Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 13 augustus 2024 ontvangen, met een beslistermijn van zes maanden. De minister heeft niet binnen deze termijn beslist, ondanks een ingebrekestelling van eiser op 28 januari 2026.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. De minister wordt opgedragen binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor af te nemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd, met een maximum van € 15.000, voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en stelt de nieuwe beslistermijn vast. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober op 2 april 2026.