Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8232

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
NL26.15926
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.R. van der Winkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring wegens onvoldoende voortvarendheid uitzetting afgewezen

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 10 maart 2026 de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde bij zijn uitzetting, mede omdat er geen tijdige communicatie met de Algerijnse autoriteiten zou zijn geweest en hij geen documenten bezit.

De rechtbank oordeelt dat de minister wel degelijk voldoende voortvarend heeft gehandeld. Er is op 13 augustus 2025 een laissez-passer-aanvraag gestart en sindsdien wordt maandelijks gerappelleerd, ook tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser. Daarnaast zijn meerdere vertrekgesprekken gevoerd, hetgeen door eiser niet is betwist.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15926

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite).

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer M. Essebai. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999.
Voortvarendheid
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser heeft al eerder vastgezeten, zowel in strafrechtelijke detentie als vreemdelingbewaring. Nergens staat vast dat al gedurende die tijd gecommuniceerd is met de Algerijnse autoriteiten. Het is bij de minister bekend dat eiser geen documenten heeft en daar had de minister dan ook eerder op kunnen acteren. Verder is het bekend dat vaak gerappelleerd moet worden, voordat een lp [2] wordt afgegeven door de Algerijnse autoriteiten. Dit alles maakt dat de minister niet voortvarend genoeg heeft gehandeld, maar dit wel had moeten doen. Dat eiser niet de medewerking verleent die de minister graag had willen zien, maakt dat niet anders.
7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting uit Nederland. De minister heeft ter zitting aangegeven dat op 13 augustus 2025 een lp-aanvraag is opgestart en dat sindsdien maandelijks wordt gerappelleerd. Ook tijdens eisers strafdetentie van 116 dagen stelt de minister maandelijks te hebben gerappelleerd. Daarnaast zijn er ook meerdere vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Dit alles wordt niet door eiser betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. [3]
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Laissez-passer.
3.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.