Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8322

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
NL25.13969
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbVluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag homoseksuele Ugandese wegens onvoldoende motivering

Eiser, een Ugandese homoseksuele man, verzocht asiel in Nederland nadat hij vanwege zijn seksuele geaardheid in Uganda werd vervolgd en bedreigd. De minister wees zijn aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid en tegenstrijdigheden in zijn relaas en visumdossier.

De rechtbank oordeelt dat de minister het persoonlijke en culturele referentiekader van eiser onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van zijn geloofwaardigheid. Eiser kon vanwege zijn achtergrond niet uitgebreider verklaren over zijn geaardheid, wat onvoldoende is meegewogen.

De rechtbank constateert dat eiser op de zitting aanvullende en relevante informatie kon geven die eerdere onduidelijkheden wegneemt. Ook acht zij de tegenwerpingen van de minister over het visumdossier onvoldoende gemotiveerd.

Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en beveelt de minister binnen zestien weken een nieuw besluit te nemen, waarbij eiser nader wordt gehoord. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen na nader gehoor.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.13969
V-nummer: [v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2001, van Ugandese nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 13 maart 2025 afgewezen als ongegrond.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E. Kibuuka als tolk in de taal Luganda en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft ingediend.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser heeft Uganda op 11 december 2024 verlaten. Eiser was in het bezit van een Nederlands Schengenvisum. Eiser is op 12 december 2024 in Nederland aangekomen. Op diezelfde dag is zijn visum ingetrokken, omdat eiser het doel en omstandigheden van zijn verblijf onvoldoende had aangetoond, hij over onvoldoende middelen van bestaan beschikte en de informatie die hij had verstrekt over het doel en omstandigheden van zijn verblijf niet betrouwbaar was. Eiser heeft vervolgens op diezelfde dag een asielaanvraag ingediend. Hierover gaat de huidige procedure.iHi
Asielrelaas
5. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Hij heeft verklaard dat hij homoseksueel is. Op de middelbare school was eiser verliefd op zijn beste vriend, [naam] . Het heeft lang geduurd voordat eiser dit aan hem durfde te vertellen. Toen eiser dit aan hem vertelde, heeft [naam] dit na een ruzie doorverteld. Eiser is toen van school gestuurd. Een tijd later had eiser een relatie met een vrouw zodat mensen niet achter zijn gevoelens voor mannen zouden komen. Ook had hij een relatie met [naam 2] , een man. Eisers vrouw kwam hierachter toen zij de berichten van eiser las tussen hem en [naam 2] . Zij is naar de politie gegaan en heeft aangifte gedaan. Vervolgens is eiser opgepakt, alleen had hij al zijn berichten verwijderd waardoor de politie geen bewijs had. Nadat de moeder van eiser een boete had betaald aan de politie, is hij vrijgelaten. [naam 2] is later ook opgepakt en hij had wel bewijs over de relatie tussen eiser en hem in zijn telefoon staan. Na dit nieuws is eiser ondergedoken en gevlucht. Toen eiser in Nederland was kreeg hij een e-mail van de politie uit Uganda waarin staat dat hij zich moet melden bij het politiebureau.
Besluitvorming
5.1.
Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Nationaliteit, identiteit en herkomst;
2. De homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen.
5.2.
De minister stelt zich ten eerste op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn, maar de homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen worden niet geloofwaardig geacht. De minister stelt hiertoe dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser verklaart namelijk summier en oppervlakkig over de ontdekking van zijn homoseksuele gerichtheid. Ook geeft hij geen inzicht in de acceptatie van zijn homoseksuele geaardheid en de wijze waarop hij ging vechten tegen zijn gevoelens. Daarnaast verklaart eiser volgens de minister oppervlakkig en summier over wat het met hem deed dat zijn geloof zijn homoseksualiteit niet accepteert en over hoe de maatschappij kijkt naar homoseksualiteit. Ook heeft eiser onvoldoende verklaard over zijn relatie met [naam] en over [naam 2] . Verder heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de wijze waarop hij [naam 2] heeft ontmoet en zijn de verklaringen met betrekking tot het (openlijk) uiten van zijn relatie met [naam 2] ongerijmd. Vervolgens stelt de minister dat de problemen naar aanleiding van de homoseksuele gerichtheid ook niet geloofwaardig zijn. Verder kan eiser in grote lijnen ook niet als geloofwaardig worden beschouwd. In het visumdossier zitten namelijk verschillende tegenstrijdigheden waarvoor eiser geen goede verklaring heeft. Eiser is geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag [1] en loopt bij terugkeer naar Uganda geen reëel risico op ernstige schade. Eisers krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel. Er wordt een terugkeerbesluit opgelegd.
Referentiekader en de geloofwaardigheid
7. Eiser heeft aangevoerd dat hij vanwege zijn cultuur moeite heeft om te verklaren over zijn homoseksuele gerichtheid. Eiser is niet in staat om op een andere wijze te verklaren dan hij heeft gedaan, dat blijkt ook uit het nader gehoor. Ook heeft eiser op de zitting laten weten dat het tijdens het nader gehoor niet goed met hem ging. Hij was net gevlucht, zat in bewaring en was erg angstig. Het kan eiser niet kwalijk worden genomen dat hij aan bepaalde verwachtingen die de minister had niet volledig heeft kunnen voldoen. Dat hem meerdere kansen zijn geboden genoemde verklaringen af te leggen, zegt niets over het daartoe daadwerkelijk in staat kunnen zijn. Uit hetgeen is opgenomen op pagina 3, derde alinea, van het bestreden besluit blijkt dat de minister niet in ogenschouw heeft genomen dat eiser vanwege zijn culturele achtergrond niet beter kán verklaren. Juist vanwege het feit dat hij afkomstig is uit Uganda, een land waar LHBTI-gerichtheid niet geaccepteerd is en strafbaar is gesteld en omdat hij nooit eerder over zijn gevoelens over zijn seksuele gerichtheid heeft gesproken met een derde. Op de zitting heeft eiser dit nader toegelicht en heeft hij aangevoerd dat er in Uganda überhaupt niet werd gesproken over gevoelens in het algemeen. Eiser wijst om dit te onderbouwen op het rapport ‘Trots of schaamte?- het vervolg’ van mr. S. Jansen en dan met name op de pagina 69 en verder waaruit volgt dat LHBTI-asielzoekers door culturele achtergronden enkel kunnen verklaren over hun geaardheid door te spreken over seks of seksuele handelingen en niet toekomen aan het benoemen van gevoelens.
7.1.
De minister stelt dat er wel voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Van eiser mocht worden verwacht dat hij meer en uitvoeriger over zijn seksuele gerichtheid kon verklaren. Anders dan eiser stelt, maakt het gegeven dat homoseksualiteit in Uganda niet wordt geaccepteerd en strafbaar is gesteld, juist dat de minister in dit kader meer van eiser mocht verwachten. Daarnaast kan de minister eiser niet volgen in zijn standpunt dat uit het rapport van het nader gehoor volgt dat hij niet anders kan verklaren. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat eiser door middel van verschillende vraagstellingen is uitgenodigd om meer te vertellen over zijn gevoelens. Verder blijkt niet dat eiser de vragen niet (goed) heeft begrepen, of dat hij moeite had met de vragen die zijn gesteld. Uit het rapport van het nader gehoor blijkt evenmin dat eiser moeite had om over zijn geaardheid en gevoelens te praten, omdat hij dat niet gewend is of zich daarvoor schaamt. Eiser heeft tijdens het nader gehoor ook niet aangegeven dat hij moeite had met het verwoorden van zijn gevoelens. Verder heeft het rapport ‘Trots of schaamte? Het vervolg’ geen specifieke betrekking op eiser. Dat uit dit rapport volgt dat de mogelijkheid bestaat dat vreemdelingen niet meer kunnen verklaren, betekent niet dat eiser daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat dit ook in zijn geval zo is.
7.2.
De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [2] volgt dat de minister bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielmotief rekening dient te houden met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling. [3] Verder blijkt uit Werkinstructie 2024/6 [4] dat de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielmotief kenbaar rekening moet houden met wat in zijn algemeenheid van de vreemdeling verlangd mag worden. Bij het referentiekader van de vreemdeling kunnen de volgende aspecten van belang zijn: leeftijd, geslacht, opleiding, land/gebied van herkomst, cultuur, maar ook aspecten zoals het werk dat hij deed, hoe groot zijn leefgebied was en of hij bijvoorbeeld toegang had tot internet, (sociale) media en dergelijke. [5]
7.3.
De rechtbank overweegt dat zowel in het voornemen als in het bestreden besluit, die beide ten grondslag liggen aan dit beroep, het referentiekader niet kenbaar is betrokken. Dat volgens de minister uit de inhoud van het bestreden besluit blijkt dat het referentiekader bij de beoordeling van de asielaanvraag is betrokken, volstaat volgens de rechtbank niet en is ook niet in overeenstemming met de Afdelingsjurisprudentie en eigen werkwijze van de minister. In het voornemen en in het bestreden besluit wordt enkel overwogen dat rekening is gehouden met eisers referentiekader. Waar eisers referentiekader uit bestaat, blijft naar het oordeel van de rechtbank onduidelijk. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de minister bij de geloofwaardigheidsbeoordeling de volledige persoonlijke en culturele achtergrond van eiser heeft betrokken. [6]
7.4.
De minister heeft namelijk niet toegelicht wat het voor de geloofwaardigheid van het asielrelaas betekent dat eiser afkomstig is uit Uganda, een land waar homoseksualiteit verboden is, dat hij een geloof aanhangt wat zijn geaardheid niet accepteert en dat hij niet eerder met derden over zijn geaardheid heeft gesproken. Verder heeft eiser herhaaldelijk op de zitting benadrukt dat hij tijdens het nader gehoor pas twee weken in Nederland was, in vreemdelingenbewaring zat en daardoor angstig was. Dat dit van invloed was op zijn mentale gesteldheid vindt de rechtbank ook invoelbaar nu hierin ook enige aanwijzingen te vinden zijn in het advies van MediFirst van 21 december 2024 waarin onder andere het volgende staat
‘(…) betrokkene heeft aangegeven dat hij ademhalingsproblematiek ervaart waardoor hij zich erg benauwd kan voelen.’,
‘Betrokkene heeft aangegeven vermoeidheidsklachten te ervaren door verminderd slapen.’, en ‘
Betrokkene heeft aangegeven dat hij psychisch kan decompenseren bij een negatieve beschikking. (suïcidegevaar is aanwezig).’Hoewel de rechtbank wel ziet dat aan eiser door de minister veel ruimte en gelegenheid is geboden om te verklaren tijdens het nader gehoor, blijkt uit de besluitvorming onvoldoende waarom in het licht van deze aspecten van eiser méér verwacht wordt. Ook heeft de minister niet duidelijk gemotiveerd waarop deze verwachting gebaseerd is. Deze beroepsgrond slaagt.
7.5.
Bovendien heeft eiser op de zitting gezegd nu in staat te zijn uitgebreider te verklaren en heeft de rechtbank op de zitting ook gemerkt dat bij het doorvragen bij eiser relevante informatie naar boven kwam en eiser ook onduidelijkheden heeft kunnen wegnemen. Dit zal de rechtbank in de volgende overwegingen nader toelichten. De rechtbank ziet hierin aanleiding dat de minister eiser nader gaat horen over zijn asielrelaas. Daarbij kan de focus liggen op eventuele resterende onduidelijkheden en de tijd die eiser in Nederland heeft verbleven. Eiser heeft naar eigen zeggen in Nederland enkele seksuele ontmoetingen met mannen gehad, hij is wekelijks naar bijeenkomsten van het COC [7] in Eindhoven gegaan, naar de Pride in Amsterdam geweest en enkele keren naar Rainbow [8] in Den Haag. Onder andere hierover dient de minister eiser nader te horen.
7.5.
De rechtbank is in het licht van het bovenstaande van oordeel dat eiser met zijn referentiekader een mogelijke verklaring heeft gegeven voor de verklaringen die als summier en oppervlakkig gezien zouden kunnen worden. Hier komt nog bij dat de rechtbank de tegenwerping van de minister over het summier en oppervlakkig verklaren op sommige vlakken niet kan volgen. De rechtbank constateert dat eiser op elke vraag die die minister heeft gesteld antwoord heeft gegeven en niet enkel oppervlakkig of summier heeft geantwoord. Zo heeft eiser op de vraag wat dacht u dan toen u zelf gevoelens kreeg voor mannen geantwoord:
‘Ik raakte in paniek. Ik durfde het aan niemand te vertellen. Ik was bezorgd, ik dacht dat er iets mis met mij was. En ik wist niet wat ik moest doen.’ [9] Verder heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank zijn gevoel ook duidelijk verwoord toen de minister in het nader gehoor vroeg wat het met hem deed dat homoseksualiteit in Uganda verboden is en hoe de gemeenschap hierover denkt. Eiser heeft namelijk het volgende verklaard:
‘Homoseksuelen worden uitgescholden, het wordt zelfs als een scheldwoord gebruikt. En mensen denken dat we geen normale mensen zijn. En dat we vervloekt zijn. Ik dacht soms dat ik misschien vervloekt was.’ [10] Daarnaast heeft eiser ook niet summier of oppervlakkig verklaard over hoe hij ermee omgaat dat zijn religie tegen zijn geaardheid is. Eiser heeft hierover onder andere het volgende gezegd:
‘Ik heb eigenlijk daar nog moeite mee, want volgens islam is homoseksualiteit een zonde. Soms in de moskee praat de sjeik heel negatief over homoseksualiteit. Ik voel me dan indirect aangesproken en aangevallen.’en
‘Ik was niet meer op mijn gemak, want ik voelde me aangesproken en op een gegeven moment wilde ik niet meer naar de moskee gaan. Ik besloot om thuis te bidden.’ [11] De rechtbank ziet dit niet als summiere of oppervlakkige verklaringen. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd hoe dit als summier en oppervlakkig gezien wordt.
7.6.
Daar komt nog bij dat de tegenwerping van de minister dat eiser ongerijmd heeft verklaard over het (openlijk) uiten van zijn relatie met [naam 2] geen stand meer kan houden. Eiser heeft deze ongerijmdheid met zijn verklaring op de zitting volgens de rechtbank namelijk weg weten te nemen. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard niets in het openbaar te laten zien van zijn relatie met [naam 2] en nooit in het openbaar intiem te zijn, maar wel hand in hand te lopen. Dit acht de minister ongerijmd. Met de toelichting op zitting dat eiser buiten wel eens hand in hand heeft gelopen, maar nooit in het openbaar, maar juist stiekem, in het privé, heeft eiser deze ongerijmdheid weggenomen. Dit kan de minister dan ook niet meer tegenwerpen.
Visumdossier
8. De stelling van de minister dat eiser verantwoordelijk is voor de inhoud van zijn visumdossier, kan eiser niet volgen. Het visumdossier mag volgens eiser niet bijdragen aan de ongeloofwaardigheid van het relaas van eiser. Zoals eiser in de zienswijze heeft aangegeven, heeft hij het visum niet zelf geregeld, heeft hij de stukken hiervoor niet zelf aangeleverd en is hij volkomen onbekend met de inhoud van het dossier. Dat de stukken die ten grondslag liggen aan het visum op de waarheid berusten, kan eiser dan ook niet volgen.
8.1.
De minister handhaaft zijn standpunt dat de inhoud van het visumdossier op onderdelen strijdig is met de verklaringen van eiser. Anders dan in de beroepsgronden wordt gesteld, meent de minister dat eiser zelf verantwoordelijk is voor de inhoud van het visumdossier. In dit kader handhaaft de minister zijn standpunt dat eiser ook niet aannemelijk heeft kunnen maken dat iemand anders zijn visumaanvraag heeft geregeld. Tot op heden heeft eiser bijvoorbeeld geen helderheid kunnen verschaffen over de persoon die de visumaanvraag dan wél zou hebben ingediend, en hoeveel hij aan deze persoon zou hebben betaald. De minister merkt verder op dat eiser met zijn standpunt dat bepaalde documenten uit het visumdossier niet zien op zijn persoon, in feite stelt dat het visumdossier vervalst is. De minister mag zich op het standpunt stellen dat dit niet aannemelijk is. Nu de Nederlandse ambassade het visum heeft verstrekt, mag de minister er namelijk vanuit gaan dat de aanvraag goed is onderzocht. Eiser heeft ook niet kunnen verklaren waarom de ambassade niet zou hebben gezien dat de huwelijksakte en universiteitspapieren vervalst waren.
8.2.
Ook deze tegenwerping kan de rechtbank zonder nadere motivering niet volgen. Eiser heeft verklaard dat niet hij, maar andere personen het visum hebben aangevraagd. Hij heeft de naam van de tussenpersoon genoemd en een uiterlijke beschrijving van die persoon gegeven. Eisers moeder en oom hebben de tussenpersoon betaald [12] . Eiser heeft op de zitting nader toegelicht dat niet hij, maar zijn moeder en oom, een reisagent hebben gevonden die het visum heeft geregeld. Eiser heeft dit niet zelf geregeld nu hij verklaart ondergedoken te hebben gezeten. Hoewel dit niet verklaart dat eiser zelf niet op de hoogte was van de inhoud van de documenten die ten grondslag lagen aan het verlenen van het visum, biedt dit wel een mogelijke verklaring waarom deze stukken niet overeenkomen met het asielrelaas van eiser. Ook biedt het een mogelijke verklaring waarom eiser niet veel kan vertellen over de reisagent of het proces rondom het regelen van het visum. De rechtbank erkent dat deze gang van zaken misschien niet wenselijk is, maar dat zij bekend is met de omstandigheid dat vluchtelingen vaker via tussenpersonen valse visumaanvragen doen. Eiser heeft dus een mogelijke verklaring gegeven voor de tegenstrijdigheden tussen de eigen verklaringen en het visumdossier. Onder deze omstandigheden mag de minister deze tegenstrijdigheid niet onverkort tegenwerpen en doet dit ook geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van de gestelde homoseksualiteit. Temeer nu, zoals de minister ook op de zitting aangaf, het zwaartepunt ligt bij de verklaringen van eiser en niet bij het visumdossier.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zestien weken, omdat de rechtbank aanleiding ziet om eiser nader te horen over zijn asielrelaas.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 maart 2025;
- draagt de minister op binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie de uitspraken van de Afdeling van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1012, de uitspraak van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:1622 en de uitspraak van 15 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2073.
4.Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).
5.Pagina 7.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1012
7.Een LHBTI+- organisatie.
8.Ook een LHBTI+-organisatie.
9.Pagina 12 van het nader gehoor.
10.Pagina 15 van het nader gehoor.
11.Pagina 16 van het nader gehoor.
12.Pagina’s 41 en 42 van het nader gehoor.