Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 27 september 2023 ontvangen, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Eiseres stelde de minister op 6 maart 2025 tijdig in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de beslistermijn van 21 maanden ruimschoots is overschreden. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van zes weken op, waarin de minister alsnog een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
De rechtbank kan geen bestuurlijke dwangsom vaststellen omdat de wettelijke bepalingen hierover per 15 april 2025 niet meer van kracht zijn en de minister niet tijdig heeft beslist noch tijdig in gebreke is gesteld vóór die datum. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 467,- vanwege de professionele juridische hulpverlener die eiseres inschakelde.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober en is uitgesproken op 2 april 2026. Eiseres krijgt gelijk en de minister wordt verplicht binnen zes weken alsnog te beslissen, onder dreiging van een dwangsom.