Eiser, een Somalische asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de minister op 29 oktober 2025 werd afgewezen. De minister baseerde de afwijzing op het standpunt dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van het beleid “Eerdere confrontatie met wandaden” en dat hij geen reëel risico liep bij terugkeer naar Somalië.
Eiser stelde dat hij ernstig mishandeld was door Al-Shabaab en getuige was van de moord op zijn vriend tijdens gevangenneming. De rechtbank oordeelde dat de minister zich onvoldoende had gemotiveerd waarom deze gebeurtenissen niet als wandaden in de zin van het beleid konden worden aangemerkt. De rechtbank vond dat het horen van de moord op zijn vriend in zijn directe omgeving ook als confrontatie met wandaden moet worden beschouwd.
De rechtbank verwierp de stelling van de minister dat eiser niet ernstig mishandeld was zonder nadere toelichting. Gezien de geloofwaardige verklaringen van eiser achtte de rechtbank de afwijzing onvoldoende gemotiveerd en verklaarde het beroep gegrond. De minister werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak, en werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.