ECLI:NL:RBDHA:2026:8234

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
NL26.16556
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.R. van der Winkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel bewaring en uitzetting vreemdeling

Eiser, van Gambiaanse nationaliteit, is sinds 22 oktober 2025 in bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de bewaring tot 22 januari 2026 bevestigd. De beoordeling richt zich daarom op de periode daarna. Eiser stelt dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de minister onvoldoende voortvarend is. De rechtbank oordeelt echter dat de minister voldoende inspanningen verricht, waaronder geplande persoonlijke presentaties bij de Gambiaanse autoriteiten en regelmatige rappel bij deze autoriteiten.

Eiser weigert mee te werken aan de presentaties, waardoor het onderzoek naar zijn identiteit vertraagt. Ook heeft hij onvoldoende inspanningen geleverd om zijn paspoort te verkrijgen. De rechtbank acht het voortduren van de bewaring daarom niet onrechtmatig en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16556

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S. Guman),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite).

Procesverloop

De minister heeft op 22 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep tegen het voortduren van de bewaring op 2 april 2026 op zitting behandeld, samen met het beroep tegen het aan eiser verstrekte terugkeerbesluit (met zaaknummer NL25.54109). Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 januari 2026 (in de zaak NL26.2440) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 22 januari 2026.
3. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. De bewaring duurt al ruimt vijf maanden voort. Op 16 maart 2026 was al duidelijk dat er voorlopig geen resultaat zal volgen na de schriftelijke presentatie bij de Gambiaanse autoriteiten. Het kan eiser niet worden aangerekend dat de autoriteiten niet reageren. Verder worden er geen andere activiteiten verricht dan gesprekken met eiser. Dat is geen actieve inspanning om uitzetting te bewerkstelligen.
4. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eiser op 26 februari 2026 heeft geweigerd mee te werken aan de presentatie in persoon waardoor hij schriftelijk is gepresenteerd. Er staat een nieuwe presentatie in persoon gepland op 14 april 2026. Op voorhand kan niet worden gezegd dat dit niet tot afgifte van een laissez passer zal leiden. In de enkele omstandigheid dat eiser nu ruim vijf maanden in bewaring zit, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt dat het onredelijk lang zal duren. Als eiser weigert mee te werken aan de presentaties waardoor het onderzoek naar zijn identiteit langer duurt, komt dat voor zijn eigen risico. Verder blijkt dat eiser stelt dat hij zijn paspoort heeft laten opsturen door zijn broer, maar hij heeft daar geen verzendbewijs van overgelegd. Ook is niet gebleken dat hij om een vervangend paspoort heeft gevraagd als het paspoort bij de post vermist is geraakt. Dat hij nu een afwachtende houding aanneemt, is dan ook onvoldoende. Op eiser rust een actieve medewerkingsplicht waardoor van hem verwacht kan worden dat hij meer inspanningen verricht om zijn paspoort boven water te krijgen en zijn identiteit te laten vaststellen door de Gambiaanse autoriteiten. De minister rappelleert regelmatig bij de autoriteiten, voor het laatst op 12 maart 2026 en voert regelmatig vertrekgesprekken met eiser om hem te bewegen met meer informatie te komen, voor het laatst op 4 maart 2026. Daarmee handelt de minister voldoende voortvarend. Tot slot overweegt de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit bij uitspraak van vandaag in stand zijn gelaten, waardoor de grondslag voor de bewaring niet is komen te ontvallen.
5. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. [1]
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.