ECLI:NL:RBDHA:2026:817

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL25.4957
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument op basis van afgeleid verblijfsrecht en K.A.-arrest

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 14 januari 2026, wordt de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een document dat zijn afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 20 van het VWEU bevestigt, behandeld. Eiser, die de Surinaamse nationaliteit heeft en in Nederland verblijft, is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank beoordeelt de afwijzing aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. De rechtbank komt tot de conclusie dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het K.A.-arrest. De rechtbank legt uit dat de medische situatie van eiser, hoewel zorgwekkend, niet voldoende is om aan te tonen dat hij voor zijn zorg afhankelijk is van zijn zus, die de Nederlandse nationaliteit heeft. Eiser heeft geen bewijs geleverd dat zijn situatie uitzonderlijk is en dat hij niet van zijn zus kan worden gescheiden. De rechtbank wijst erop dat eiser ook niet heeft aangetoond dat hij voor medische behandeling op Nederland is aangewezen. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4957

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 mei 2018 in de zaak K.A., ECLI:EU:C:2017:821. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing in stand kan blijven
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 en 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend tot afgifte van een document waaruit een afgeleid verblijfsrecht blijkt op grond van artikel 20 van het VWEU en het K.A.-arrest. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 28 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [naam 1], [naam 2] en zijn gemachtigde. Tevens is de gemachtigde van verweerder verschenen.

(Totstandkoming van) het bestreden besluit

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1965 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiser is Nederland op 14 mei 2022 binnengekomen en hij heeft op 15 maart 2024 de nu voorliggende aanvraag ingediend. Hij wil rechtmatig verblijf bij [naam 2], die de Nederlandse nationaliteit bezit en de zus van eiser is (hierna: referente).
4. Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat eiser geen afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU en het K.A.-arrest, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in dat arrest waarop een familielid van een meerderjarige burger van de EU een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU kan verkrijgen. De afwijzing is niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar, is van horen in bezwaar afgezien, aldus verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

5. Verweerder heeft zich in het primaire besluit en het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser geen verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU omdat niet is aangetoond dat er tussen eiser en referente een uitzonderlijke situatie heeft bestaan zoals in het K.A.-arrest. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat uit de brief van het Erasmus MC ziekenhuis van 23 november 2023 weliswaar blijkt dat eiser geen zicht meer heeft in zijn linkeroog en dat hij slecht zicht heeft met zijn rechteroog vanwege een bacterie, maar dat uit dit document niet blijkt dat eiser voor zijn zorg zo afhankelijk is van referente dat hij niet van haar gescheiden kan worden. Verweerder heeft daarbij onder meer in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat eiser reeds vòòr 24 mei 2024, de datum van zijn inschrijving in het Basisregistratie Personen op het adres van referente, bij haar inwoonde. Daarnaast blijkt uit de door eiser beantwoorde vragen in dit stuk dat hij geen hulp nodig heeft bij de dagelijkse bezigheden. Voorts heeft verweerder zich in het primaire en het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat aan eiser niet ambtshalve een verblijfsvergunning wordt verleend op grond van de artikelen 3 (medisch en verwestering) en 8 van het EVRM. In dit kader heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser voor medische behandeling op Nederland is aangewezen. Tevens heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser nog maar kort in Nederland is en hele sterke banden heeft met Suriname. Verder heeft verweerder zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen sprake is van oneigenlijk gebruik van gegevens van eiser en dat geen sprake is van een onrechtmatige signalering van die gegevens in het Schengen Informatie Systeem. Eiser heeft in zijn gronden van beroep (vrijwel woordelijk) herhaald wat hij reeds in zijn gronden van bezwaar (en bij zijn aanvraag) had aangevoerd. Een dergelijke herhaling in de gronden van beroep zonder nader te motiveren waarom het bestreden besluit, waarin op alle gronden die in bezwaar zijn aangevoerd gemotiveerd is ingegaan, niet in stand kan blijven, is onvoldoende om tot gegrondverklaring van het beroep te komen. Een dergelijke herhaling is evenmin voldoende om het standpunt van verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in aanmerking komt voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU of voor een verblijfsvergunning op grond van de artikelen 3 en 8 van het EVRM voldoende gemotiveerd betwist te achten. De enkele verklaring ter zitting van referente dat eiser inmiddels ook blind is aan zijn rechteroog is onvoldoende om een uitzonderlijke situatie als bedoeld in het K.A.-arrest aan te nemen of om verweerders standpunt in het kader van artikel 8 van het EVRM voldoende gemotiveerd betwist te achten, al omdat deze verklaring niet is onderbouwd met medische documenten. Voorts kan de enkele stelling van eiser ter zitting dat verweerder geen percentage heeft gegeven van het aantal gemaakte belangenafwegingen in het kader van artikel 8 van het EVRM dat in het voordeel van de vreemdeling is uitgevallen, evenmin tot een ander oordeel leiden. Ditzelfde geldt voor eisers stelling dat verweerder zijn belang om eiser geen verblijf toe te staan in Nederland onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat uit het bestreden besluit het tegendeel blijkt. Om die reden bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is. Uit het enkel in algemene zin verwijzen naar uitspraken, (internationale) wetsartikelen en het handboek van de Europese Commissie – zonder dit nader toe te lichten – kan de rechtbank voorts niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Bovendien heeft eiser op geen enkele wijze aangetoond waarom de aangehaalde uitspraken op zijn situatie van toepassing zijn. Ook overweegt de rechtbank dat voor zover in de aanvullende gronden van beroep iets is aangevoerd wat eerder niet was aangevoerd, dit niet tot een ander oordeel leidt. Uit de enkele verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 11 februari 2025,
ECLI:NL:RBDHA:2025:2548, kan de rechtbank immers niet afleiden waarom het bestreden besluit onjuist is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen in deze zaak. Verder is ook niet gebleken dat het aanvraagformulier afbreuk heeft gedaan aan de nuttige werking van het Unierecht.
6. Eiser voert aan dat verweerder hem had moeten horen in bezwaar over de afhankelijkheid en gestelde medische klachten.
6.1.
Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, voordat het bestuursorgaan op het bezwaar beslist. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.
6.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, volgt dat een bezwaar alleen ‘kennelijk’ ongegrond is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander oordeel dan vervat in het primaire besluit.
6.3.
Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 6 juli 2022 heeft benadrukt, is de plicht om te horen afhankelijk van wat de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd. Het is aan eiser om in bezwaar concreet toe te lichten waarom hij zich niet kan verenigen met het primaire besluit. Hoewel in het kader van de artikel 20 van het VWEU en artikel 8 van het EVRM de hoorplicht temeer van belang is, rust er dus eerst nog wel een taak op de vreemdeling. In dit geval heeft eiser weliswaar medische stukken overgelegd ten aanzien van zijn beperking aan zijn ogen, maar uit die stukken blijkt ook dat eiser zich goed kan redden in het dagelijks leven. Verder heeft eiser alleen gesteld dat referente veel zorg en aandacht behoeft van eiser, dat er humane (waaronder psychische) aspecten van belang zijn en dat hij in afwachting is van rapportages van deskundigen zoals huisarts, maatschappelijk werker en psycholoog. Deze stukken, die in de aanvraagfase al waren aangekondigd, heeft eiser ook in bezwaar niet overgelegd. In het kader van artikel 3 van het EVRM zijn verder helemaal geen stukken overgelegd. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit en dus dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. Verweerder heeft daarom van het horen van eiser kunnen afzien. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat eiser wordt bijgestaan door een professionele gemachtigde van wie verwacht mag worden dat hij weet welke documenten van belang zijn om over te leggen in procedures zoals de onderhavige. Daarnaast is van belang dat verweerder onbetwist heeft gesteld dat de gemachtigde van eiser, op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, een groot aantal procedures had lopen waarbij hij identieke of vrijwel identieke juridische argumenten had aangevoerd. Het beroep van eiser op de uitspraak van 15 maart 2016 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Gillissen tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609, kan niet tot een ander oordeel leiden, al omdat in deze zaak geen sprake is van getuigenbewijs of aangevraagde getuigen en de aanvraag van eiser, anders dan in die zaak, nauwelijks is onderbouwd. De rechtbank ziet gelet hierop ook geen reden om onderzoek te doen naar de toepassing van de hoorplicht door individuele lidstaten in beoordelingen van procedures over de toepassing en reikwijdte van artikel 20 van het VWEU en artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond zoals vermeld onder 6. faalt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.