ECLI:NL:RBDHA:2026:822

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL25.4499
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument op basis van afgeleid verblijfsrecht en K.A.-arrest

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 14 januari 2026, wordt de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een document dat zijn afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 20 van het VWEU bevestigt, behandeld. Eiser, een Surinaamse nationaliteit, had een aanvraag ingediend na zijn huwelijk met een Nederlandse referente. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven, omdat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het K.A.-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank concludeert dat de afwijzing niet in strijd is met de artikelen 3 en 8 van het EVRM, en dat er geen reden is om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. Eiser heeft geen bewijsstukken overgelegd die zijn stellingen onderbouwen, en de rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft afgezien van het horen van eiser in bezwaar, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de aanvraag in stand blijft en eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4499

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 mei 2018 in de zaak K.A., ECLI:EU:C:2017:821 (het K.A.-arrest). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing in stand kan blijven
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 en 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend tot afgifte van een document waaruit een afgeleid verblijfsrecht blijkt op grond van artikel 20 van het VWEU en het K.A.-arrest. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 23 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door [naam] en zijn gemachtigde. Namens verweerder is gemachtigde van verweerder ter zitting verschenen.

(Totstandkoming van) het bestreden besluit

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1982 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiser heeft op 31 mei 2023 een visum voor kort verblijf voor Nederland ontvangen en hij heeft op 8 mei 2024 de nu voorliggende aanvraag ingediend. Hij wil rechtmatig verblijf bij zijn Nederlandse echtgenote, [naam] (hierna: referente).
4. Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat de familierechtelijke relatie tussen eiser en referente -anders dan in het primaire besluit het geval was- wordt aangenomen vanwege hun huwelijk op 23 december 2024. Echter, niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het K.A.-arrest. De afwijzing is niet in strijd met de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar, is van horen in bezwaar afgezien, aldus verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Artikel 20 van het VWEU
5. Eiser betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 20 van het VWEU en verwijst in dit kader naar diverse uitspraken.
5.1.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2541, volgt dat voor de toepasselijkheid van het K.A.-arrest niet van belang is of een Unieburger afhankelijk is van een derdelander-familielid of andersom. De lat voor het aannemen van afhankelijkheid ligt, zeker bij twee meerderjarigen, wel hoog, omdat zij in beginsel in staat zijn om onafhankelijk van elkaar een leven te leiden. Het is aan een vreemdeling om aannemelijk te maken dat tussen hem of haar en de Unieburger een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat, dat een weigering van een verblijfsrecht ertoe zal leiden dat de Unieburger gedwongen zal zijn het grondgebied van de Unie te verlaten. Een dergelijke afhankelijkheidsverhouding is volgens het arrest K.A. slechts in uitzonderlijke gevallen voorstelbaar. Dit is het geval indien de meerderjarige derdelander op geen enkele wijze kan worden gescheiden van de meerderjarige Unieburger.
5.2.
Van een dergelijk uitzonderlijk geval is hier niet gebleken. Verweerder stelt terecht dat eiser niet heeft aangetoond dat sprake is van medische of fysieke omstandigheden waaruit volgt dat eiser op geen enkele manier van referente gescheiden kan worden. De overgelegde medische stukken waaruit blijkt dat referente een tijd heeft gekampt met burn-outklachten dateren uit 2020 en uit ambtshalve verkregen informatie uit Suwinet blijkt bovendien dat referente sinds november 2021, en dus ver voordat eiser Nederland binnenkwam, alweer aan het werk was. Er zijn geen medische documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij nadien nog last heeft gehad van medische klachten of dat er sprake is geweest van een afhankelijkheid in een andere zin. De verklaringen van eiser en referente daarover zijn onvoldoende. Voorts overweegt de rechtbank dat hoewel het begrijpelijk is dat eiser en referente bij elkaar in Nederland willen blijven wonen, deze enkele wens -en de zorgen van hen daarover- onvoldoende zijn om een uitzonderlijke situatie aan te nemen, zoals bedoeld in het K.A.-arrest, zoals verweerder terecht stelt. Met de afwijzing van de aanvraag is artikel 20 van het VWEU dan ook niet geschonden. Evenmin is gebleken dat nationale procedurevoorschriften afbreuk hebben gedaan aan de nuttige werking van artikel 20 van het VWEU. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande dan ook geen reden om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. De in beroep overgelegde stukken met betrekking tot de zwangerschap van referente en de medische informatie over de zoon van referente, kunnen aan het voorgaande niet afdoen. Een zwangerschap maakt op zichzelf nog geen uitzonderlijke situatie als bedoeld in het K.A.-arrest. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat in zijn geval anders is. Voor zover eiser onder verwijzing naar het overgelegde rapport van het Psychologisch Adviesbureau Alfrink-Pattynama van 13 maart 2025 heeft willen betogen dat een afhankelijkheidsrelatie tussen hem en de zoon van eiseres is ontstaan en dat aan hem, op grond daarvan, verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU dient te worden toegestaan, slaagt dit betoog niet. De ingediende aanvraag zag immers op de gestelde afhankelijkheidssituatie tussen eiser en referente en niet op die tussen eiser en de zoon van referente. De stelling van eiser dat de rechtbank dit toch moet meenemen in zijn beoordeling, vindt geen steun in het recht. Overigens blijkt uit voormeld rapport ook niet welke rol eiser speelt in het leven van de zoon van referente. Het onder 5. vermelde betoog van eiser faalt.
Artikel 8 van het EVRM
6. Eiser betoogt dat het bestreden besluit in strijd is genomen met de artikelen 7, 24 25 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het EVRM.
6.1.
Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2047, moet bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM een ‘fair balance’ worden gevonden tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij een gecontinueerd verblijf en anderzijds het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. Alle feiten en omstandigheden die voor de belangenafweging van betekenis zijn, moeten daarbij kenbaar worden betrokken. De rechtbank moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitkomst van die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen de hiervoor genoemde belangen van de vreemdeling en het Nederlands algemeen belang. Deze maatstaf impliceert een enigszins terughoudende toets.
6.2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante feiten en omstandigheden van eiser in de belangenafweging betrokken en heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Hierbij heeft verweerder niet ten onrechte in aanmerking genomen dat eiser pas relatief kort in Nederland verblijft, dat hij nooit een verblijfsvergunning heeft gehad en dat eiser in Nederland gezinsleven met referente is aangegaan terwijl hij niet zeker wist of hij hier mocht blijven. Uit vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, paragrafen 108 en 114, volgt dat het niet toestaan van verblijf in een dergelijk geval slechts in uitzonderlijke omstandigheden (‘exceptional circumstances’) in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
6.2.2.
Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is niet gebleken. Verweerder heeft zich onbetwist op het standpunt gesteld dat eiser ten tijde van het bestreden besluit nog niet zo lang samenwoonde met referente en dat hij geen bewijsstukken van de intensiteit van het gezinsleven met referente (en haar zoon) heeft opgestuurd. Verweerder heeft zich verder onbetwist op het standpunt gesteld dat er van moet worden uitgegaan dat eiser sterke banden heeft met Suriname, nu hij daar is geboren en getogen. Er is ook niet gebleken van objectieve of subjectieve belemmeringen om zijn gezinsleven in Suriname uit te oefenen. Verweerder stelt zich in dit kader niet ten onrechte op het standpunt dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat eiseres medische zorg nodig heeft. De in beroep overgelegde stukken kunnen al gelet op de ex-tunc toetsing van de door verweerder te verrichten ambtshalve toets aan artikel 8 van het EVRM niet tot een ander oordeel leiden. De enkele stelling van eiser ter zitting dat verweerder geen percentage heeft gegeven van het aantal gemaakte belangenafwegingen in het kader van artikel 8 van het EVRM dat in het voordeel van de vreemdeling is uitgevallen, kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Verweerder heeft zich in het primaire besluit tot slot op het standpunt gesteld dat in eisers privéleven geen grond wordt gezien om aan hem ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM te verlenen. Eiser heeft dit standpunt niet gemotiveerd bestreden, zodat in eisers privéleven ook geen grond wordt gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 8 van het EVRM is genomen. De onder 6. genoemde beroepsgrond slaagt niet.
Overig
7. Verweerder heeft zich in het primaire en het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat aan eiser niet ambtshalve een verblijfsvergunning wordt verleend op grond van artikel 3 (medisch en verwestering) van het EVRM. Ook heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat aan eiser geen verblijf wordt toegestaan op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn stellingen in dit kader niet onderbouwd heeft met documenten. Verder heeft verweerder zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen sprake is van oneigenlijk gebruik van gegevens van eiser en dat geen sprake is van een onrechtmatige signalering van die gegevens in het Schengen Informatie Systeem. Eiser heeft in zijn gronden van beroep (vrijwel woordelijk) herhaald wat hij reeds in zijn gronden van bezwaar (en bij zijn aanvraag) had aangevoerd. Een dergelijke herhaling in de gronden van beroep zonder nader te motiveren waarom het bestreden besluit, waarin op alle gronden die in bezwaar zijn aangevoerd gemotiveerd is ingegaan, niet in stand kan blijven, is onvoldoende om tot gegrondverklaring van het beroep te komen. Een dergelijke herhaling is evenmin voldoende om voormelde standpunten van verweerder voldoende gemotiveerd betwist te achten. Om die reden kan hetgeen eiser heeft aangevoerd niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden. Uit het enkel in algemene zin verwijzen naar uitspraken, (internationale) wetsartikelen en het handboek van de Europese Commissie – zonder dit nader toe te lichten – kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Bovendien heeft eiser op geen enkele wijze aangetoond waarom de aangehaalde uitspraken op zijn situatie van toepassing zijn en heeft hij de gestelde medische klachten op geen enkele manier onderbouwd. Tot slot overweegt de rechtbank dat voor zover in de aanvullende gronden van beroep iets is aangevoerd wat eerder niet was aangevoerd, dit niet tot een ander oordeel leidt. Uit de enkele verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 11 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2548 kan de rechtbank immers niet afleiden waarom het bestreden besluit op dat punt onjuist is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen in deze zaak. Ook is niet gebleken dat het bestreden besluit in strijd is genomen met het verbod van vooringenomenheid of het zorgvuldigheidsbeginsel en evenmin dat sprake is geweest van willekeur.
Horen
8. Eiser voert aan dat verweerder hem had moeten horen in bezwaar over de afhankelijkheid en gestelde medische klachten.
8.1.
Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, voordat het bestuursorgaan op het bezwaar beslist. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.
8.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, volgt dat een bezwaar alleen ‘kennelijk’ ongegrond is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander oordeel dan vervat in het primaire besluit.
8.3.
Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 6 juli 2022 heeft benadrukt, is de plicht om te horen afhankelijk van wat de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd. Het is aan eiser om in bezwaar concreet toe te lichten waarom hij zich niet kan verenigen met het primaire besluit. Hoewel in het kader van de artikel 20 van het VWEU en artikel 8 van het EVRM de hoorplicht temeer van belang is, rust er dus eerst nog wel een taak op de vreemdeling. In dit geval heeft eiser ten aanzien van de gestelde uitzonderlijke situatie in het kader van artikel 20 van het VWEU en de bijkomende elementen van afhankelijkheid in het kader van artikel 8 van het EVRM alleen gesteld dat referente veel zorg en aandacht behoeft van eiser, dat er humane (waaronder psychische) aspecten van belang zijn en dat hij in afwachting is van rapportages van deskundigen zoals huisarts, maatschappelijk werker en psycholoog. Deze stukken, die in de aanvraagfase al waren aangekondigd, heeft eiser ook in bezwaar niet overgelegd. Bovendien zijn er geen andere stukken -anders dan de verklaringen van eiser en referente (en oude medische stukken)- overgelegd om de gestelde uitzonderlijke situatie of de bijkomende elementen van afhankelijkheid te onderbouwen. In het kader van artikel 3 van het EVRM zijn verder helemaal geen stukken overgelegd. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit en dus dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. Verweerder heeft daarom van het horen van eiser kunnen afzien. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat eiser wordt bijgestaan door een professionele gemachtigde van wie verwacht mag worden dat hij weet welke documenten van belang zijn om over te leggen in procedures zoals de onderhavige. Daarnaast is van belang dat verweerder onbetwist heeft gesteld dat deze gemachtigde, op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, een groot aantal procedures had lopen waarbij hij identieke of vrijwel identieke juridische argumenten had aangevoerd zonder of slechts met een summiere onderbouwing van die argumenten. Het beroep van eiser op de uitspraak van
15 maart 2016 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Gillissen tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609, kan niet tot een ander oordeel leiden, al omdat in deze zaak geen sprake is van getuigenbewijs of aangevraagde getuigen en de aanvraag van eiser, anders dan in die zaak, nauwelijks is onderbouwd. De rechtbank ziet gelet hierop ook geen reden om onderzoek te doen naar de toepassing van de hoorplicht door individuele lidstaten in beoordelingen van procedures over de toepassing en reikwijdte van artikel 20 van het VWEU en artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond zoals vermeld onder 8. faalt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.