In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 14 januari 2026, wordt de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een document dat zijn afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 20 van het VWEU bevestigt, behandeld. Eiser, die de Surinaamse nationaliteit heeft en in Nederland verblijft, is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank beoordeelt de afwijzing aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. De rechtbank komt tot de conclusie dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het K.A.-arrest. De rechtbank legt uit dat de medische situatie van eiser, hoewel zorgwekkend, niet voldoende is om aan te tonen dat hij voor zijn zorg afhankelijk is van zijn zus, die de Nederlandse nationaliteit heeft. Eiser heeft geen bewijs geleverd dat zijn situatie uitzonderlijk is en dat hij niet van zijn zus kan worden gescheiden. De rechtbank wijst erop dat eiser ook niet heeft aangetoond dat hij voor medische behandeling op Nederland is aangewezen. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.