Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8178

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
25/8596
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Rijkswet op het NederlanderschapArt. 83 Wetboek van StrafrechtArt. 140a Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking Nederlandse nationaliteit wegens terroristisch misdrijf

Verzoeker, geboren in Marokko en sinds 1996 genaturaliseerd tot Nederlander, is in 2019 het Nederlanderschap ontnomen vanwege betrokkenheid bij terroristische activiteiten in Irak. Na een veroordeling tot drie jaar gevangenisstraf wegens deelname aan een terroristische organisatie, heeft de staatssecretaris het Nederlanderschap ingetrokken. Verzoeker stelde beroep in tegen deze intrekking en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van verzoeker bij het behoud van zijn nationaliteit zwaarder weegt dan het belang van de staatssecretaris bij onmiddellijke intrekking. Verzoeker heeft meer dan 20 jaar de Nederlandse nationaliteit, heeft na zijn straf uitgezeten meegewerkt aan resocialisatie en woont in een stabiel gezinsverband met een vaste baan. De intrekking heeft verstrekkende gevolgen, waaronder het verlies van stemrecht.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na uitspraak in de beroepsprocedure. Tevens wordt verweerder opgedragen het griffierecht en een proceskostenvergoeding aan verzoeker te vergoeden.

Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap wordt geschorst tot zes weken na uitspraak in de beroepsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8596

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Peerenboom).

Procesverloop

1. In deze uitspraak oordeelt de voorzieningenrechter over het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de Nederlandse nationaliteit.
1.1.
De in 1996 aan verzoeker verleende Nederlandse nationaliteit is bij primair besluit van 18 juli 2019 ingetrokken. Bij het bestreden besluit van 9 oktober 2025 op verzoekers bezwaar hiertegen is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verzoeker heeft beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: verzoeker en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Namens verweerder was ook [naam] aanwezig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker is op [geboortedatum] 1976 geboren in Marokko. Bij zijn geboorte heeft hij de Marokkaanse nationaliteit verworven. In 1991 is verzoeker met zijn ouders naar Nederland gekomen. Bij besluit van 12 oktober 1996 is verzoeker tot Nederlander genaturaliseerd.
3. Verzoeker is in 2015 naar Mosul in Irak gereisd, een stad die op dat moment onder bewind stond van de Islamitische Staat (IS) en waar zijn broer zich ophield. Verzoeker heeft in 2015 en 2016 een aantal maanden in een ziekenhuis / verzorgingshuis gekookt voor gewonde IS-strijders die terug kwamen van het front en ook heeft hij telefoonkabels getrokken voor IS.
4. Na terugkeer naar Nederland is verzoeker strafrechtelijk vervolgd. Op 2 november 2017 is verzoeker door de rechtbank Rotterdam veroordeeld wegens het deelnemen aan een organisatie die het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. De strafrechter heeft verzoeker een gevangenisstraf van drie jaar opgelegd, waarvan één jaar voorwaardelijk. Deze straf heeft verzoeker uitgezeten.
5. Bij primair besluit van 18 juli 2019 heeft verweerder het Nederlanderschap van verzoeker ingetrokken vanwege het plegen van een terroristisch misdrijf. [1]
6. Op 9 augustus 2019 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag het primaire besluit geschorst, tot vier weken na de beslissing op het bezwaar.
7. Bij het bestreden besluit van 9 oktober 2025 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen de intrekking ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft verweerder verzoeker een tijdelijk EU-verblijfsdocument gegeven, dat geldig is zolang zijn dochter nog minderjarig is, tot [datum] 2027.
8. Op 6 november 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij verzoekschrift van 5 december 2025 heeft verzoeker om een voorlopige voorziening verzocht.
Wat voert verzoeker aan?
9. Volgens verzoeker heeft het beroep een goede kans van slagen; er valt ernstig te twijfelen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit, gezien het discriminatoire karakter van de wettelijke regeling. Daarbij weegt het belang van verzoeker zwaarder dan het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. Intrekking van het Nederlanderschap heeft allerlei gevolgen. Verzoeker heeft een langdurige band met Nederland en neemt deel aan de samenleving. Hij is geen gevaar voor de samenleving. Verzoeker wil bovendien stemmen bij de aankomende gemeenteraadsverkiezingen, wat door de intrekking onmogelijk wordt gemaakt.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
10. Het bestreden besluit heeft als rechtsgevolg dat verzoeker het Nederlanderschap verliest. Dat rechtsgevolg heeft verschillende bijkomende rechtsgevolgen en moeilijk overzienbare feitelijke gevolgen. Aan het Nederlanderschap zijn verschillende rechten verbonden, die door de intrekking niet kunnen worden uitgeoefend. Hieruit volgt dat sprake is van onverwijlde spoed die maakt dat verzoeker een voorlopige voorziening kan vragen.
11. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de
rechtbank in een bodemgeding niet.
12. In de bodemprocedure zijn meerdere complexe rechtsvragen aan de orde, die zich niet goed lenen voor beantwoording in een voorlopige voorzieningenprocedure. Het verzoek zal dus aan de hand van een belangenafweging worden beoordeeld.
Belangenafweging
13. Het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit moet worden afgewogen tegen het belang van verzoeker bij schorsing van het bestreden besluit hangende het beroep. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verweerder bij een onmiddellijk effect van de intrekking minder zwaar dan het belang van verzoeker bij behoud van het Nederlanderschap, zolang nog geen afgewogen rechterlijk oordeel is gegeven over het geschil in de bodemprocedure. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
13.1
Het voornaamste belang dat verweerder aandraagt voor onmiddellijke werking van de intrekking is dat door het plegen van het terroristisch misdrijf de band tussen Nederland en verzoeker niet langer kan bestaan. Verzoeker moet zich niet meer als Nederlander kunnen manifesteren en de aan het Nederlanderschap verbonden rechten kunnen uitoefenen.
13.2
De voorzieningenrechter stelt vast dat het standpunt van verweerder door algemene overwegingen is ingegeven. Dit weegt onvoldoende op tegen het belang van verzoeker bij schorsing van de intrekking. Verlies van nationaliteit is ingrijpend. Dat volgt al uit de aard van de maatregel. Het feit dat verzoeker op basis van zijn afgeleide verblijfsrecht tijdelijk in Nederland mag blijven, acht de voorzieningenrechter niet doorslaggevend. Of verzoeker al dan niet kan stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen, zoals ter zitting is bediscussieerd, is evenmin van beslissende betekenis.
13.3
De voorzieningenrechter hecht belang aan het feit dat eiser meer dan 20 jaar de Nederlandse nationaliteit heeft. Na zijn gevangenisstraf heeft hij meegewerkt aan zijn resocialisatie. De door verzoeker ingeschakelde reclasseringsdeskundige heeft bij rapportage van 26 april 2021 vastgesteld, dat verzoekers leefsituatie aanzienlijk stabieler is dan in de tijd van zijn uitreis naar Irak. Uit de laatste voortgangsrapportage van Reclassering Nederland van 2 juni 2021 blijkt ook van een positieve ontwikkeling. Die ontwikkeling heeft zich voortgezet. Hij woont met zijn vrouw en zijn minderjarige dochter in een stabiel gezinsverband. Hij heeft een vaste baan in een magazijn van een groothandel in farmaceutische goederen en beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag.
13.4
In het licht van deze stand van zaken en gelet op de complexe rechtsvragen die in de bodemprocedure moeten worden beslecht, stelt de rechtbank het belang van verzoeker bij het voorlopig behoud van zijn Nederlanderschap boven het belang bij een onmiddellijke doorbreking van de band met Nederland.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit. Dit betekent dat verweerder verzoeker moet behandelen als ware hij in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, zolang de beroepsprocedure loopt en tot zes weken nadat in de beroepsprocedure uitspraak is gedaan. Daarnaast moet verweerder het griffierecht vergoeden en een proceskostenvergoeding van € 1.868,- betalen. [2]

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit tot 6 weken na de uitspraak op het beroep;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan verzoeker te vergoeden;
- bepaalt dat verweerder een proceskostenvergoeding van € 1.868,- aan verzoeker betaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en op grond van artikel 83 jo Pro. 140a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
2.Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld, met toekenning van 1 punt voor de zitting en 1 punt voor het verzoek, een gemiddelde wegingsfactor en € 934,- per punt.