ECLI:NL:RBDHA:2026:827

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL26.1252
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgberoep bewaring en verzoek om schadevergoeding in vreemdelingenrechtelijke zaak

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een vervolgberoep tegen de maatregel van bewaring van eiser, die de Turkse nationaliteit heeft en geboren is in 1982. De maatregel van bewaring was opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 19 november 2025. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft bepaald dat er geen zitting nodig was en het onderzoek op 15 januari 2026 gesloten. Eiser heeft aangevoerd dat hij detentieongeschikt is geworden door toegenomen epileptische insulten, die hij toeschrijft aan stress door de inbewaringstelling. Hij heeft medische documentatie overgelegd ter ondersteuning van zijn claim. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de maatregel van bewaring rechtmatig is, omdat de gronden voor de maatregel nog steeds van toepassing zijn en er geen feiten zijn die aanleiding geven om de bewaring op te heffen. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1252

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M.Z. Sayin),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 19 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 15 januari 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1982 en de Turkse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [2] Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 19 december 2025.
4. Eiser stelt dat verweerder had moeten volstaan met het opleggen van een meldplicht, gelet op zijn medische omstandigheden en de stress die bij hem werd veroorzaakt door de inbewaringstelling. Hij heeft daartoe zijn medisch dossier overgelegd. Eiser meent dat hij detentieongeschikt is geworden omdat de epileptische insulten zijn toegenomen gedurende de inbewaringstelling. Hij stelt dat de epileptische insulten worden veroorzaakt door stress en wijst op een aantekening in zijn medisch dossier van 2 januari 2026, waarbij de medische dienst heeft vastgesteld dat de recente insulten waarschijnlijk door stress komen. Ook zou bij een langer verblijf in het detentiecentrum een consult van een neuroloog overwogen worden. Eiser is echter niet doorverwezen naar een neuroloog, terwijl de medicatie klaarblijkelijk niet meer effectief was. Hij meent dat de beschikbare medische zorg ontoereikend is, waardoor zijn medische omstandigheden zijn verslechterd. Toereikende zorg, buiten het detentiecentrum, werd uitgesteld vanwege de verwachting dat de bewaring niet meer zo lang zou duren. Met een lichter middel had de stress van eiser kunnen worden verminderd, wat weer zou hebben geleid tot minder epileptische insulten zonder dat hij een neuroloog zou moeten bezoeken. Eiser stelt daarom dat hij, in ieder geval vanaf 2 januari 2026, in vrijheid gesteld had moeten worden.
5. In het geval eiser niet tevreden is met de wijze waarop de medische zorg in het detentiecentrum wordt verleend, geldt dat de bewaringsrechter volgens de Afdeling [3] niet kan oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld. Daarvoor staan andere rechtsmiddelen open, zoals beklag. Ook mag er vanuit worden gegaan dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijk is aan de zorg in de vrije maatschappij. Uit het medisch dossier blijkt dat eiser niet verstoken is geweest van medische hulp. Ook is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is. Daarnaast is gebleken dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, waaruit een significant risico op onttrekking aan het toezicht blijkt, nog altijd van toepassing zijn. De stelling van eiser dat hij vanuit vrijheid toegang heeft tot betere zorg dan wel dat hij in vrijheid minder stress ervaart, met minder epileptische insulten tot gevolg, is onvoldoende om te kunnen stellen dat moet worden volstaan met een lichter middel. Verweerder heeft dan ook kunnen concluderen dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, aanleiding hadden moeten geven om eisers belang zwaarder te laten wegen en de bewaring op te heffen.
6. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 januari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22757, en 22 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24826.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.