Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8435

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
NL25.61586
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 sub c Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige verklaringen over drugs en ontvoeringen

Eiser, een Georgische staatsburger, diende op 5 november 2025 een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie op 15 december 2025 werd afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op het oordeel dat de verklaringen van eiser over het meenemen van drugs en geld en de daaruit voortvloeiende ontvoeringen en mishandelingen niet geloofwaardig waren.

Eiser stelde dat hij in Georgië was ontvoerd en mishandeld vanwege het bezit van drugs en geld, waarna hij vluchtte naar Duitsland en later Frankrijk, waar hij opnieuw mishandeld werd. Hij vreesde voor zijn leven bij terugkeer naar Georgië. De rechtbank oordeelde echter dat de verklaringen van eiser tegenstrijdigheden bevatten, zoals het verschil in beschrijving van de ontvoering en mishandeling, en dat hij onvoldoende concrete feiten had aangevoerd om aannemelijk te maken dat de criminelen hem konden vinden.

Daarnaast kon eiser niet aantonen dat hij in Georgië geen bescherming kon krijgen, terwijl hij slechts algemene beweringen over corruptie en connecties tussen politie en criminelen aanvoerde zonder onderbouwing. De rechtbank concludeerde dat de minister terecht de aanvraag als ongegrond had afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardige verklaringen en onvoldoende onderbouwing van het beschermingsbehoefte.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61586

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag wel in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het meenemen van drugs en geld en daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig zijn, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 5 november 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 december 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser bijgestaan door zijn gemachtigde (via een beeldverbinding) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Georgische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1987. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is in 2012 in de problemen gekomen, omdat hij samen met een vriend drugs en geld had gevonden. Zij hebben het geld en de drugs samen opgemaakt, waarna zij twee keer zijn ontvoerd door de eigenaren van het geld en de drugs. Tijdens deze ontvoeringen zijn eiser en zijn vriend mishandeld en bedreigd. Uit angst heeft eiser geen aangifte van deze ontvoeringen gedaan. In 2014 of 2015 is eiser naar Duitsland gevlucht, uit angst om nogmaals te worden ontvoerd en mishandeld. Eiser is toen door de Duitse autoriteiten uitgezet naar Georgië. Met de hulp van een monnik wist eiser opnieuw te vluchten, ditmaal naar Frankrijk. Daar is hij door Tsjetsjenen mishandeld, die mogelijk in verbinding staan met de eigenaren van het geld en de drugs. Eiser vreest bij terugkeer naar Georgië gedood te worden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de asielmotieven 1) identiteit, nationaliteit en herkomst en 2) dat eiser problemen heeft in Georgië.
4.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Hij vindt echter ongeloofwaardig dat eiser in de problemen is gekomen vanwege het meenemen van drugs en geld. Hij heeft daarom alleen gekeken of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Omdat dit volgens de minister niet het geval is, heeft hij de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister het tweede asielmotief (dat eiser drugs en geld heeft meegenomen en als gevolg hiervan problemen heeft gekregen) ongeloofwaardig kunnen achten?
5. Eiser betoogt dat de minister het meenemen van drugs en geld en de daaruit voortvloeiende problemen ten onrechte ongeloofwaardig vindt. Allereerst stelt eiser dat zijn verklaringen over hoe zijn ontvoering is gegaan niet wisselend zijn, maar dat de minister een verkeerde lezing heeft gegeven aan zijn verklaringen. Verder betoogt eiser dat hij voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt hoe de criminelen hem (hebben) kunnen vinden en dat deze feiten en omstandigheden voldoende concreet zijn. Tot slot stelt eiser dat hij niet wisselend heeft verklaard over de gebeurtenissen in Frankrijk, en wijst ter onderbouwing op zijn toelichting in de zienswijze.
5.1.
Niet in geschil is dat eiser het tweede asielmotief niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.
5.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers verklaringen over het meenemen van drugs en geld en daaruit voortvloeiende problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Zo stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn ontvoering. Eiser verklaart namelijk aan de ene kant dat hij werd geblinddoekt toen hij werd ontvoerd, maar aan de andere kant ook dat hij
zagdat hij werd geslagen toen hij in de auto zat. Het voorgaande is niet met elkaar te rijmen, zodoende is sprake van een tegenstrijdigheid. De rechtbank ziet hierbij niet in waarom de minister – zoals eiser betoogt – een verkeerde lezing zou hebben gegeven aan eisers verklaringen. Ook betrekt de minister hier terecht bij dat eiser in zijn zienswijze een andere versie geeft over zijn ontvoering. Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser op (niet meer dan) vermoedens baseert hoe de eigenaren van de drugs en het geld erachter zijn gekomen dat hij hun eigendom had meegenomen. Eiser denkt slechts dat iemand heeft gesproken en dat veel mensen dit zouden weten, omdat Tbilisi erg klein is. Eiser kan dat echter niet concretiseren en de minister wijst er terecht op dat Tbilisi 1,1 miljoen inwoners heeft, waarop eiser verder niet is ingegaan. Uit eisers verklaringen valt dus niet af te leiden hoe deze eigenaren hadden moeten weten dat eiser hun geld en drugs had meegenomen. Daarnaast concludeert de minister terecht dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn mishandeling in Frankrijk, omdat hij verschillende situaties schetst over hoe deze mishandeling is verlopen. Eiser verklaart namelijk in eerste instantie dat hij in Frankrijk zo erg is mishandeld dat hij zich niet meer kon bewegen, maar verklaart later dat hij (slechts) door één Tsjetsjeen is gebeld en vervolgens door twee Tsjetsjenen is aangesproken. Tot slot is van belang dat eiser in beroep niet meer betwist dat zijn stelling dat de mannen die eiser hebben ontvoerd veel macht hebben, alleen is gebaseerd op vermoedens. Deze tegenwerping wordt dan ook niet besproken.
Kan eiser bescherming krijgen in Georgië?
6. Eiser betoogt dat hij geen bescherming zal kunnen krijgen in Georgië. Volgens eiser is het algemeen bekend dat politie en autoriteiten in landen als Georgië corrupt zijn en connecties met criminelen hebben. De minister mag niet van eiser verlangen dat hij nader onderbouwt dat de politie contact heeft met criminelen of dat de politie alleen voor rijke mensen werkt, omdat eiser daar geen bewijsstuk over kan verkrijgen. Een dergelijk bewijsstuk wordt immers aan niemand afgegeven.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet valt in te zien waartegen eiser in Georgië moet worden beschermd. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de autoriteiten van Georgië hem geen bescherming kan bieden. [1] Eiser is hier niet in geslaagd en volstaat met algemeenheden zonder deze te onderbouwen.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1320).