Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8214

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
09/246023-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 175 WVWArt. 179 WVWArt. 9 SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel

Op 7 april 2025 veroorzaakte de verdachte met een landbouwtractor een verkeersongeval op een voetgangersoversteekplaats in Zevenhuizen, waarbij een voetganger zwaar lichamelijk letsel opliep, waaronder meerdere botbreuken en een klaplong.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte onvoldoende aandacht had voor het verkeer en het slachtoffer niet tijdig zag, mede doordat het zicht enigszins werd belemmerd door de tractorconstructie. De verdachte reed bovendien met een verlopen rijbewijs. Getuigenverklaringen en camerabeelden bevestigden het onoplettende rijgedrag.

De rechtbank kwalificeerde het gedrag als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend in de zin van artikel 6 WVW Pro, maar sprak de verdachte vrij van ernstiger schuld zoals roekeloosheid. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur, een geldboete van €3.000,- en een onvoorwaardelijke rijontzegging van zes maanden. De taakstraf kan worden vervangen door 30 dagen hechtenis bij niet-naleving.

De strafmaat werd mede bepaald door de ernst van het letsel, het ontbreken van eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn fysieke beperkingen en het feit dat hij nog werkt. De rechtbank vond de opgelegde straf passend en geboden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 60 uur taakstraf, €3.000 boete en 6 maanden onvoorwaardelijke rijontzegging wegens aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/246023-25
Datum uitspraak: 3 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1950 te [woonplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 29 december 2025 (regie) en 23 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.T. Verweijen en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 7 april 2025 te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (tractor), daarmee
rijdende op de weg, de Burgemeester Klinkhamerweg,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,
onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:
Verdachte
- heeft onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter
plaatse en/of
- heeft geen voorrang verleend aan een zich op de voetgangersoversteekplaats
bevindende voetganger en/of
- heeft zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht over de afstand dat de weg vrij
en te overzien was, ten gevolge waarvan hij in botsing is gekomen met [slachtoffer] ,
waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten:
een of meerdere breuken in de bovenarm (met schade aan de radiale zenuw) en/of
(meerdere) gebroken ribben en/of een klaplong en/of een of meerdere botbreuken
aan het hoofd,
of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de
uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 april 2025 te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (tractor), daarmee
rijdende op de weg, de Burgemeester Klinkhamerweg, als volgt te handelen:
Verdachte
- heeft onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter
plaatse en/of
- heeft geen voorrang verleend aan een zich op de voetgangersoversteekplaats
bevindende voetganger en/of
- heeft zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht over de afstand dat de weg vrij
en te overzien was, ten gevolge waarvan hij in botsing is gekomen met [slachtoffer] ,
waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten:
een of meerdere breuken in de bovenarm (met schade aan de radiale zenuw) en/of
(meerdere) gebroken ribben en/of een klaplong en/of een of meerdere botbreuken
aan het hoofd, heeft bekomen,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, en zich op het standpunt gesteld dat de schuld van de verdachte bestaat uit aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer niet gezien heeft, omdat zijn aandacht gericht was op een andere verkeersdeelnemer, dat hij op het moment dat hij haar zag heeft geremd maar dat hij niet meer heeft kunnen voorkomen dat hij haar aanreed.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen opgenomen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025112478, van de politie eenheid Den Haag, Dienst regionale operationele samenwerking (DH), afdeling infrastructuur (DH), Team verkeer (DH), met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 32) en het proces-verbaal FO Verkeer, apart genummerd p. 1 t/m 16).
1. Het proces-verbaal van aanrijding misdrijf, opgemaakt op 7 september 2025, voor zover inhoudende (p. 1-2):
Verkeersongeval vond plaats op de Burg. Klinkhamerweg, vlak voor de kruising met de De Opril te Zevenhuizen. Voor het kruisingsvlak ligt een voetgangersoversteekplaats (VOP). De confrontatie was tussen een bestuurder van een landbouwvoertuig met aanhangwagen en een voetganger welke op de VOP liep.
De landbouwtrekker had een hulpstuk aan de voorzijde wat mogelijk het zicht kan
belemmeren voor de bestuurder hiervan. De voetganger bewoog zich voort met behulp van een rollator.
Betrokkene 1: bestuurder van een landbouwtrekker: [kenteken 1] , plus aanhangwagen: [kenteken 2] : [verdachte]
Betrokkene 2: Voetganger: [slachtoffer]
Betrokkene 1 reed op de Burg. Klinkhamerweg uit de richting van de Zuidplasweg en gaande in de richting van de Swanlaweg voornemens de kruising recht over te rijden. Betrokkene 2 liep uit de richting van de Dorpsstraat en was voornemens op de Burg. Klinkhamerweg over te steken via de VOP in de richting van de Potgietersingel. Betrokkene 2 liep op de VOP en werd aangereden door Betrokkene 1. Hierdoor is Betrokkene 2 gevallen en heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 april 2025, voor zover inhoudende (p. 19):
Op 8 april 2025 omstreeks 15:55 uur was ik, verbalisant [verbalisant] , belast met het
uitluisteren en vastleggen van het getuigenverhoor wat ik zelf op 7 april 2025
opgenomen had. Dit getuigenverhoor vond plaats met getuige [getuige] , geboren [geboortedatum 2] 1969 te [geboorteplaats] .
V: Het is vandaag maandag 7 april, kunt u vertellen hoe laat u vandaag aan het
verkeer deelnam?
G: Ja, twee over half 10 heb ik gebeld. Ik reed achter deze tractor en ik zag een
mevrouw hier het zebrapad oplopen met haar rollator. En ik dacht al nou dan moet ie wel gaan remmen maar hij remde veel te laat om uiteindelijk te stoppen. Dus hij reed over de mevrouw heen. Hij remde ook wel maar hij remde veel te laat. Want hij had natuurlijk daar al moeten stoppen. Het was ook heel veel overzicht hij had het gewoon prima kunnen zien. Ik zag haar ook aankomen. Ik remde ook af.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 april 2025, voor zover inhoudende (p. 26):
Op maandag 7 april 2025 vond er een verkeersongeval plaats tussen een bestuurder van een landbouwtrekker met aanhangwagen en een voetganger. De voetganger liep op een voetgangersoversteekplaats (VOP) nabij de kruising van De Opril met de Brug. Klinkhamerweg te Zevenhuizen.
Van dit verkeersongeval zijn camerabeelden van perceel Swanlaweg 88 te Zevenhuizen waarop het ongeval te zien is.
Bovenin, midden in beeld komt slachtoffer met rollator aan lopen, op dat moment rijdt er (achter slachtoffer) een witte bestelbus aanrijden die de kruising overrijdt.
Op 00:23, tijdsaanduiding player, loopt slachtoffer net voor de VOP.
Op 00:27 loopt slachtoffer de VOP op en komt van links (naar rechts) in beeld de
bestuurder van de landbouwtrekker aan rijden.
Op 00:30 vindt de confrontatie plaats en wordt slachtoffer aangereden.
4. De eigen waarneming van de rechtbank gedaan op de terechtzitting van 23 maart 2026, van hetgeen op de hiervoor genoemde camerabeelden is te zien vanaf 00:15, namelijk dat het slachtoffer tot aan het moment van oversteken langzaam over het voetpad loopt dat parallel ligt aan de weg waarop de verdachte rijdt, in hem tegemoetkomende richting.
5. Het proces-verbaal van FO verkeer, opgemaakt op 11 augustus 2025, voor zover inhoudende (apart genummerd, p. 4, 10-11):
Op verzoek van [naam 1] , werkzaam als aanrijdingsselecteur bij de politie Eenheid Den Haag, kwamen wij ter plaatse en stelden wij op maandag 7 april 2025, omstreeks 10.23 uur, een onderzoek in naar de toedracht van het verkeersongeval.
Wij zagen het volgende: de VOP werd aangeduid middels verkeersbord L2 van bijlage 1 van het RVV1990.
Wij zagen dat het tijdens ons onderzoek ter plaatse helder weer was. Wij zagen dat de zon scheen.
Wij hadden geen redenen om aan te nemen dat de omstandigheden met betrekking tot het weer tijdens het verkeersongeval anders zouden zijn geweest.
Met betrekking tot de stand van de zon zagen wij dat deze niet van invloed was geweest op het zicht van de bestuurder van de tractor in de richting van de voetganger. De zon scheen achter de tractor.
Wij stelden vast dat het zicht voor de betreffende betrokkenen door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg niet belemmerd werd.
Wij stelden vast dat het zicht van de bestuurder van de tractor in de richting van de voetganger door de voertuigconstructie van de tractor en de voorlader enigszins belemmerd werd.
6. Het geschrift, te weten de letselbeschrijving [slachtoffer] , opgemaakt op 16 juli 2025 door [naam 2] , AIOS Forensische Geneeskunde, GGD Hollands Midden, voor zover inhoudende (p. 27-28):
1. Onderzoek, waargenomen letsel en behandeling
Mw. [slachtoffer] wordt werd op 07-04-2025 medisch beoordeeld op de Spoedeisende Hulp van het Erasmus Medisch Centrum (EMC) te Rotterdam, waarbij middels lichamelijk onderzoek en radiologisch onderzoek het volgende letsel is geconstateerd:
  • Een botbreuk in de bovenarm rechts met op z'n minst tijdelijke schade aan de radiale zenuw,
  • een van de belangrijke zenuwen van de arm (n. radialis);
  • Meerdere botbreuken van de ribben links (rib 3 tot en met 10) met verplaatsing van
botfragmenten;
  • Een klaplong met kleine hoeveelheid bloed in de borstkas (hematopneumothorax);
  • Een botbreuk aan de linkerzijde van de schedel (os temporale) met geringe hoeveelheid bloed tussen de hersenen en hersenvliezen en beide hersenhelften;
  • Een scheurwond aan de linkerzijde van het hoofd;
  • Een bloeduitstorting rechts op het voorhoofd;
  • Een breuk van het bot direct achter het rechteroor;
  • Een mogelijke scheur in het rechter trommelvlies.
Er was sprake van een botbreuk van de rechterbovenarm waarvoor hoogstwaarschijnlijk een operatieve ingreep noodzakelijk was. Er was sprake van meerdere gebroken ribben en een klaplong, op twee plaatsen een breuk in het schedelbot, een bloeduitstorting, een scheurwond en een mogelijke scheur in het rechter trommelvlies. Er is géén informatie bekend over de genezing(sduur) van deze letsels. In het algemeen kan volledige genezing worden verwacht binnen enkele maanden van al het genoemde letsel. Echter is het ook mogelijk dat Mw. [slachtoffer] niet volledig hersteld; zoals door littekenvorming ter plaatse van de operatieve ingreep aan de rechterbovenarm en de scheurwond.
7. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 23 april 2025, voor zover inhoudende (p. 8):
V: Is dit een geldig rijbewijs?
A: Het rijbewijs is nu verlopen.
V: Weet u vanaf wanneer het verlopen is?
A: Vanaf 1 april 2025.
8. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 maart 2026, voor zover inhoudende:
Ik was onderweg met een vracht. De weg is mij bekend. Er kwam een vrachtwagen van links. Daar lette ik teveel op. Die ging voor mij heen van me af. Het moment dat ik voor mij kijk, zie ik een vrouw voor mijn tractor lopen die ik bijna al aangereden had. Ik heb geremd met alles wat ik had. Ik heb gezien dat ik haar aangereden heb. Het klopt dat ik pas begon te remmen toen ik haar zag en al bijna bij haar was. De afstand tussen mij en haar was toen ongeveer een meter. Het klopt dat ik een verlopen rijbewijs had.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Juridisch kader
De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of verdachte door zijn gedraging schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet (WVW), en zo ja, in welke mate.
Bij de beoordeling daarvan komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro is sprake wanneer de verdachte zich roekeloos, dan wel in hoge of aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft geen schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro op te leveren. Het rijgedrag van verdachte moet voor het vaststellen van (de mate van) schuld worden afgezet tegen dat wat van de gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro.
De gedragingen van de verdachte en de omstandigheden van het geval
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Ten tijde van het ongeval was het helder en droog. De kruising was overzichtelijk en de voetgangersoversteekplaats waar het ongeval plaatsvond werd aangeduid middels een verkeersbord. Het slachtoffer liep – voorafgaand aan het ongeval – gedurende minimaal acht seconden langzaam en duidelijk zichtbaar in de richting van de voetgangersoversteekplaats.
Tussen het moment waarop het slachtoffer voor de voetgangersoversteekplaats staat en het daadwerkelijk beginnen met oversteken verstreken ook nog eens vier seconden. De verdachte reed met zijn tractor, op een voor hem bekende weg, richting de voetgangersoversteekplaats en had zijn aandacht op een andere verkeersdeelnemer die op de daarachter gelegen kruising reed. Hij heeft het slachtoffer, dat zich inmiddels op de voetgangersoversteekplaats bevond, niet op tijd gezien, ook niet op tijd geremd, waarop de aanrijding plaatsvond.
De forensisch onderzoekers hebben geconcludeerd dat het zicht van de verdachte in de richting van de voetganger door de voertuigconstructie van de tractor en de voorlader enigszins belemmerd werd.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat externe factoren geen rol van betekenis hebben gespeeld bij het ontstaan van het ongeval. De verdachte had, als hij goed had gekeken, het slachtoffer ruim op tijd kunnen zien, lopend in de richting van de voetgangersoversteekplaats en aanstalten makend om over te steken, en had zijn rijgedrag daarop kunnen aanpassen en zodoende een ongeval kunnen voorkomen. Dit wordt ook bevestigd door getuige F.G. van Weerd, die heeft verklaard dat hij het slachtoffer al had gezien, terwijl hij achter de verdachte reed, en remde.
(Mate van) schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro
Dit laat geen andere conclusie dan dat de verdachte secondenlang onvoldoende aandacht heeft gehad voor het naderende en overstekende slachtoffer. Vanwege dat tijdsverloop is er sprake van meer dan slechts een enkel moment van onoplettendheid.
Deze onoplettendheid is des te meer verwijtbaar, nu er vanwege de verkeerssituatie juist extra oplettendheid geboden was. De verdachte, rijdend in een grote tractorcombinatie met voorlader, naderde immers een voetgangersoversteekplaats, een plek waar kwetsbare verkeersdeelnemers – voetgangers – de weg kruisen. Dat de verdachte reed zonder geldig rijbewijs, zodat niet zonder meer kon worden uitgegaan van zijn rijgeschiktheid, draagt bij aan de verwijtbaarheid.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedrag. Dat maakt dat het ongeval aan de schuld van verdachte, als bedoeld in artikel 6 WVW Pro, is te wijten.
De rechtbank ziet, evenals de officier van justitie, geen reden om te oordelen dat er sprake is van een ernstiger mate van schuld, te weten zeer onvoorzichtig of onoplettend rijgedrag, of roekeloos rijden. Voor dat gedeelte van de tenlastelegging zal de rechtbank de verdachte vrijspreken.
Letsel
Aan de aanrijding heeft het slachtoffer letsel overgehouden, waaronder een klaplong, een gebroken arm, meerdere gebroken ribben en meerdere breuken in haar schedel. Dat dit letsel te kwalificeren valt als zwaar lichamelijk letsel staat niet ter discussie.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat verdachte aanmerkelijk onoplettend heeft gereden en daarmee schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het primair ten laste gelegde feit is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 7 april 2025 te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (tractor), daarmee
rijdende op de weg, de Burgemeester Klinkhamerweg,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden door aanmerkelijk,
onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:
Verdachte
- heeft onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie ter
plaatse en
- heeft geen voorrang verleend aan een zich op de voetgangersoversteekplaats
bevindende voetganger en
- heeft zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht over de afstand dat de weg vrij
en te overzien was, ten gevolge waarvan hij in botsing is gekomen met [slachtoffer] ,
waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten:
een breuk in de bovenarm (met schade aan de radiale zenuw) en
meerdere gebroken ribben en een klaplong en meerdere botbreuken
aan het hoofd, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de
uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 3.000,-, subsidiair 30 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft verklaard dat hij bij oplegging van een straf liever een boete betaalt, dan een taakstraf uitvoert.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
Verdachte heeft door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij een kwetsbare verkeersdeelnemer, namelijk met een hoge leeftijd, zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het mag een klein wonder heten dat zij het ongeluk heeft overleefd en inmiddels grotendeels hersteld is. Door zo te handelen heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en heeft hij de veiligheid van andere verkeersdeelnemers in gevaar gebracht. De rechtbank benadrukt hierbij in het bijzonder de omstandigheid dat de verdachte is gaan rijden met een verlopen rijbewijs. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij de brief dat zijn rijbewijs per 31 maart van dat jaar zou verlopen ruim op tijd heeft gehad, maar dat hij te laat in actie is gekomen om te voorkomen dat zijn rijbewijs zou verlopen.
De houding van de verdachte geeft blijk van laksheid en de rechtbank is van oordeel dat hij zijn deelname aan het verkeer niet serieus genoeg neemt.
De rechtbank rekent hem dit aan. In positieve zin merkt de rechtbank op dat de verdachte zijn uiterste best heeft gedaan om zijn spijt te betuigen richting het slachtoffer en te informeren hoe het met haar gaat.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat er sprake is van schuld in de zin van aanmerkelijke onoplettendheid en onvoorzichtigheid. Dit is, in de zin van artikel 6 WVW Pro, de laagste schuldgradatie. De rechtbank zal dit in de strafmaat meewegen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 november 2025. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals hij die ter terechtzitting heeft toegelicht. Zo werkt hij nog een paar uur per dag en heeft hij in dat kader zijn rijbewijs nodig. Voorts heeft hij twaalf jaar geleden een herseninfarct gehad, waardoor hij een drain in zijn hoofd heeft en waardoor hij veel minder energie heeft dan voorheen. Ook heeft hij te kennen gegeven dat zijn lichaam versleten is na jarenlang zwaar fysiek werk.
Strafoplegging
De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) gaan voor een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel, waarbij geen alcoholgebruik aan de orde is en waarbij de categorie “aanmerkelijke schuld” bewezen wordt verklaard, uit van een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om van de oriëntatiepunten af te wijken, zij het wel in mindere mate dan de officier van justitie in zijn eis tot uitdrukking heeft gebracht.
Dat de verdachte fysiek beperkt belastbaar is (onder meer vanwege zijn leeftijd), betekent nog niet dat de verdachte helemaal geen taakstraf kan uitvoeren. De verdachte heeft zelf immers verklaard dat hij nog parttime werkt. De reclassering heeft vele mogelijkheden om passend werk te vinden dat geschikt is voor de fysieke belastbaarheid van de verdachte.
Wat betreft de rijontzegging ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om af te wijken van het oriëntatiepunt. De verdachte is bewust gaan rijden met een verlopen rijbewijs en heeft een ongeluk veroorzaakt dat voorkomen had kunnen worden. Dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor het uitvoeren van zijn werk, en de inkomsten hieruit goed kan gebruiken, komt naar het oordeel van de rechtbank voor eigen rekening en risico.
De rechtbank acht, alles afwegende, dat een taakstraf voor de duur van 60 uren te vervangen door 30 dagen hechtenis, een geldboete van € 3.000,-, en een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 6 maanden passend en geboden is.
Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 22 c, 22d, 23, 24c van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van
60 UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
30 DAGEN;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een geldboete van
€ 3.000,-;
bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen
door hechtenis voor de tijd van
30 dagen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van
ZES MAANDEN.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Kuijper, voorzitter,
mr. J. Snoeijer, rechter,
mr. dr. C. Hofman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. I. Verhagen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2026.