6.3.Het oordeel van de rechtbank
De ernst van het feit
De verdachte heeft zijn vader meermalen met een mes gestoken, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Daarmee heeft de verdachte het meest fundamentele rechtsgoed, te weten het recht op leven, geschonden.
Het feit heeft plaatsgevonden binnen de huiselijke sfeer en betreft geweld tegen een direct familielid, waarbij sprake was van een bijzondere vertrouwensrelatie. Het geweld werd uitgevoerd met een scherp mes en omvatte meerdere verwondingen aan het hoofd en de borst, waarvan twee steekletsels direct hebben bijgedragen tot het overlijden.
Het feit heeft onherstelbaar leed veroorzaakt en kan gevoelens van onveiligheid in de omgeving en samenleving versterken. De combinatie van het directe geweld, de aard van de verwondingen en de familierelatie plaatst dit delict in de categorie van zeer ernstige geweldsdelicten.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte van 28 januari 2025. Daaruit blijkt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet voor soortgelijke ernstige geweldsdelicten.
De Pro Justitia-rapportages
De deskundigen concluderen dat het risico op herhaling van ernstig geweld door de verdachte in belangrijke mate samenhangt met zijn psychotische ontregeling. Indien opnieuw sprake zou zijn van een psychotische decompensatie, bestaat het risico dat verdachte wederom paranoïde, religieuze en misidentificatiewanen ontwikkelt en auditieve hallucinaties ervaart die hem aanzetten tot agressief handelen.
De deskundigen achten van belang dat de verdachte in het verleden zorg heeft afgehouden en slechts beperkt ziektebesef en -inzicht heeft. Hoewel de verdachte inmiddels antipsychotische medicatie gebruikt en daarvan enig effect zichtbaar is, is nog geen sprake van volledige remissie van de psychotische symptomen. Daarnaast is het inzicht van de verdachte in zijn stoornis nog pril en is onduidelijk in hoeverre hij zich op de langere termijn aan behandeling zal blijven committeren.
De deskundigen achten een klinische behandeling in een forensisch kader noodzakelijk, waarbij niet alleen behandeling maar ook risicobeheersing centraal staat. Gelet op de ernst van de stoornis, de nog beperkte behandelmotivatie, het ontbreken van voldoende beschermende factoren in de leefomgeving van de verdachte en het matig tot hoog ingeschatte recidiverisico, adviseren zij om de verdachte te behandelen in het kader van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Een minder ingrijpend kader, zoals een terbeschikkingstelling met voorwaarden, achten zij op dit moment onvoldoende toereikend.
Het reclasseringsadvies
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het advies van de reclassering van 7 maart 2026.
De reclassering acht de huidige motivatie van de verdachte voor behandeling beperkt, oppervlakkig en voornamelijk extrinsiek van aard. De verdachte is niet consistent in zijn medewerking en blijft op onderdelen vaag of ontkennend, terwijl nog onduidelijkheid bestaat over de diagnostiek. Gelet hierop acht de reclassering het risico op het niet naleven van voorwaarden hoog en het risico op recidive gemiddeld tot hoog.
De reclassering adviseert daarom negatief ten aanzien van een terbeschikkingstelling met voorwaarden en acht een dergelijk kader onvoldoende om de risico’s te beheersen.
Maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege
Omdat de beoordeling van de psychische toestand van de verdachte en de risico-inschatting complex en kwetsbaar zijn, ziet de rechtbank geen grond om af te wijken van de eensluidende en zorgvuldig gemotiveerde adviezen van de gedragsdeskundigen en de reclassering. De rechtbank acht de adviezen duidelijk, consistent en overtuigend onderbouwd. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.
De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de verdachte behandeling behoeft in een beveiligde forensische setting. Daarbij weegt zwaar dat de verdachte nog onvoldoende ziektebesef en ziekte-inzicht heeft ontwikkeld. Hoewel de verdachte heeft verklaard dat hij inmiddels meer inzicht heeft in zijn handelen, blijkt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting dat dit inzicht nog in ontwikkeling is en nog niet kan worden aangemerkt als bestendig en geïnternaliseerd. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verdachte zijn handelen deels verklaart op een wijze die voor hemzelf aanvaardbaar is, maar dat hij nog onvoldoende besef heeft van de onderliggende psychotische problematiek en de risico’s die daarmee samenhangen.
Daarnaast is het inzicht van de verdachte in het delict en de relatie tussen zijn stoornis en het gepleegde feit nog ontoereikend. Dit vergroot het risico dat de verdachte zich in de toekomst aan behandeling zal onttrekken of deze niet zal blijven volgen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een minder ingrijpende maatregel, zoals een terbeschikkingstelling met voorwaarden, onvoldoende waarborgen biedt om het recidiverisico te beperken. Onder deze omstandigheden is een kader noodzakelijk waarin behandeling kan worden afgedwongen. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen vereisen daarom dat de verdachte wordt behandeld in het kader van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.
De wettelijke vereisten
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling. De verdachte heeft een misdrijf begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts was ten tijde van het begaan van het feit sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel.
Ongemaximeerde tbs
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr stelt de rechtbank vast dat het bewezen verklaarde feit een misdrijf is dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.