Eiser en gedaagde waren vrienden met een gezamenlijke interesse in crypto. Eiser gaf gedaagde geld om crypto voor hem te kopen en beheren. Gedaagde gebruikte dit geld echter voor eigen doeleinden, waaronder gokken, en verhulde dit voor eiser.
Eiser vorderde schadevergoeding voor het verlies van potentiële winst op de crypto, nadat gedaagde de inleg met rente had terugbetaald. De rechtbank stelde vast dat gedaagde onrechtmatig handelde en aansprakelijk is voor de schade, maar dat de omvang van de schade onvoldoende concreet was onderbouwd. Daarom verwees de rechtbank de zaak naar een schadestaatprocedure om de exacte schade vast te stellen.
Gedaagde voerde aan dat er geen overeenkomst van opdracht was en dat de inleg met rente was terugbetaald, maar dit verweer werd verworpen. De rechtbank oordeelde dat ook bij een vriendendienst het onrechtmatig is om geld van een ander voor eigen doeleinden te gebruiken en dit te verhullen. De proceskosten werden aan eiser toegewezen.