Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
19 november 2024 gevraagd om een leesbare geboorteakte van zijnkind, bankafschriften van juni, juli, augustus, september en oktober 2024, en indien mogelijk een definitieve belastingaangifte van 2023 en 2024 over te leggen. Eiser heeft de geboorteakte en de bankafschriften overgelegd. Eiser heeft de definitieve belastingaangiftes niet over kunnen leggen, omdat hij niet belastingplichtig is. Hieruit blijkt dat eiser wel inspanningen heeft verricht om de door verweerder verzochte informatie aan te leveren. Verweerder heeft eiser niet gevraagd om stukken over te leggen waaruit de zorg voor zijn gezin blijkt en heeft ook niet expliciet gevraagd om meer stukken over te leggen waaruit zijn werkzaamheden als monteur blijken. In het bestreden besluit wordt eiser echter wel tegengeworpen dat hij zijn werkzaamheden als monteur onvoldoende heeft onderbouwd en dat hij niet heeft onderbouwd dat hij kostwinner is en de financiële zorg draagt voor zijn gezin. Gelet op het specifieke verzoek van verweerder in de herstelverzuimbrief en het feit dat eiser de specifiek verzochte stukken wel heeft aangeleverd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit eiser niet in redelijkheid tegen heeft kunnen werpen. Naar het oordeel van de rechtbank had het hier juist op de weg van verweerder gelegen om een hoorzitting te houden. Op een hoorzitting had verweerder eiser kunnen vragen naar een nadere onderbouwing van de zorg voor zijn gezin en zijn werkzaamheden als monteur.
Conclusie
€ 934,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-.
mr.I.G.A. Karregat, griffier.