenant niet bezig met verkoop van de loods en wilde hij de loods juist behouden voor zijn hobby’s. Zo had hij op dat moment in de loods nog een boot en een vliegtuig van zijn schoonzoon staan. Volgens [gedaagde] heeft hij de loods begin 2023 om financiële redenen alsnog te koop gezet. Het is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] ten tijde van de ondertekening van het convenant al bezig was met verkoop of taxatie van de loods. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat voorafgaand aan het sluiten van het convenant sprake was van enige bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in lid 4 van artikel 3:44 BW Pro. [eiseres] heeft ter zitting weliswaar verklaard dat [gedaagde] begin 2023 druk heeft uitgeoefend om de benodigde verkoopdocumenten van de loods te ondertekenen, maar dat was na de totstandkoming en ondertekening van het convenant zodat dit geen grond voor vernietiging van enige bepaling in het convenant kan opleveren. Gelet op het voorgaande heeft [eiseres] onvoldoende gesteld om de conclusie te dragen dat artikel 4.1-2 door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen.
De afspraken over de pensioenaanspraken
5.7.
Volgens [eiseres] is artikel 9 vernietigbaar Pro omdat [gedaagde] misbruik van de omstandigheden heeft gemaakt of omdat deze afspraak onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. Volgens [eiseres] zou zij niet hebben ingestemd met de verdeling van de pensioenaanspraken als [gedaagde] haar destijds had verteld dat zij wettelijk recht had op de helft van zijn ouderdomspensioen en het leeuwendeel van zijn nabestaandenpensioen. Doordat [gedaagde] dit heeft nagelaten heeft hij haar misleid en gebruik gemaakt van haar zwakkere positie, of hebben beide partijen gedwaald als zij beiden niet bekend waren met de wettelijke regeling.
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [eiseres] op vernietiging van artikel 9 op Pro grond van misbruik van omstandigheden niet kan slagen. [eiseres] stelt in dit verband slechts dat zij bij de totstandkoming van het convenant een kennisachterstand had, waarvan [gedaagde] misbruik heeft gemaakt. Daarnaast betoogt [eiseres] dat zij door [gedaagde] onder druk is gezet om in te stemmen met de pensioenverdeling. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist en heeft ter zitting weersproken dat [eiseres] een zwakkere positie had, aangezien zij zich destijds heeft laten adviseren. Daarnaast heeft [eiseres] volgens [gedaagde] niet afgezien van haar aanspraak op nabestaandenpensioen als gevolg van enige kennisachterstand, maar omdat zij destijds naar eigen zeggen “niets meer van [gedaagde] wilde hebben”. [eiseres] heeft beide verklaringen van [gedaagde] niet weersproken. Zij heeft ook niet toegelicht waaruit de ‘druk’ heeft bestaan die [gedaagde] eind 2022 bij de totstandkoming van het convenant op haar zou hebben uitgeoefend. Gelet op het voorgaande zijn de door [eiseres] gestelde feiten onvoldoende om de conclusie te dragen dat [gedaagde] misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 BW Pro heeft gemaakt en dat artikel 9 op Pro die grond vernietigbaar is.
5.9.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [eiseres] op vernietiging van artikel 9 op Pro grond van dwaling evenmin kan slagen. Hierna wordt toegelicht waarom.
5.10.
Artikel 3:196 BW Pro is – anders dan bij artikel 4.1-2 – niet van toepassing op artikel 9 van Pro het convenant. Artikel 9 heeft Pro namelijk betrekking op pensioenrechten waarop de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding van toepassing is. Op grond van artikel 1:94 lid 2 aanhef Pro en onder b BW behoren die pensioenrechten niet tot de gemeenschap. Het beroep op vernietiging wegens dwaling wordt daarom beheerst door artikel 6:228 BW Pro.
5.11.
Voor een geslaagd beroep op dwaling als bedoeld in artikel 6:228 BW Pro moet vast komen te staan dat [eiseres] een onjuiste voorstelling van zaken had en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben ingestemd met artikel 9 en Pro dat een inlichting van [gedaagde] de onjuiste voorstelling van zaken heeft veroorzaakt, dat [gedaagde] een op hem rustende mededelingsplicht op dit punt heeft geschonden of dat [gedaagde] van dezelfde onjuiste voorstelling van zaken is uitgegaan.
5.12.
[eiseres] heeft op dit punt onvoldoende gesteld. Zij heeft slechts gesteld dat zij niet zou hebben ingestemd met de verdeling van de pensioenaanspraken als [gedaagde] haar destijds had verteld dat zij wettelijk recht had op de helft van zijn ouderdomspensioen en het leeuwendeel van zijn nabestaandenpensioen. [eiseres] heeft echter niet toegelicht waarom [gedaagde] gehouden zou zijn om [eiseres] inlichtingen te verschaffen over de wettelijke regeling voor de verdeling van pensioenaanspraken. [eiseres] stelt daarnaast dat als [gedaagde] niet bekend was met de wettelijke regeling, zij beiden hebben gedwaald. [eiseres] heeft echter geen feiten aangevoerd waaruit blijkt dat [gedaagde] ook niet bekend was met de wettelijke regeling en evenmin dat deze vermeende onbekendheid bij [gedaagde] ook aan zijn zijde een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van artikel 9. Gelet op het voorgaande faalt het beroep op vernietiging van artikel 9 wegens Pro dwaling.
Verzwegen gemeenschapsgoederen
5.13.
[eiseres] beroept zich op artikel 3:194 lid 2 BW Pro en vordert betaling van € 31.417,23 aan [eiseres] wegens verzwegen vermogen op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] (hierna: de “bankrekening”) op naam van [gedaagde] . Deze bankrekening is onderwerp geweest van de verdeling en het saldo van
€ 19.255,00 op de peildatum is op grond van het convenant toebedeeld aan [gedaagde] . Volgens [eiseres] bedroeg het saldo op 24 juni 2022 nog € 50.672,23 en hebben partijen daarna geen uitgaven meer gedaan. [eiseres] gaat er daarom van uit dat [gedaagde] € 31.417,23 heeft ‘weggemaakt’ en heeft verzwegen bij de verdeling. [eiseres] wijst ook nog op aflossingen van leningen bij partijen door hun kinderen in november 2021, waarbij in totaal € 50.000,00 is gestort op de bankrekening. Volgens [eiseres] zijn deze betalingen niet terug te vinden op de bankrekening. Gelet op al het voorgaande vordert Foppe afgifte van alle afschriften in 2021 en 2022 van de bankrekening en van twee andere bankrekeningen op naam van [gedaagde]
5.14.
In artikel 3:194 lid 2 BW Pro is bepaald dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt zijn aandeel aan de andere deelgenoot respectievelijk deelgenoten verbeurt. Om van opzettelijke verzwijging te kunnen spreken dient de deelgenoot daarbij het oogmerk te hebben gehad om de rechten van de andere deelgenoot te verkorten. Degene die een beroep doet op toepassing van artikel 3:194 lid 2 BW Pro dient voldoende feiten te stellen waaruit de verzwijging en het daarop gericht opzet blijkt.
5.15.
Ter onderbouwing van het saldo van € 50.672,23 op 24 juni 2022 heeft [eiseres] een screenshot overgelegd van de bankrekening. [gedaagde] heeft ter zitting betwist dat het screenshot betrekking heeft op de bankrekening, en stelt dat het screenshot het saldo toont van een rekening van zijn moeder. [eiseres] heeft dit niet weersproken en heeft desgevraagd verklaard dat zij het screenshot heeft gekregen van de zus van [gedaagde] die als gemachtigde de bankzaken regelde voor de moeder van [gedaagde] . De rechtbank stelt vast dat niet is komen vast te staan dat het saldo van de bankrekening een half jaar vóór de peildatum € 31.417,23 hoger was, en daarmee evenmin dat [gedaagde] geld heeft ‘weggemaakt’ van de bankrekening.
5.16.
Ten aanzien van de aflossingen van € 50.000,00, heeft [gedaagde] erkend dat dit bedrag in 2021 op de bankrekening is gestort. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij dit bedrag heeft overgeboekt naar de gezamenlijke spaarrekening met nummer [rekeningnummer 3] (hierna: “bankrekening 2”). Ook deze bankrekening 2 is onderwerp geweest van de verdeling waarbij het saldo op de peildatum € 85.000,00 bedroeg en waarvan partijen bij de verdeling elk € 42.500,00 hebben ontvangen. Nu het saldo van bankrekening 2 op de peildatum hoger was dan de ontvangen aflossing van € 50.000,00, en [eiseres] de uitleg van [gedaagde] niet heeft weersproken, is er geen aanwijzing dat [gedaagde] in 2021 of 2022 geld heeft ‘weggemaakt’ van de bankrekening.
5.17.
Ten slotte stelt [eiseres] dat sprake is van verzwegen vermogen, omdat [gedaagde] minimaal vier keer € 500,00 contant heeft opgenomen. [eiseres] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde] de opnames heeft verricht en wanneer dat is gebeurd. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat er eind 2022 contant geld is opgenomen voor cadeaus aan de kinderen en kleinkinderen, en dat partijen gerechtigd waren dit te doen omdat dit geld tot de peildatum tot het gezamenlijk vermogen behoorden. [eiseres] heeft weersproken dat de kinderen of kleinkinderen cadeaus hebben ontvangen, maar heeft niet onderbouwd dat [gedaagde] bewust contant geld heeft achtergehouden met het oogmerk dit aan de verdeling te onttrekken.
5.18.
Slotsom is dat door [eiseres] gestelde feiten onvoldoende zijn om de conclusie te dragen dat [gedaagde] opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen (geldbedragen) heeft verzwegen, zoekgemaakt of verborgen heeft gehouden.
De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen
5.19.
[eiseres] heeft onvoldoende feiten gesteld om haar beroep op vernietiging van artikel 4.1-2 en artikel 9 van Pro het convenant te laten slagen, ongeacht of dwaling of misbruik van omstandigheden als grondslag wordt genomen. Deze uitkomst leidt ertoe dat de vordering (I) tot betaling van € 26.000,00 wegens overbedeling met de loods, en de vordering (VI) tot vernietiging van artikel 9 van Pro het convenant, zullen worden afgewezen.
5.20.
[eiseres] heeft eveneens onvoldoende feiten gesteld om haar beroep op verzwegen gemeenschapsgoederen zoals bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW Pro te laten slagen. Dit leidt ertoe dat de vordering (II) tot betaling van € 31.417,23 en de vordering (V) tot betaling van € 2.000,00 wegens verzwegen vermogen, zullen worden afgewezen.
5.21.
Aangezien de door [eiseres] gestelde feiten onvoldoende zijn om de conclusie te dragen dat [gedaagde] opzettelijk tot de gemeenschap behorende gelden aan de bankrekening heeft onttrokken, heeft [eiseres] onvoldoende belang bij de afgifte van bankafschriften van de bankrekening zoals bedoeld in artikel 194 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: “Rv”). Ditzelfde geldt temeer voor de gevorderde afgifte van afschriften van de andere twee bankrekeningen, nu [eiseres] niet heeft onderbouwd welk belang zij heeft bij inzage in deze bankrekeningen, zodat sprake is van een fishing expedition. Gelet op het voorgaande, zal ook de vordering (III) tot het overleggen van bankafschriften van 2021 en 2022 van de drie bankrekeningen worden afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
5.22.
Het uitgangspunt op grond van artikel 237 lid 1 Rv Pro is dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de proceskosten. Als partijen tot elkaar in een familierelatie staan, of hebben gestaan, kan de rechter besluiten de proceskosten te compenseren, hetgeen betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5.23.
De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding voor compensatie van de proceskosten nu [eiseres] bij geen van haar vorderingen voldoende feiten heeft gesteld die de vorderingen konden dragen. [eiseres] wist of behoorde te weten dat zij haar zaak zonder behoorlijke gronden aanhangig heeft gemaakt, zodat zij daarmee [gedaagde] nodeloos in rechte heeft betrokken. [eiseres] zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten. Anders dan [gedaagde] wenst, ziet de rechtbank daarbij echter geen aanleiding om [eiseres] te veroordelen in de werkelijk gemaakte proceskosten van [gedaagde] wegens schending van artikel 21 Rv Pro, nu niet is gebleken dat [eiseres] de rechtbank bewust onjuist heeft voorgelicht.
5.24.
Aldus moet [eiseres] , als de in conventie in het ongelijk gesteld partij, de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht: € 1.374,00
- salaris advocaat: € 2.580,00 (2 punten x € 1.290,00, tarief IV)
- nakosten: € 189,00 (plus € 98,00 als het vonnis wordt betekend) +
Totaal: € 4.143,00
5.25.
De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
5.26.
De voorwaarde waaronder [eiseres] haar vorderingen heeft ingesteld, is niet in vervulling gegaan. De rechtbank komt aldus niet toe aan de beoordeling in reconventie.
5.27
De proceskosten in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
6.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 4.143,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, moet [eiseres] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van de betekening, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
6.4.
stelt vast dat de voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld niet in vervulling is gegaan en geen verdere behandeling behoeft;
6.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kost draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Amperse en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
Type: 3593