ECLI:NL:RBDHA:2026:8376
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens late besluitvorming verblijfsvergunning
Verzoekster diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning. Op 5 januari 2026 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoekster haar beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De minister stemde in met het verzoek, maar vroeg om een lagere wegingsfactor toe te passen vanwege het lichte gewicht van de zaak. De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep en dat proceskostenvergoeding passend was.
De rechtbank wees een vergoeding van €467 toe, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5, waarbij rekening werd gehouden met het lichte gewicht van de zaak en het inschakelen van professionele juridische hulp. Daarnaast werd het betaalde griffierecht vergoed.
De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 6 maart 2026 in Utrecht.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van €467 aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht.