Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer op de verzetten van
[opposant 1], V-nummer: [V-nummer 1], opposant 1, en
de Minister van Asiel en Migratie, geopposeerde
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
[geboortedatum 1] 2006 en [geboortedatum 2] 1991. Zij hebben op 28 juli 2025 in Nederland asielaanvragen ingediend. Deze aanvragen zijn niet in behandeling genomen omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is. Met de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van
24 september 2025 [1] zijn de beroepen kennelijk ongegrond verklaard. De ingediende verzetten zijn bij uitspraken van 6 november 2025 ongegrond verklaard.
30 december 2025 (opposant 2) heeft de minister de asielaanvragen wederom niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is.
De rechtbank volgt opposanten niet in het betoog dat zij in staat hadden moeten worden gesteld om op een zitting in beroep meer uitleg te geven over hun ervaringen als Dublinclaimanten in Spanje. Het is aan opposanten om met de beroepsgronden zo volledig mogelijk aan te geven waarom zij het niet eens zijn met het besluit van de minister. Niet is gebleken waarom opposanten niet afdoende over hun ervaringen in Spanje hebben kunnen verklaren bij het gehoor of in de gronden van beroep. Verder waren opposanten niet bij de verzet-zitting aanwezig om dit nader toe te lichten. De rechtbank acht de genoemde omstandigheden onvoldoende om te oordelen dat de rechtbank de beroepszaak niet zonder zitting mocht afdoen. De rechtbank stelt verder vast dat wat opposanten in het verzetschrift hebben aangevoerd, gelijk is aan wat zij al in beroep hebben aangedragen. De rechtbank heeft deze gronden voldoende zorgvuldig en gemotiveerd beoordeeld. Dat opposanten het niet eens zijn met de inhoud van de uitspraken is onvoldoende om het verzet gegrond te verklaren. In wat opposanten hebben aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraken van 6 februari 2026.