De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verleende omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een melkveestal aan een adres in Midden-Delfland. Verzoekster, de Midden-Delfland Vereniging, betwist de vergunning en voert meerdere gronden aan, waaronder strijd met het bestemmingsplan en onduidelijkheid over de beoordeling door het college.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het bezwaar van verzoekster ontvankelijk is en dat er sprake is van een spoedeisend belang, omdat vergunninghoudster al is gestart met de bouw en onomkeerbare gevolgen dreigen. Het college heeft het bouwplan ten onrechte getoetst aan een niet-juridisch bindend bestemmingsplan, maar dit gebrek kan naar verwachting in de bezwaarfase worden hersteld.
Echter, het college heeft niet duidelijk gemaakt of en hoe het bouwplan is getoetst aan artikel 3.1, aanhef en onder b, van het geldende bestemmingsplan, en er ontbreekt verwijzing naar advies van een landschapsdeskundige en de commissie omgevingskwaliteit. Dit leidt tot een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek dat niet kan worden uitgesloten dat het in bezwaar kan worden hersteld.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en schorst de omgevingsvergunning tot twee weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar. Het college wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan verzoekster. De uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter op 19 januari 2026.