Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8213

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
09/106608-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 175 WVW 1994Art. 179 WVW 1994Art. 9 SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor aanmerkelijk onoplettend rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg

Op 7 april 2025 veroorzaakte de verdachte op de Wateringseweg te Delft een verkeersongeval door met zijn personenauto volledig op de verkeerde weghelft te rijden, waardoor hij frontaal botste met een tegemoetkomende bromfietser. Het slachtoffer liep zwaar lichamelijk letsel op, waaronder meerdere botbreuken en een amputatie.

De rechtbank heeft op 3 april 2026 het onderzoek ter terechtzitting gehouden waarbij de officier van justitie de bewezenverklaring van aanmerkelijk onoplettend rijgedrag vorderde. De verdediging pleitte primair vrijspraak en subsidiair vrijspraak van roekeloosheid. Bewijsmiddelen bestonden uit proces-verbalen, slachtofferverklaringen, forensisch onderzoek en medische rapporten.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet slechts een kort moment van onoplettendheid had, maar aanmerkelijk onoplettend had gereden door op een bochtig en onoverzichtelijk stuk weg volledig op de verkeerde weghelft te komen en het slachtoffer niet tijdig te zien. Dit gedrag was de oorzaak van het ongeval en het zware letsel van het slachtoffer.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een onvoorwaardelijke rijontzegging van zes maanden. De ernst van het letsel en de omstandigheden maakten een voorwaardelijke ontzegging niet passend. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn blindheid aan één oog en mantelzorgtaken, wogen niet zwaar genoeg om van de landelijke oriëntatiepunten af te wijken.

De uitspraak werd gewezen door mr. dr. C. Hofman, voorzitter, mr. J. Snoeijer en mr. G. Kuijper, rechters, op 3 april 2026 te Den Haag.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur taakstraf en zes maanden rijontzegging wegens aanmerkelijk onoplettend rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/106608-25
Datum uitspraak: 3 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A. Kamphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. S. van der Eijk naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 7 april 2025 te Delft als verkeersdeelnemer, namelijk als
bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de
Wateringseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans
aanmerkelijk,onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:
verdachte,
- heeft niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en/of onvoldoende
aandacht gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
- heeft zijn motorrijtuig niet voortdurend onder controle gehouden en/of
- heeft niet zoveel mogelijk rechts gereden tengevolge waarvan hij met zijn
motorrijtuig op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen
en niet in staat is geweest een hem tegemoetkomende bromfiets te ontwijken
waardoor hij (frontaal) in botsing is gekomen met die bromfiets,
waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten:
een of meerdere gebroken ruggenwervels en/of een of meerdere beenbreuken en/of
een breuk in de polsgewrichten en/of een of meerdere gebroken
middenhandsbeenderen en/of een of meerdere breuken in de enkel en/of een of
meerdere gebroken middenvoetsbeenderen en/of een gebroken teen,
of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de
uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 april 2025 te Delft als verkeersdeelnemer, namelijk als
bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de
Wateringseweg, als volgt te handelen:
verdachte,
- heeft niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en/of onvoldoende
aandacht gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of - heeft
zijn motorrijtuig niet voortdurend onder controle gehouden en/of
- heeft niet zoveel mogelijk rechts gereden tengevolge waarvan hij met zijn
motorrijtuig op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen
en niet in staat is geweest een hem tegemoetkomende bromfiets te ontwijken
waardoor hij (frontaal) in botsing is gekomen met die bromfiets,
waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten: een of
meerdere gebroken ruggenwervels en/of een of meerdere beenbreuken en/of een
breuk in de polsgewrichten en/of een of meerdere gebroken
middenhandsbeenderen en/of een of meerdere breuken in de enkel en/of een of
meerdere gebroken middenvoetsbeenderen en/of een gebroken teen, heeft
bekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte primair vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit en subsidiair vrijspraak bepleit van het onderdeel roekeloosheid. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500- 2025112324, van de politie eenheid Den Haag, Dienst regionale operationele samenwerking (DH), afdeling infrastructuur (DH), Team verkeer (DH), met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 39) en het proces-verbaal FO verkeer (apart genummerd, p. 1 t/m 37).
1. Het proces-verbaal van aanrijding misdrijf, opgemaakt op 9 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 2):
De aanrijding vond plaats op de Wateringsweg, gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Delft, in de woonplaats Delft.
Betrokkene 1 [verdachte] reed als bestuurder van een personenauto van het merk Citroen, type Cl, kleur Grijs en voorzien van het kenteken [kenteken 1] over de Wateringseweg, komende uit de richting van de Vrijebanselaan. Delft.
Betrokkene 2 [slachtoffer] reed als bestuurder van een Bromfiets van het merk Sym, type Fiddle voorzien van het kenteken [kenteken 2] over de Wateringseweg, komende vanaf de Lange Kleijweg, Rijswijk.
Betrokken 1 [verdachte] reed niet zo veel mogelijk rechts en sneed de bocht af. Hij reed op de rijstrook voor het tegemoet komende verkeer en raakte met de linker voorzijde van zijn voertuig betrokkene 2 [slachtoffer] welke hem tegemoet kwam. [slachtoffer] kon een aanrijding niet meer voorkomen.
Op deze locatie geldt een maximum snelheid van 50 kilometer per uur. Ten tijden van de aanrijding was de weersgesteldheid droog en er was sprake van duisternis door de aflopende nacht.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 april 2025, voor zover inhoudende (p. 10):
Ik, verbalisant [verbalisant] , was op maandag 7 april 2025 omstreeks 05.50 uur, ter plaatse op de Wateringseweg te Delft.
Ter plaatse zag ik de bestuurder van de snorfiets liggen op de rijstrook, rijrichting vanaf Rijswijk naar Delft. Ik zag dat op dezelfde rijstrook de scooter van hem lag. Deze lag op circa 25 meter van het slachtoffer. Vlak naast de scooter stond de personenwagen. Ik zag dat deze op de rijstrook in de rijrichting naar Rijswijk stond.
Ik liep naar het slachtoffer, welk later bleek te zijn: [slachtoffer] .
Ik hoorde hem uitschreeuwen van de pijn. Ik zag dat hij verder roerloos op de grond bleef liggen. Ik zag dat zijn linker onderbeen geheel verdraaid ten opzichte van zijn bovenbeen.
Ik vroeg aan het slachtoffer of hij mij kon vertellen wat er gebeurd was. Ik hoorde hem zeggen dat hij op zijn scooter reed in de richting van Delft. Hij verklaarde aan mij dat er plots een personenwagen door de bocht kwam en dat deze geheel op de verkeerde weghelft reed en dat hij dus recht op het slachtoffer, welk op zijn eigen weghelft reed, afgereden kwam. Hierdoor ontstond een frontale aanrijding. Slachtoffer verklaarde op zijn eigen helft gereden te hebben en dat de auto spook reed.
3. Het proces-verbaal van verhoor van slachtoffer, opgemaakt op 21 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 19):
V: Kunt u vertellen wat er volgens u gebeurd is waardoor het ongeval is ontstaan?
A: Vanaf het moment dat ik de Wateringseweg op rij, zag ik de tegenpartij al aan komen rijden. Ik zag de koplampen. Ik hield er al rekening mee dat er automobilisten zijn die de bocht afsnijden mijn kant op. Ik hield daarom al zo veel mogelijk rechts. Ik zie hem de bocht om komen, ik zag de koplampen en ik zag dat hij al op mijn weghelft reed. Ik weet dat ik van schrik nog in hield en meer weet ik niet.
V: Was er ter plaatse van het verkeersongeval openbare, of andere straatverlichting en brandde die?
A: Ja.
V: Had u verlichting aan door op het door u bestuurde voertuig?
A: Ja.
V: Met welke snelheid reed u tijdens het verkeersongeval?
A:In die bocht zit een brug dus daar ben ik alert, het zal ongeveer 25 km/u zijn geweest.
V:Wat was u plaats op de weg tijdens het verkeersongeval?
A:Dat was aan de rechtskant van mijn weghelft, tegen de belijning aan van de fietsstrook.
V: Wie is er volgens u verantwoordelijk voor het ontstaan van het verkeersongeval?
A: Hij, de tegenpartij. Toen ik de weg op reed zag ik hem al aan komen en hij moest mij ook wel zien. Hij reed met vier wielen op mijn weghelft.
4. Het proces-verbaal FO verkeer, opgemaakt op 25 juni 2025, voor zover inhoudende (apart genummerd, p. 9, 13, 35):
Wegsituatie
Wij zagen dat de Wateringseweg:
- op de plaats van het verkeersongeval een bocht naar links en naar rechts beschreef.
Sporen op de weg
Wij zagen op de rijbaan van de Wateringseweg:
- Spoornummer 0: bandenspoor afgetekend door het linker voorwiel van de personenauto
Toedracht
De personenauto had gereden over de Wateringseweg, komende uit de richting van de Vrijenbanselaan en gaande in de richting van de Lange Kleiweg. De bromfiets had gereden over de Wateringseweg, komende uit de richting van de Lange Kleiweg en gaande in de richting van de Vrijenbanselaan. Kort voor de Kolenhavenbrug, gezien vanuit de rijrichting van de personenauto, kwam de personenauto, op de weghelft bestemd voor de bromfiets, met de linker voorzijde in botsing met de voorzijde van de bromfiets. Hierbij tekenden beide voertuigen banden- en krassporen af op het wegdek. Beide voertuigen kwamen tot stilstand op de Wateringseweg. Als gevolg van de botsing was de bestuurder van de bromfiets zwaargewond geraakt en overgebracht naar het ziekenhuis.
Oorzaak
Uit ons onderzoek is gebleken dat de bestuurder van de personenauto zich niet op de juiste plaats op de weg bevond. Door ons kon worden uitgesloten dat beide bestuurders met hun voertuig geen verlichting voerden en daardoor slecht zichtbaar waren. Door ons kon worden uitgesloten dat een technisch defect bij beide voertuigen het verkeersongeval veroorzaakt had.
5. Het geschrift, te weten de letselbeschrijving [slachtoffer] , opgemaakt op 9 juli 2025 door [naam] , AIOS Forensische Geneeskunde, GGD Hollands Midden, voor zover inhoudende (p. 39):
Er was sprake van twee gebroken ruggenwervels (Th10 en L4), een breuk van het linker bovenbeen richting de linkerknie en rechterknie, letsel van de buitenste knieband, twee gebroken polsen, twee breuken in de linker enkel, meerdere breuken in de linker middenvoetsbeenderen, een gebroken linker grote teen en twee gebroken middenhandsbeenderen. Er zijn vijf operatieve ingrepen uitgevoerd opvier verschillende dagen (7, 11, 17 en 28 april 2025), waarbij voornamelijk botdelen van de breuken aan elkaar zijn vastgezet middels schroeven en platen. Daarnaast is de buitenste linker knieband opnieuw vastgezet en heeft amputatie plaatsgevonden van de linker grote teen. De herstelduur betreft minimaal 6 weken tot 3 maanden, met naar verwachting nog enkele weken tot maanden langer vanwege een revalidatietraject. Er zal géén volledig herstel plaatsvinden vanwege de amputatie van de linker grote teen. Bij het overige letsel bestaat een grote kans op volledig herstel. Er kan geen uitspraak worden gedaan over het volledig herstel van de breuken van de ruggenwervels. Dit is afhankelijk van de bijkomende klachten en individuele fysieke kenmerken van de betrokkene.
6. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 maart 2026, voor zover inhoudende:
Ik denk dat ik te veel naar links ben uitgeweken. Ik heb de scooter niet gezien. Het ging echt in een flits van een seconde. Het enige dat ik weet is dat het gebeurde.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Juridisch kader
Bij de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid gesteld kan worden dat één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van bedoelde bepaling. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voor schuld is derhalve meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en oplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag in strijd met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Gedragingen en omstandigheden van het geval
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte afreed op een bocht en dat hij bij het indraaien vervolgens met alle vier de wielen van het voertuig op de verkeerde weghelft is gekomen. Op dat moment reed het tegemoetkomende slachtoffer op zijn scooter diezelfde bocht in. Het slachtoffer reed hierbij op zijn eigen weghelft. Doordat de verdachte zich met zijn auto op de verkeerde weghelft bevond, kon hij niet meer stoppen en heeft hij het slachtoffer aangereden. Gebleken is dat beide voertuigen geen technisch mankement hadden en beiden verlichting voerden, waardoor ze ook niet slecht zichtbaar waren.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro
De rechtbank overweegt verder dat een bestuurder door een moment van onoplettendheid even een klein stukje op de verkeerde weghelft kan terechtkomen. Een dergelijke verkeersfout levert niet automatisch de conclusie op dat bij van een verkeersongeval sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW Pro 1994.
In dit geval is er echter meer aan de hand. De verdachte is op de verkeerde weghelft terechtgekomen terwijl hij de bocht nam, op een bochtig, onoverzichtelijk stuk van de weg, waarbij hij rekening had moeten houden met tegemoetkomend verkeer.
In tegenstelling tot wat de verdachte zelf heeft verklaard, is hij met zijn auto niet een klein stukje op de verkeerde weghelft terechtgekomen, maar volledig. Sterker nog: verdachte stond na het ongeval met zijn wielen dicht tegen de strook aan van het fietspad voor het tegemoetkomende verkeer, zo blijkt uit het sporenbeeld opgenomen in het proces-verbaal van forensisch onderzoek. Dat maakt deze gedraging (de stuurbeweging naar links) aanmerkelijk onvoorzichtig.
Daarnaast heeft de verdachte het slachtoffer niet tijdig opgemerkt, hoewel de scooter licht voerde, en dus goed zichtbaar was. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij het voertuig in de verte al zag aankomen, en daarom zoveel mogelijk rechts is gaan rijden. Daaruit leidt de rechtbank af dat de verdachte het slachtoffer ook al geruime tijd had moeten opmerken. Dat hij dat niet heeft gedaan, tekent zijn onoplettendheid.
Gelet op het geheel van de hiervoor beschreven gedragingen van verdachte is de rechtbank van oordeel dat niet gesproken kan worden van een kort moment van onoplettendheid, maar dat sprake is van aanmerkelijk onoplettend gedrag. Dat maakt dat het ongeval aan de schuld van verdachte, als bedoeld in artikel 6 WVW Pro, is te wijten.
De rechtbank ziet, evenals de officier van justitie, geen reden om te oordelen dat er sprake is van een ernstiger mate van schuld, te weten zeer onvoorzichtig of onoplettend rijgedrag, of roekeloos rijden. Voor dat gedeelte van de tenlastelegging zal de rechtbank de verdachte vrijspreken.
Letsel
Ten gevolge van de aanrijding heeft het slachtoffer letsel opgelopen, waaronder een tiental botbreuken. Hij heeft vijf operaties moeten ondergaan in de periode van één maand en zijn linker grote teen moest worden geamputeerd. Dat dit letsel te kwalificeren valt als zwaar lichamelijk letsel is evident en staat niet ter discussie.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat verdachte aanmerkelijk onoplettend heeft gereden en daarmee schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het primair ten laste gelegde feit is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 7 april 2025 te Delft als verkeersdeelnemer, namelijk als
bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de
Wateringseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden door
aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, als volgt te handelen:
verdachte,
- heeft niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en onvoldoende
aandacht gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en
- heeft zijn motorrijtuig niet voortdurend onder controle gehouden en
- heeft niet zoveel mogelijk rechts gereden tengevolge waarvan hij met zijn
motorrijtuig op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen
en niet in staat is geweest een hem tegemoetkomende bromfiets te ontwijken
waardoor hij (frontaal) in botsing is gekomen met die bromfiets,
waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten:
meerdere gebroken ruggenwervels en meerdere beenbreuken en
een breuk in de polsgewrichten en meerdere gebroken
middenhandsbeenderen en meerdere breuken in de enkel en
meerdere gebroken middenvoetsbeenderen en een gebroken teen.;

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor de duur van zes maanden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen, gecombineerd met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Hij is met zijn voortuig op de verkeerde weghelft terecht gekomen toen hij de bocht nam, waardoor hij een onaanvaardbaar risico genomen heeft en de verkeersveiligheid van medeweggebruikers op ernstige wijze in gevaar gebracht. Dat risico heeft zich verwezenlijkt nu er een verschrikkelijk ongeval heeft plaatsgevonden, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Het verkeersongeval, zo is gebleken uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] , heeft zeer ingrijpende gevolgen voor zijn verdere leven. Hij wordt nog steeds – bijna een jaar na dato – dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van het ongeluk en het is nog maar zeer de vraag of hij ooit weer in staat is om het werk uit te voeren dat hij deed voor het ongeluk. Op dit moment kan hij slechts een paar uur per week werken en is hij zeer beperkt in de activiteiten die hij fysiek aan kan.
De rechtbank overweegt in positieve zin dat de verdachte ter terechtzitting uitgebreid zijn spijt heeft betuigd aan het slachtoffer, zich direct tot hem gewend heeft, en blijk heeft gegeven van inzicht in de gevolgen van zijn handelen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 februari 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die ter terechtzitting zijn toegelicht. Zo is de verdachte sinds twee jaar blind aan één oog, maar heeft hij wel de noodzakelijke doktersonderzoeken gehad en is gebleken dat hij mag autorijden. Verder is de verdachte arbeidsongeschikt verklaard en leeft hij van een uitkering. De verdachte heeft verklaard dat hij mantelzorger is voor zijn grootouders die in Maastricht wonen. Daarom heeft verdachte naar eigen zeggen zijn rijbewijs nodig, omdat hij in staat moet zijn om met de auto naar hen toe te gaan.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en een slachtoffer met zwaar lichamelijk letsel, wordt ingevolge deze oriëntatiepunten als uitgangspunt een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om van voornoemde oriëntatiepunten af te wijken. Een voorwaardelijke rijontzegging, zoals verzocht door de raadsman, acht de rechtbank niet passend, gelet op de ernst van het ongeval en het opgelopen letsel door het slachtoffer. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte zijn, hoewel invoelbaar, niet voldoende zwaarwegend om van de oriëntatiepunten af te wijken.
De rechtbank acht daarom de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 22 c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van
120 UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
60 DAGEN;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van
ZES MAANDEN;
bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging.
Dit vonnis is gewezen door
mr. dr. C. Hofman, voorzitter,
mr. J. Snoeijer, rechter,
mr. G. Kuijper, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. I. Verhagen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2026.