ECLI:NL:RBDHA:2026:815

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
11845815/25-50618
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:628 BWArt. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:671b lid 9 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verstoorde arbeidsverhouding na onrechtmatig ontslag op staande voet

Het Achterhuis, exploitant van een coffeeshop, had de werkneemster sinds mei 2024 in dienst met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op 7 augustus 2025 werd zij op staande voet ontslagen, maar dit ontslag voldeed niet aan de wettelijke eisen en werd daarom vernietigd door de kantonrechter.

De werkneemster vorderde loonbetaling en een immateriële schadevergoeding van €1.000.000,00 wegens onrechtmatig ontslag, maar deze vorderingen werden afgewezen. Het Achterhuis stelde een tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in, gebaseerd op een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding door verwijtbaar gedrag van de werkneemster, waaronder intimidatie van collega’s en het veroorzaken van ontslag van medewerkers.

De kantonrechter oordeelde dat het vertrouwen tussen partijen onherstelbaar was beschadigd en dat herplaatsing niet mogelijk was. Daarom werd de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 8 februari 2026, zonder toekenning van een billijke vergoeding. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens ernstig verstoorde arbeidsverhouding per 8 februari 2026.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer/rekestnummer: 11845815/RP VERZ 25-50618
Beschikking van 7 januari 2026
in de zaak van
[verzoekster],
te [woonplaats],
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoekster],
procederend in persoon,
tegen
[naam 1] en [naam 2],
in hun hoedanigheid van vennoot van VOF Het Achterhuis,
te 's-Gravenhage,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: Het Achterhuis,
gemachtigde: mrs. C. Özcan en H.L.A. Ko.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift,
- het verweerschrift, met een tegenverzoek,
- de mondelinge behandeling van 10 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [verzoekster] is niet op de mondelinge behandeling verschenen.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Het Achterhuis exploiteert sinds 2012 een coffeeshop in Den Haag.
2.2.
[verzoekster], geboren [geboortedatum] 2001, is sinds 1 mei 2024 voor 12 maanden in dienst bij Het Achterhuis. Deze overeenkomst is onder gelijke voorwaarden stilzwijgend verlengd voor 12 maanden en loopt tot 1 mei 2026. De functie van [verzoekster] is algemeen medewerkster met een loon van € 13,68 bruto per uur, exclusief vakantietoeslag, met een minimum arbeidsduur van 8 uur per week.
2.3.
Op 7 augustus 2025 is [verzoekster] op staande voet ontslagen.
2.4.
Per e-mail van 9 oktober 2025 heeft de gemachtigde van Het Achterhuis aan [verzoekster] geschreven dat de arbeidsovereenkomst niet op rechtsgeldige wijze is beëindigd en heeft haar een schikkingsvoorstel gedaan.
2.5.
Per e-mail van 13 oktober 2025 heeft [verzoekster] dit schikkingsvoorstel afgewezen.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
De kantonrechter begrijpt het verzoek van [verzoekster] in zoverre dat zij verzoekt om het ontslag op staande voet te vernietigen, om Het Achterhuis te veroordelen tot betaling van loon en om haar een schadevergoeding van € 1.000.000,00 ter zake van immateriële schade toe te kennen. Samengevat is volgens [verzoekster] het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Op 7 augustus 2025 is [verzoekster] ten onrechte op staande voet ontslagen, namelijk zonder uitleg van redenen en zonder schriftelijke kennisgeving. Daarnaast heeft Het Achterhuis gedurende het dienstverband het loon van [verzoekster] niet op een bankrekening van [verzoekster] gestort. De immateriële schadevergoeding is Het Achterhuis verschuldigd als gevolg van het onrechtmatige ontslag, schendingen van (internationale) wetten danwel dwangarbeid.
3.2.
Het Achterhuis voert verweer en stelt dat het verzoek ten aanzien van de vernietiging van het ontslag moet worden toegewezen en het overige moet worden afgewezen. Het Achterhuis voert ‑ samengevat ‑ aan dat [verzoekster] ten onrechte op staande voet is ontslagen in die zin dat dit ontslag niet voldoet aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten. Het Achterhuis heeft een tegenverzoek gedaan, maar daar is [verzoekster] niet op ingegaan. Het Achterhuis verzoekt (voorwaardelijk) dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Er is sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding als gevolg van verwijtbare gedragingen van [verzoekster], waardoor de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd moet eindigen. In juni 2025 heeft Het Achterhuis [verzoekster] al een waarschuwing gegeven vanwege onwenselijk gedrag jegens haar collega’s. Op 7 augustus 2025 heeft [verzoekster] zich weer ernstig misdragen.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of Het Achterhuis moet worden veroordeeld tot betaling van loon. Alle daaraan gekoppelde arbeidsrechtelijke vorderingen kunnen worden beoordeeld. De overige vorderingen zullen onbesproken blijven.
4.2.
De kantonrechter is het met [verzoekster] en Het Achterhuis eens dat het ontslag, dat op 7 augustus 2025 aan [verzoekster] is gegeven, niet voldoet aan de daaraan door de wet gestelde eisen. Daarmee is het ontslag niet rechtsgeldig gegeven. Het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van het ontslag wordt daarom toegewezen.
Loon vanaf 7 augustus 2025
4.3.
[verzoekster] heeft in beginsel recht op loon vanaf 7 augustus 2025, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. Het Achterhuis heeft echter onweersproken gesteld dat een van haar vennoten daags na 7 augustus 2025 [verzoekster] heeft gesproken en dat aan haar is verteld dat zij weer welkom is op het werk. Echter, [verzoekster] is niet op het werk verschenen en zij heeft zich ook niet beschikbaar gehouden voor haar werk. Onder deze omstandigheden is het op grond van artikel 7:628 BW Pro niet redelijk om het loon aan [verzoekster] door te betalen. De vordering van [verzoekster] tot loonbetaling vanaf 7 augustus 2025 zal daarom worden afgewezen.
Loon inclusief vakantiegeld vanaf aanvang arbeidsovereenkomst tot 7 augustus 2025
4.4.
[verzoekster] heeft onweersproken gelaten dat Het Achterhuis haar iedere maand haar loon inclusief vakantiegeld contant heeft betaald, zodat haar loonvordering (vanaf aanvang arbeidsovereenkomst tot 7 augustus 2025) zal worden afgewezen. Dat het loon niet op een bankrekening is betaald door Het Achterhuis maakt dit niet anders. Het Achterhuis heeft onweersproken gesteld dat [verzoekster] bij aanvang van de arbeidsovereenkomst geen Nederlandse bankrekening had en akkoord is gegaan met contante betaling van haar loon.
De kantonrechter overweegt daarbij nog dat het onwaarschijnlijk is dat [verzoekster] al die tijd bij Het Achterhuis was blijven werken als zijn nooit salaris zou hebben ontvangen.
4.5.
Dat Het Achterhuis gehouden is om [verzoekster] een schadevergoeding te betalen van € 1.000.000,00 ter zake van immateriële schade is door Het Achterhuis gemotiveerd weersproken en heeft [verzoekster] niet voldoende onderbouwd. De enkele verwijzing naar een onterecht gegeven ontslag op staande voet en andere wetsartikelen, zonder nadere toelichting, is hiervoor immers onvoldoende. De kantonrechter zal deze vordering daarom afwijzen.

5.De beoordeling van het tegenverzoek

5.1.
Op het verzoek van Het Achterhuis om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, moet worden beslist. De voorwaarde waaronder Het Achterhuis dat verzoek heeft gedaan, is namelijk vervuld, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd.
5.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2]
5.3.
De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
5.4.
Zoals Het Achterhuis ter zitting heeft toegelicht en in het verweerschrift uitgebreid is beschreven, is er volgens Het Achterhuis sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding als gevolg van verwijtbaar handelen door [verzoekster]. Daartoe heeft Het Achterhuis aangevoerd dat het vertrouwen in [verzoekster] bij haar vennoten en haar medewerkers onherstelbaar is beschadigd. Door het gedrag van [verzoekster] hebben twee medewerkers ontslag genomen. Ook op 7 augustus 2025 heeft [verzoekster] ontoelaatbaar gedrag vertoond. [verzoekster] was met haar partner in haar privétijd in Het Achterhuis om wiet te kopen. Toen ze in de rij moest wachten, bedreigde ze een collega van haar die aan het werk was en betichtte haar van discriminatie. [verzoekster] en haar partners gedroegen zich zodanig intimiderend dat een van de eigenaren van Het Achterhuis huilend door de medewerkster en tevens collega van [verzoekster] werd gebeld. Toen één van de vennoten ter plaatse kwam, bleven [verzoekster] en haar partner intimiderend gedrag vertonen. Dit terwijl zij in juni 2025 al een waarschuwing had gehad voor onwenselijk gedrag jegens haar collega’s.
[verzoekster] heeft deze stellingen van Het Achterhuis onweersproken gelaten door niet op de mondelinge behandeling te komen en ook niet op andere wijze te reageren op. Op grond hiervan, maar ook gezien de inhoud van het verzoekschrift, is voldoende aannemelijk dat het vertrouwen van Het Achterhuis in [verzoekster] en andersom onherstelbaar is beschadigd dat er sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde verhouding.
5.5.
Daar komt bij dat de wijze waarop [verzoekster] na 7 augustus met Het Achterhuis heeft gecommuniceerd (en overigens ook met de rechtbank) bevestigtdat er met haar niet of nauwelijks te werken valt. De mails zijn onnavolgbaar, er worden (niet uitvoerbare) eisen gesteld en vele instanties worden in deze correspondentie meegenomen.
5.6.
Herplaatsing van [verzoekster] binnen een redelijke termijn is niet mogelijk en/of ligt niet in de rede. Het Achterhuis heeft aangevoerd dat het vertrouwen van Het Achterhuis en de andere medewerkers in [verzoekster] onherstelbaar is beschadigd als gevolg waarvan terugkeer niet mogelijk is. Dit wordt bevestigd door de hierboven reeds aangehaalde wijze van communicatie. Herplaatsing ligt evenmin in de rede omdat een alternatieve functie binnen Het Achterhuis niet voor handen is.
5.7.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 8 februari 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, waarbij ten minste een opzegtermijn van een maand moet resteren. [3]
5.8.
Het Achterhuis hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden. Er wordt geen billijke vergoeding toegekend omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever. Hoewel het ontslag op staande voet geen stand houdt, heeft Het Achterhuis voldoende duidelijk gemaakt dat zij deze situatie direct heeft willen herstellen, maar dat [verzoekster] daar op geen enkele wijze aan heeft willen meewerken, terwijl ook is komen vast te staan dat [verzoekster] wel degelijk ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zij het dat daar geen rechtsgeldig ontslag op staande voet op heeft kunnen volgen.
5.9.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
vernietigt het ontslag op staande voet,
6.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 8 februari 2026,
6.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [4] ,
6.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Sluymer en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
3.Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.
4.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.