Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 8 juli 2025 ontvangen, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Eiser stelde de minister op 20 januari 2026 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in, wat gegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en legt de minister de genoemde verplichtingen op om de procedure te bespoedigen.