ECLI:NL:RBDHA:2026:8402

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
09/369433-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a SrArt. 37b SrArt. 287 SrArt. 359 SvArt. 38e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid na doodslag op vader

De verdachte heeft zijn vader op 18 november 2024 te Rijswijk meermalen met een mes gestoken, wat leidde tot het overlijden van het slachtoffer. De rechtbank sprak de verdachte vrij van moord omdat voorbedachten rade ontbrak, maar achtte doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Uit Pro Justitia-rapportages bleek dat de verdachte leed aan een ernstige psychiatrische stoornis met psychotische ontregeling, waardoor hij niet in staat was zijn wil vrij te bepalen. Zowel de officier van justitie als de verdediging stelden dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is. De rechtbank volgde dit oordeel en ontsloeg de verdachte van alle rechtsvervolging.

Gezien de ernst van het delict, de psychiatrische problematiek en het risico op herhaling, legde de rechtbank een maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op. De rechtbank achtte een minder ingrijpende maatregel onvoldoende om de veiligheid te waarborgen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 10 april 2026.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid en krijgt terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/369433-24
Datum uitspraak: 10 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) van de P.I. [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 3 maart 2025, 27 mei 2025,
8 augustus 2025, 24 oktober 2025, 22 januari 2026 (alle pro forma) en 27 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. van Diemen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.P. van Rossum naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 17 november 2024 tot en met 18 november 2024 te Rijswijk, althans in Nederland, [het slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen in het gezicht en/of het hoofd en/of de hals en/of de borst, althans het lichaam van [het slachtoffer] te steken/snijden.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
Op 18 november 2024 om 20.11 ontving de politie een telefonische melding van een vriend van [het slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). De melder gaf aan dat zowel hij als een neef van het slachtoffer de hele dag al geen telefonisch contact met hem konden krijgen. Het laatste contact had plaatsgevonden op de avond van 17 november. Zij maakten zich zorgen, omdat het niet gebruikelijk was dat het slachtoffer niet reageerde. Daarnaast uitte de melder zorgen over de zoon van het slachtoffer, de verdachte, omdat deze in een scheiding verwikkeld zou zijn en psychische problemen zou hebben.
De verbalisanten zijn vervolgens ter plaatse gegaan. Terwijl zij onderweg waren naar de woning van het slachtoffer troffen zij in dezelfde straat de verdachte aan. Hij had een matras bij zich en was op weg naar zijn eigen woning verderop in de straat. De verbalisanten hebben kort met hem gesproken. De verdachte verklaarde dat zijn vader niet thuis was. De verdachte weigerde de deur van de woning van zijn vader te openen. Vervolgens is hij doorgelopen naar zijn eigen woning.
Daarna zijn de verbalisanten naar de woning van het slachtoffer gegaan. Toen zij door de brievenbus naar binnen keken, zagen zij het slachtoffer in een onnatuurlijke houding op de grond liggen en betraden zij de woning. Kort daarna is vastgesteld dat het slachtoffer was overleden. De verdachte is later die avond in zijn woning aangehouden.
De verdachte heeft zowel op 13 november 2025 bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij het slachtoffer onder invloed van stemmen in zijn hoofd, meermalen met een mes heeft gestoken.
Aan de verdachte wordt verweten dat hij opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, zijn vader [het slachtoffer] om het leven heeft gebracht.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het impliciet primair ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het impliciet primair ten laste gelegde en bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde bepleit.
3.4.
Vrijspraak
Voor een bewezenverklaring van moord is vereist dat komt vast te staan dat de verdachte met ‘voorbedachten rade’ heeft gehandeld. Voorbedachten rade houdt in dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Daarbij moet de verdachte de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap hebben gegeven.
Hoewel de inhoud van het dossier wel enige aanknopingspunten bevat die mogelijkerwijs zouden kunnen wijzen op voorbedachten rade, acht de rechtbank deze onvoldoende om tot een bewezenverklaring daarvan te komen. Dat verdachte voorafgaand aan 18 november 2024 meerdere messen heeft aangeschaft, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van handelen na kalm beraad en rustig overleg. Niet is gebleken dat deze messen zijn aangeschaft met het doel het slachtoffer van het leven te beroven. Evenmin zijn uit het dossier andere aanwijzingen naar voren gekomen die duiden op een voorafgaand plan om het slachtoffer van het leven te beroven. Van doelgerichte voorbereiding gericht op het slachtoffer is niet gebleken.
Daarbij betrekt de rechtbank dat de verdachte heeft verklaard dat hij handelde naar aanleiding van een plotseling opgekomen ingeving, hetgeen niet wijst op een situatie waarin sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg.
De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade. Nu voorbedachten rade een bestanddeel is van het impliciet primair ten laste gelegde feit, kan moord niet wettig en overtuigend worden bewezen verklaard en wordt de verdachte daarvan vrijgesproken.
3.5.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het strafdossier met het nummer PL1500 20243744509 (doorgenummerd pagina 1 t/m 374) en het forensisch dossier (pagina 1 t/m 874) van de politie eenheid Den Haag, District Westland-Delft, met bijlagen.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 27 maart 2026;
Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgesteld op 4 december 2025 (p. 361-362 strafdossier);
3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , opgemaakt op 19 november 2024 (p. 74 strafdossier);
4. Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict, opgemaakt op 10 februari 2026 (p. 119 forensisch dossier);
5. Het rapport forensische pathologie definitief deskundigenverslag, opgesteld op 3 december 2024 (p. 58 forensisch dossier);
6. Het rapport DNA onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in Rijswijk op 18 november 2024, opgesteld door het NFI op 8 mei 2025 (p. 842 forensisch dossier);
7. De microanalyse van invasief trauma (MIT) aan lichaamsmateriaal naar aanleiding van een geweldsdelict in Rijswijk (ZH) op 18 november 2024, opgesteld door het NFI op 10 juli 2025 (p. 861 forensisch dossier).
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 18 november 2024 te Rijswijk [het slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een mes meermalen in het hoofd en de hals en de borst van [het slachtoffer] te steken en te snijden.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
Pro Justitia-rapportages
De rechtbank heeft acht geslagen op de bevindingen en conclusies van J.M. Meijer, psychiater, en I.F.J. Bronnenberg, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, zoals neergelegd in hun gezamenlijke Pro Justitia-rapport van 20 januari 2026.
De deskundigen concluderen dat bij de verdachte sprake is van ernstige psychiatrische problematiek in de vorm van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. In de maanden voorafgaand aan het ten laste gelegde raakte de verdachte toenemend psychotisch ontregeld, waarbij sprake was van paranoïde, religieuze, betrekkings- en misidentificatiewanen en auditieve hallucinaties in de vorm van stemmen die hem opdrachten gaven. De verdachte verkeerde onder meer in de veronderstelling dat hij werd gevolgd en afgeluisterd en dat personen in zijn omgeving zich voordeden als anderen.
Ten tijde van het ten laste gelegde was sprake van een floride psychotische ontregeling met een ernstig gestoorde realiteitstoetsing. De verdachte verkeerde in de overtuiging dat zijn vader een andere, vijandige persoon was en hoorde stemmen die hem opdroegen zijn vader te snijden. Volgens de deskundigen ervoer de verdachte deze stemmen als dwingend en was hij niet in staat hieraan weerstand te bieden. Zij achten aannemelijk dat deze psychotische ontregeling reeds langere tijd voorafgaand aan het feit aanwezig was en in ernst was toegenomen in de aanloop naar het delict. Gelet op de aard en ernst van de stoornis concluderen de deskundigen dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in zodanige mate werd gestuurd door zijn psychotische belevingen dat hij niet vrij was zijn wil te bepalen en overeenkomstig die wil te handelen. Zij adviseren daarom het ten laste gelegde niet aan de verdachte toe te rekenen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en inzichtelijk zijn verwoord. Zij legt deze conclusies dan ook aan haar oordeel over de strafbaarheid van de verdachte ten grondslag en komt op basis daarvan tot het oordeel dat het bewezenverklaarde niet aan de verdachte kan worden toegerekend. De verdachte is daarom niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.Oplegging van de maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de eventuele oplegging van een straf, dan wel maatregel.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De ernst van het feit
De verdachte heeft zijn vader meermalen met een mes gestoken, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Daarmee heeft de verdachte het meest fundamentele rechtsgoed, te weten het recht op leven, geschonden.
Het feit heeft plaatsgevonden binnen de huiselijke sfeer en betreft geweld tegen een direct familielid, waarbij sprake was van een bijzondere vertrouwensrelatie. Het geweld werd uitgevoerd met een scherp mes en omvatte meerdere verwondingen aan het hoofd en de borst, waarvan twee steekletsels direct hebben bijgedragen tot het overlijden.
Het feit heeft onherstelbaar leed veroorzaakt en kan gevoelens van onveiligheid in de omgeving en samenleving versterken. De combinatie van het directe geweld, de aard van de verwondingen en de familierelatie plaatst dit delict in de categorie van zeer ernstige geweldsdelicten.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte van 28 januari 2025. Daaruit blijkt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet voor soortgelijke ernstige geweldsdelicten.
De Pro Justitia-rapportages
De deskundigen concluderen dat het risico op herhaling van ernstig geweld door de verdachte in belangrijke mate samenhangt met zijn psychotische ontregeling. Indien opnieuw sprake zou zijn van een psychotische decompensatie, bestaat het risico dat verdachte wederom paranoïde, religieuze en misidentificatiewanen ontwikkelt en auditieve hallucinaties ervaart die hem aanzetten tot agressief handelen.
De deskundigen achten van belang dat de verdachte in het verleden zorg heeft afgehouden en slechts beperkt ziektebesef en -inzicht heeft. Hoewel de verdachte inmiddels antipsychotische medicatie gebruikt en daarvan enig effect zichtbaar is, is nog geen sprake van volledige remissie van de psychotische symptomen. Daarnaast is het inzicht van de verdachte in zijn stoornis nog pril en is onduidelijk in hoeverre hij zich op de langere termijn aan behandeling zal blijven committeren.
De deskundigen achten een klinische behandeling in een forensisch kader noodzakelijk, waarbij niet alleen behandeling maar ook risicobeheersing centraal staat. Gelet op de ernst van de stoornis, de nog beperkte behandelmotivatie, het ontbreken van voldoende beschermende factoren in de leefomgeving van de verdachte en het matig tot hoog ingeschatte recidiverisico, adviseren zij om de verdachte te behandelen in het kader van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Een minder ingrijpend kader, zoals een terbeschikkingstelling met voorwaarden, achten zij op dit moment onvoldoende toereikend.
Het reclasseringsadvies
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het advies van de reclassering van 7 maart 2026.
De reclassering acht de huidige motivatie van de verdachte voor behandeling beperkt, oppervlakkig en voornamelijk extrinsiek van aard. De verdachte is niet consistent in zijn medewerking en blijft op onderdelen vaag of ontkennend, terwijl nog onduidelijkheid bestaat over de diagnostiek. Gelet hierop acht de reclassering het risico op het niet naleven van voorwaarden hoog en het risico op recidive gemiddeld tot hoog.
De reclassering adviseert daarom negatief ten aanzien van een terbeschikkingstelling met voorwaarden en acht een dergelijk kader onvoldoende om de risico’s te beheersen.
Maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege
Omdat de beoordeling van de psychische toestand van de verdachte en de risico-inschatting complex en kwetsbaar zijn, ziet de rechtbank geen grond om af te wijken van de eensluidende en zorgvuldig gemotiveerde adviezen van de gedragsdeskundigen en de reclassering. De rechtbank acht de adviezen duidelijk, consistent en overtuigend onderbouwd. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.
De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de verdachte behandeling behoeft in een beveiligde forensische setting. Daarbij weegt zwaar dat de verdachte nog onvoldoende ziektebesef en ziekte-inzicht heeft ontwikkeld. Hoewel de verdachte heeft verklaard dat hij inmiddels meer inzicht heeft in zijn handelen, blijkt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting dat dit inzicht nog in ontwikkeling is en nog niet kan worden aangemerkt als bestendig en geïnternaliseerd. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verdachte zijn handelen deels verklaart op een wijze die voor hemzelf aanvaardbaar is, maar dat hij nog onvoldoende besef heeft van de onderliggende psychotische problematiek en de risico’s die daarmee samenhangen.
Daarnaast is het inzicht van de verdachte in het delict en de relatie tussen zijn stoornis en het gepleegde feit nog ontoereikend. Dit vergroot het risico dat de verdachte zich in de toekomst aan behandeling zal onttrekken of deze niet zal blijven volgen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een minder ingrijpende maatregel, zoals een terbeschikkingstelling met voorwaarden, onvoldoende waarborgen biedt om het recidiverisico te beperken. Onder deze omstandigheden is een kader noodzakelijk waarin behandeling kan worden afgedwongen. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen vereisen daarom dat de verdachte wordt behandeld in het kader van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.
De wettelijke vereisten
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling. De verdachte heeft een misdrijf begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts was ten tijde van het begaan van het feit sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel.
Ongemaximeerde tbs
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr stelt de rechtbank vast dat het bewezen verklaarde feit een misdrijf is dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
doodslag;
verklaart de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde
nietstrafbaar en
ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;
gelast de
terbeschikkingstellingvan de verdachte;
beveelt dat de verdachte
van overheidswege zal worden verpleegd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. van de Griend, voorzitter,
mr. P. van Essen, rechter,
mr. T.A.B. Mentink, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. V.K.M. Hanssen en S.F. Schippers, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 april 2026.