Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8233

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
09-259227-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging diefstal met geweld en oplegging gedragsbeïnvloedende maatregel

Op 2 oktober 2025 heeft de verdachte in een winkel te 's-Gravenhage geprobeerd een geldbedrag en een telefoon te stelen, waarbij hij een medewerkster met een mes bedreigde en haar hand raakte. De rechtbank heeft het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen verklaard.

De verdachte handelde met het oogmerk zich wederrechtelijk goederen toe te eigenen, ondanks zijn verweer dat hij uit wanhoop handelde om contact met zijn begeleider te krijgen. De rechtbank verwierp dit verweer en achtte het bewezen dat de verdachte geweld gebruikte om de diefstal voor te bereiden.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 360 dagen op, waarvan 141 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, opname in zorginstelling en contactverbod. Tevens werd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van ruim €105.000, waarvan de rechtbank €4.061,59 toewijst, bestaande uit materiële en immateriële schade, met wettelijke rente vanaf de datum van het delict. Het overige deel van de vordering werd niet-ontvankelijk verklaard.

De straf en maatregelen zijn gebaseerd op de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een verstandelijke handicap en psychische stoornissen, en het advies van de reclassering en psychiater.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 360 dagen gevangenisstraf, waarvan 141 voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en gedragsbeïnvloedende maatregel; gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/259227-25
Datum uitspraak: 8 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1995 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [regio] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 31 december 2025 (pro forma) en 25 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Schiphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.M. Krassenburg naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 2 oktober 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldbedrag en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Action locatie [locatie], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangeefster] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- een messenset uit de winkel gepakt en een vleesmes uit de verpakking heeft gehaald,
- die [aangeefster] van achter bij haar schouders en/of het lichaam heeft vastgepakt,
- vervolgens het vleesmes op/tegen de hals en/of het lichaam van die [aangeefster] heeft gezet en/of het mes bij die [aangeefster] heeft voorgehouden,
- met dat mes in de hand van die [aangeefster] heeft gestoken en/of haar hand heeft geraakt, en/of
- tegen die [aangeefster] en/of andere omstanders heeft geroepen dat zij geld en/of een telefoon wilde hebben,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 2 oktober 2025 te 's-Gravenhage [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte
- die [aangeefster] van achter bij de schouders, althans het lichaam vastgepakt,
- opzettelijk dreigend een mes op voornoemde [aangeefster] gericht en/of gericht gehouden en/of een mes getoond en/of
- het mes tegen de keel en/of de het lichaam van die [aangeefster] gehouden ten gevolge waarvan die [aangeefster] een of meerdere steekverwondingen heeft opgelopen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair tenlastegelegde, omdat de verdachte bij zijn handelen niet met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft gehandeld.
Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-202533948, van de politie eenheid Den Haag, district West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 69).
1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] , opgemaakt op 2 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 17-18):
Plaats delict: [straatnaam], ’s-Gravenhage
Pleegdatum: 2 oktober 2025
Ik werkte vandaag in de Action. Ik voelde toen dat er door iemand die achter mij stond mijn rechterschouder gepakt werd. Ik voelde dat hij zijn linkerarm voor mij langs deed. Ik zag dat hij in zijn linkerhand een mes had. Ik zag dat het een groot en zwart mes was. Ik zag dat hij het mes tegen mijn keel zette. Ongeveer op hetzelfde moment dat ik het mes zag hoorde ik de persoon, ik zag hem niet maar het was wel een mannenstem, hard zeggen iets van 'Waar is mijn telefoon'. Op het moment dat ik ongeveer bij de ingang van de Action was merkte ik dat ik gestoken was. Ik zag toen ook bloed bij mijn linkerhand.
2. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige] , opgemaakt op 2 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 24):
Ik hoorde de man roepen ''Ik wil geld en ik wil mijn begeleider spreken”.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 12):
Nadat het mes was veiliggesteld in een messenkoker ben ik samen met een medewerkster
door de winkel gaan lopen om te kijken of het mes uit hun assortiment afkomstig was. Daarna liep ik verder de winkel in en trof op een plank een messenset aan waarvan het vleesmes ontbrak.
4. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 25 maart 2026, voor zover inhoudende:
Ik heb het 100% gedaan.
3.4.
Bewijsoverweging
Oogmerk
De raadsvrouw heeft als verweer aangevoerd dat het de verdachte niet om het geld of de telefoon ging, maar dat hij uit wanhoop handelde om zijn begeleider te kunnen spreken. De verdachte zou volgens de raadsvrouw dus vrij moeten worden gesproken van het primair tenlastegelegde omdat hij niet met wederrechtelijke toe-eigening als oogmerk heeft gehandeld. Uit de aangifte en de getuigenverklaring blijkt dat de verdachte de telefoon en het geld in handen wilde krijgen om zo contact op te nemen met zijn begeleider. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt daaruit afdoende dat de verdachte wel degelijk met het vereiste oogmerk heeft gehandeld. Ook tijdelijke heerschappij over een goed verschaffen, kan tot wederrechtelijke toe-eigening leiden. De rechtbank verwerpt het verweer.
Conclusie
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het primair tenlastegelegde van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hijop 2 oktober 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldbedrag en een telefoon, die geheel of ten dele aan Action locatie [locatie], in elk geval aan een ander toebehoorden, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen van geweld tegen [aangeefster] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken,
- een messenset uit de winkel gepakt en een vleesmes uit de verpakking heeft gehaald,
- die [aangeefster] van achter bij haar schouders heeft vastgepakt,
- vervolgens het vleesmes tegen de hals van die [aangeefster] heeft gezet en het mes bij die [aangeefster] heeft voorgehouden,
- met dat mes de hand van die [aangeefster] heeft geraakt, en
- tegen die [aangeefster] en andere omstanders heeft geroepen dat
hijgeld en een telefoon wilde hebben,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling met mogelijkheid tot een kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, beheersing van middelengebruik en een contactverbod, welke bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de op te leggen straf flink te matigen, mede gelet op de omstandigheid dat het feit verminderd aan de verdachte kan worden toegerekend.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging diefstal met geweld, waarbij hij een medewerkster van Action met een mes heeft bedreigd. Met die bedreiging wilde hij een telefoon en geld krijgen, om zo contact op te nemen met zijn begeleider. Het slachtoffer is door de verdachte vastgehouden en hij heeft het mes bij haar keel gehouden. Zij is hierbij ook gewond geraakt aan haar hand. Uit de vordering benadeelde partij blijkt dat zij nog steeds last heeft van wat haar is overkomen door het handelen van de verdachte. Daarnaast waren op het moment van het bewezen verklaarde feit veel mensen in de winkel aanwezig, waaronder andere medewerkers en kinderen. Dergelijk gedrag zorgt voor gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer en hij alleen maar heeft gedacht aan zijn eigen belang.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 november 2025. Het strafblad is niet van invloed op de op te leggen straf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 23 december 2025, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op het gebied van psychosociaal functioneren, ondersteunend netwerk, dagbesteding en middelengebruik. Er is sprake van een gemiddeld tot hoog recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, beheersing in middelengebruik en een contactverbod. De reclassering adviseert om deze voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Ook wordt een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel geadviseerd.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia onderzoek over de verdachte van 21 november 2025. Kort samengevat heeft de psychiater beschreven dat de verdachte lijdt aan een verstandelijke handicap in de vorm van een matig ernstige verstandelijke ontwikkelingsstoornis en aan psychische stoornissen in de vorm van een posttraumatische stressstoornis en stoornissen in het gebruik van alcohol, cocaïne en cannabis in vroege remissie. Deze stoornissen hebben de gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed. Daarom wordt door de psychiater geadviseerd om de verdachte het ten laste gelegde bij bewezenverklaring in een sterk verminderde mate toe te rekenen.
Strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt een gevangenisstraf van twee jaren vermeld voor de overval op een winkel. In dit geval acht de rechtbank strafverlagend dat het gaat om een poging. Daarnaast neemt de rechtbank het advies van de psychiater om het feit sterk verminderd toe te rekenen over.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, een gevangenisstraf van 360 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 141 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, beheersing in middelengebruik en een contactverbod.
De rechtbank merkt op dat de verdachte na de uitspraakdatum nog een periode gedetineerd blijft. Deze periode is, naast de reguliere strafdoelen, bedoeld om ervoor te zorgen dat een goede overgang naar een plek in een kliniek wordt bewerkstelligd. Mocht er nog geen plek in een kliniek beschikbaar zijn voor de verdachte, dan kan hij op een overbruggingsplek worden opgenomen.
De rechtbank zal een deel van de straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. Gelet op het advies van de reclassering en het verslag van de psychiater is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar is.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Wetboek van Strafrecht (Sr) is voldaan. De verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Aan de verdachte wordt voor dit strafbare feit bovendien een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank heeft daarbij gelet op de adviezen van de reclassering en psychiater. De rechtbank zal daarom de maatregel opleggen.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 105.561,59, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 100.061,56 aan materiële schade en € 5500,- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5561,59 met toewijzing van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Verder heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de gevorderde materiële schade deels gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de immateriële schade verzoekt de raadsvrouw het bedrag te matigen tot € 3000,-. Tot slot heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om het gevorderde toekomstige materiële schadebedrag van € 100.000 af te wijzen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post verhoging (€ 100.000), de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten eigen risico (€ 38,85) en medicatie (€ 22,74), is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door he bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 4000,-. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4061,59, bestaande uit € 61,59 aan materiële schade en € 4000,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 2 oktober 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 4061,59, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [aangeefster] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 36f, 38z, 45, 312 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1, primair:
poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
360 (DRIEHONDERDZESTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
141 (HONDERDEENENVEERTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
  • zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de (verslavings)reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Tijdens de klinische opname zal de reclassering de kliniek bezoeken. De reclassering zal contact opnemen voor de eerste afspraak;
  • zich tijdens de proeftijd zolang de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door FPK De Beuken van Trajectum of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. Indien aansluitend aan zijn detentie geen plek is in deze zorginstelling, laat de veroordeelde zich opnemen op een overbruggingsplek in een zorginstelling te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
  • zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een nader te indiceren zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en het overige geïndiceerde. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van overmatig middelengebruik en een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, zal - nadat dit door de rechter is bevolen – de veroordeelde zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te indiceren instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na de klinische opname. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en het gebruik te leren beheersen van alcohol en hard- en softdrugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoeken. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- op geen enkele wijze contact heeft of zoekt - direct of indirect - met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2001, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;
voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;
de vordering van de benadeelde partij
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 4061,59 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 4061,59, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangeefster] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 40 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R. Aaron, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. J. Herfkens, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 april 2026.