Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8437

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
NL26.2228
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30a Vw 2000Art. 31 Vw 2000Artikel 4 KwalificatierichtlijnenVreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en onvoldoende onderbouwing Vikings-cult

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende een asielaanvraag in die werd afgewezen door de minister van Asiel en Migratie wegens het niet aannemelijk maken van zijn identiteit en onvoldoende onderbouwing van zijn asielmotieven, waaronder problemen met de Vikings-cult. De rechtbank bevestigt dat eiser zijn identiteit niet met voldoende objectieve documenten heeft onderbouwd en dat zijn verklaringen hierover niet samenhangend en aannemelijk zijn. Ook het gebruik van een vals Roemeens paspoort en het opgeven van verschillende personalia wekken twijfel.

Daarnaast acht de rechtbank de door eiser gestelde problemen met de Vikings-cult ongeloofwaardig, mede omdat hij geen relevante documenten kon overleggen en zijn verklaringen inconsistent waren, zoals het direct melden van een bloed-eed aan de politie. Ook heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend, wat tegen hem wordt gewogen.

De rechtbank concludeert dat de minister de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier F. Metz op 9 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en onvoldoende onderbouwing van de asielmotieven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2228

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van zijn aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich namelijk niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit niet met documenten heeft onderbouwd, dat zijn verklaringen hierover twijfel zaaien en dat hij gebruik heeft gemaakt van een vals identiteitsdocument. Daarnaast heeft de minister terecht gesteld dat de door eiser gestelde problemen met de Vikings-cult vanwege een inwijdingsritueel en een afgelegde bloed-eed niet met documenten zijn onderbouwd en heeft de minister die problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Ook heeft de minister terecht gesteld dat eiser niet zo snel als mogelijk zijn asielaanvraag heeft ingediend en dat hij ‘in hoofdlijnen’ niet geloofwaardig is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 gaat de rechtbank in op de intrekking van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de opvolgende asielvraag van eiser. In overweging 4 zet de rechtbank eisers asielrelaas uiteen en onder 4.1. staat een overzicht van de door eiser overgelegde documenten. Onder 5 staan eisers asielmotieven en het standpunt van de minister daarover in het bestreden besluit. Het toetsingskader van de geloofwaardigheidsbeoordeling staat in overweging 6. De rechtbank gaat onder 7 vervolgens in op de vraag of de minister eisers identiteit niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. In overweging 8 bespreekt zij of de minister eisers problemen met de Vikings-cult niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Onder 9 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 december 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en dat besluit, zo is op zitting bevestigd door de minister, is op 13 januari 2026 bekendgemaakt. Eiser heeft op 13 januari 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.1.
Op 2 januari 2026 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is met het bestreden besluit van 17 januari 2026 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Volgens de minister heeft eiser aan zijn opvolgende aanvraag namelijk geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag gelegd. Op 23 januari 2026 heeft eiser afzonderlijk beroep (zaaknummer NL26.4198) ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn opvolgende aanvraag.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep samen met NL26.2229, NL26.4198 en NL26.4199 op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Intrekking beroep en voorlopige voorziening opvolgende aanvraag
3. Eiser heeft zijn beroep en verzoek om voorlopige voorziening, gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn opvolgende aanvraag (zaaknummers NL26.4198 en NL26.4199) op de zitting ingetrokken. De rechtbank doet daarom enkel uitspraak op de onderhavige zaak en het bijbehorende verzoek om voorlopige voorziening (NL26.2229), die zien op de kennelijk ongegrondverklaring van eisers asielaanvraag.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedag] 1998. Eiser heeft verklaard dat hij problemen heeft gehad met de Vikings-cult. Eiser heeft samen met drie anderen een inwijdingsceremonie afgelegd om toe te treden tot de Vikings-cult. Daarbij is een jongen om het leven gekomen. Eiser heeft vervolgens een bloed-eed afgelegd om hierover te zwijgen. Na de ceremonie heeft hij die eed echter verbroken door zijn moeder, de burgerwacht en de politie in te lichten. Zijn moeder is daarop doodgeschoten en hijzelf heeft meerdere kogelverwondingen opgelopen, waardoor hij in het ziekenhuis moest worden opgenomen. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiser dat hij alsnog wordt gedood. Dat is ook gebeurd met de twee andere jongens die werden ingewijd. Zij zijn naar Ghana gevlucht maar bij terugkomst in Nigeria gedood.
4.1.
Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser in beroep de volgende documenten overgelegd:
- geboorteakte;
- Certificate of Origin;
- Belgische ziekenhuisstukken;
- brief arts Nigeria (Nigeriaans ziekenhuisstuk).
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen met de Vikings-cult.
5.1.
De minister acht het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst deels geloofwaardig. Eisers nationaliteit en herkomst zijn geloofwaardig, maar zijn identiteit wordt door de minister niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn verklaringen over zijn identiteit namelijk niet onderbouwd met objectieve documenten die het asielmotief volledig onderbouwen. Ook voldoet eiser, voor het asielmotief identiteit, volgens de minister niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, d en e, van de Vw 2000. Dat eiser problemen heeft gehad met de Vikings-cult acht de minister evenmin geloofwaardig. Eiser heeft ook dit asielmotief niet onderbouwd met objectieve documenten. Vervolgens voldoet hij niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c, d en e, van de Vw 2000, zodat de minister hem niet het voordeel van de twijfel geeft. De geloofwaardig geachte nationaliteit en herkomst maken niet dat eiser wordt aangemerkt als een vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Dat eiser uit Nigeria komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn of om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.
Wat is het juridisch kader?
6. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister de vanaf 1 juli 2024 geldende WI 2024/6 heeft toegepast. In dit beleid zijn veranderingen doorgevoerd in de wijze waarop de minister de geloofwaardigheid van de asielmotieven beoordeelt. Hiermee is ook WI 2014/10 ingetrokken. Dit nieuwe beleid is een uitwerking van artikel 31 van Pro de Vw 2000, dat de implementatie is van artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn [1] en een nadere invulling van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Uit WI 2024/6 volgt dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling bestaat uit drie verschillende stappen. In stap 2a wordt beoordeeld of het asielmotief met voldoende objectieve bewijsstukken is onderbouwd. Indien dit niet het geval is, wordt in stap 2b beoordeeld of het asielmotief op grond van de verklaringen toch geloofwaardig is.
Acht de minister eisers identiteit ten onrechte ongeloofwaardig?
7. Eiser betoogt dat de minister zijn identiteit ten onrechte ongeloofwaardig acht. Eiser heeft bij de aanvang van zijn asielprocedure namelijk documenten overgelegd die zijn identiteit onderbouwen, waaronder een ‘Certificate of Origin’ en een geboorteakte. De minister stelt dan ook ten onrechte dat aan de overgelegde documenten geen waarde kan worden gehecht. Verder is deze conclusie prematuur omdat er op het moment van beslissen nog geen uitslag was van het door Bureau Documenten verrichte onderzoek. Daarbij komt dat de minister door het niet afwachten van de uitslag van Bureau Documenten handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat asielzoekers tijdens de reis gebruik maken van andere documenten. Van bewuste misleiding van de minister is dan ook geen sprake. Eiser heeft zijn eigen personalia opgegeven.
Asielmotief identiteit; onderbouwing met documenten (stap 2a)
7.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser in de eerste plaats betwist dat hij zijn verklaringen en het asielmotief identiteit niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd. De rechtbank zal daarom eerst ingaan op de vraag of de minister zich op dat standpunt mocht stellen. Zij beantwoordt deze vraag bevestigend. De minister stelt terecht dat de geboorteakte en de ‘Certificate of Origin’ geen identificerende documenten zijn die eisers identiteit onderbouwen. Verder heeft de minister op de zitting toegelicht dat de documenten uiteindelijk wel zijn beoordeeld door Bureau Documenten, maar dat de minister de uitslag van het onderzoek niet heeft afgewacht omdat de uitkomst niet relevant kon zijn voor de beoordeling van het asielmotief. De documenten kunnen namelijk enkel eisers eigen verklaringen ondersteunen. De rechtbank onderschrijft dit standpunt. Overigens is in beroep gebleken dat Bureau Documenten heeft geoordeeld dat de documenten mogelijk echt zijn, maar dat in ieder geval de geboorteakte niet volledig is. Over de juistheid van de inhoud van de documenten kon geen oordeel worden gegeven. Daarom heeft de minister terecht aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 beoordeeld of de verklaringen van eiser over zijn identiteit alsnog geloofwaardig zijn. Dat is volgens de minister niet het geval. Eiser voldoet volgens de minister niet aan artikel 31, zesde lid, onder c, d en e, van de Vw 2000. De rechtbank gaat daar hieronder verder op in.
Asielmotief identiteit; geloofwaardigheid identiteit (stap 2b)
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers verklaringen omtrent zijn identiteit geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. In de eerste plaats stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser de minister heeft misleid over zijn nationaliteit, omdat hij heeft geprobeerd om Nederland in te reizen met een vals Roemeens paspoort. Voor zover eiser betoogt dat hij niet wist dat het paspoort vals was, kan hij hierin niet worden gevolgd. Dat het paspoort niet echt was, had eiser kunnen en moeten weten. Hij heeft het paspoort immers niet op legale wijze verkregen en weet zelf ook wel dat hij niet in het bezit is van de Roemeense nationaliteit. Eisers betoog dat het algemeen bekend is dat asielzoekers andere documenten gebruiken maakt dit niet anders. De minister mocht hem dit dan ook tegenwerpen. Verder heeft de minister in dit verband niet ten onrechte meegewogen dat eiser bij zijn inreis in Italië andere personalia heeft opgegeven. Dat hij daarvoor zijn redenen had, doet er niet aan af dat daardoor meer twijfel is ontstaan over de werkelijke identiteit van eiser.
Tussenconclusie
7.3.
Gelet op het voorgaande heeft de minister de verklaringen van eiser over zijn identiteit op goede gronden ongeloofwaardig geacht. Dit onderdeel van het asielrelaas is daarom bij de beoordeling van de zwaarwegendheid van eisers vrees bij terugkeer naar Nigeria terecht buiten beschouwing gelaten.
Heeft de minister de problemen met de Vikings-cult ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
8. Eiser betoogt dat de minister zijn problemen met de Vikings-cult ten onrechte ongeloofwaardig acht. Hij heeft in de zienswijze al gemotiveerd dat hij in het nader gehoor uitgebreide en gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd over de problemen met de Vikings-cult. De minister is hier in het bestreden besluit niet gemotiveerd op ingegaan en heeft enkel verwezen naar het voornemen. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek.
Verder erkent de minister in het bestreden besluit weliswaar dat eiser littekens heeft, maar ten onrechte wordt hierover enkel opgenomen dat dit hooguit een bevestiging van het opgelopen letsel is. In het besluit is dan ook geen rekening gehouden met de verklaringen in het nader gehoor over de manier waarop het letsel bij eiser is ontstaan. Dit terwijl het ontstane letsel verband houdt met zijn asielrelaas en eisers asielrelaas bevestigt. Daarnaast erkent de minister in het bestreden besluit dat voodoo en andere rituelen een rol spelen in Nigeria. Eiser heeft verklaard dat hij de eed die hij bij de Vikings-cult heeft afgelegd heeft geschonden en dat hij door hen is bedreigd. Ook is zijn moeder vermoord door de leden van de Vikings-cult. Het bestreden besluit gaat hier ten onrechte aan voorbij. Eiser loopt bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico op ernstige schade.
Asielmotief problemen met Viking Cult; onderbouwing met documenten (stap 2a)
8.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij zijn verklaringen en zijn asielmotief volgens de minister niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd. Daarom heeft de minister terecht aan de hand van artikel 31, zesde lid, onder b, c, d en e, van de Vw 2000 beoordeeld of aan eiser het voordeel van de twijfel moet worden gegeven.
Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000 (stap 2b)
8.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser eerst tijdens de zitting nader heeft toegelicht dat hij geen document van de gedane aangifte bij de politie heeft overgelegd omdat hij tijdens het gehoor niet bij zijn e-mailaccount kon en de IND hem daartoe ook niet in staat heeft gesteld omdat hij in bewaring is gesteld. In zijn e-mailaccount heeft hij naar eigen zeggen een document dat zijn relaas kan staven. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich echter niet ten onrechte op het standpunt dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij aangifte heeft gedaan van het overlijden van zijn vriend [naam] als gevolg van het ritueel bij de Vikings-cult en dat de politie vervolgens ook onderzoek heeft gedaan. Van deze aangifte had eiser een politierapport moeten krijgen, maar dit heeft hij volgens zijn verklaringen tijdens het nader gehoor niet gehad. Dit terwijl de politie eisers telefoon wel heeft ingenomen ten behoeve van het onderzoek. [2] Vervolgens verklaart eiser op de zitting dat hij het document wel heeft, maar dat het niet gelukt is om te overleggen en dat dit buiten zijn schuld ligt. Dit betoog volgt de rechtbank niet. De rechtbank volgt het standpunt van de minister en oordeelt dat het tot eisers eigen verantwoordelijkheid behoort om de stukken in te brengen. Ook heeft de minister terecht gesteld dat eiser tijdens het gehoor heeft verklaard geen stukken te kunnen overleggen. Dat de minister eiser de mogelijkheid heeft ontnomen stukken in te brengen, valt in dit licht bezien dan ook niet te begrijpen. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000 (stap 2b)
8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers verklaringen over zijn problemen met de Vikings-cult niet samenhangend en aannemelijk zijn. In de eerste plaats volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat eiser vaag heeft verklaard over de opdracht die hij moest uitvoeren voor de Vikings-cult waarbij hij de aanwezigheid van groeperingen in het café tegenover de winkel van zijn moeder moest doorgeven aan de cult. Uit eisers verklaringen blijkt niet duidelijk wie de andere groeperingen waren en hoe eiser de groep kon herkennen. [3] Dit terwijl van hem verwacht mag worden dat hij meer details kan geven over deze groeperingen omdat de opdracht raakt aan de kern van eisers asielrelaas. Vervolgens stelt de minister niet ten onrechte dat eiser ongerijmd heeft verklaard over het afleggen van de bloed-eed in het Vikings-inwijdingsritueel en het vervolgens melding doen bij de politie. Volgens de verklaringen van eiser is hij, samen met drie anderen, tijdens het inwijdingsritueel mishandeld door slagen op de rug met een machete. Daarbij is [naam] om het leven gekomen. Na deze gebeurtenis moest eiser een bloed-eed afleggen om niets van het voorval met anderen te delen. Direct daarna is eiser echter met zijn moeder naar de burgerwacht gestapt en daarna naar de politie. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat het bevreemdend is dat eiser na een dergelijke ingrijpende gebeurtenis, waarbij iemand het leven heeft gelaten en waarbij hij een bloed-eed heeft afgelegd, direct naar de politie is gestapt en aangifte heeft gedaan. Zeker nu eiser zelf verklaart dat de Vikings-cult zich ‘onverantwoordelijk gedraagt’ [4] en hij toch enige vrees zou moeten hebben als deze cult verneemt dat hij zijn eed direct heeft geschonden. De minister stelt zich daarbij niet ten onrechte op het standpunt dat het feit dat eiser stelt littekens te hebben hooguit aantoont dat hij letsel heeft opgelopen. Maar de littekens bewijzen niet waardoor het letsel is ontstaan of in welke situatie de littekens zijn ontstaan.
Artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000
8.4.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en hier geen goede verklaring voor heeft. Eiser is namelijk op 4 november 2025 aangehouden en uit het M35-H formulier volgt dat hij pas op 17 november 2025 asiel heeft aangevraagd en het formulier diezelfde dag, tijdens zijn verblijf in het justitieel complex Schiphol, heeft ondertekend. Niet valt in te zien waarom eiser dat niet eerder kon doen, nu hij direct na zijn inreis is aangehouden en in detentie is geplaatst. Daarmee voldoet eiser niet aan het bepaalde in artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000.
Artikel 31, zesde lid, onder e, va de Vw 2000
8.5.
De minister heeft eiser nog tegengeworpen dat hij ook zelf in grote lijnen niet geloofwaardig is. De minister wijst er in dit verband op dat eiser eerder in België asiel heeft gevraagd, dat zijn aanvraag daar is afgewezen (naar zeggen van eiser ter zitting omdat zijn identiteit niet geloofwaardig werd bevonden), maar dat eiser na ontvangst van de stukken omtrent zijn identiteit niet opnieuw om asiel heeft gevraagd. In plaats daarvan heeft hij ervoor gekozen om via Nederland naar Ierland te reizen om daar te gaan werken. Enkel door het gebruik van een vals document is hij op de luchthaven Schiphol aangehouden en in detentie geplaatst. Dit getuigt niet van een daadwerkelijke wens om bescherming.
8.6.
Eiser heeft dit standpunt niet weersproken. Daarmee heeft de minister eiser ook hierom terecht niet het voordeel van de twijfel gegeven.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2011/95.
2.Pagina 9 van het aanmeldgehoor.
3.Pagina 13 van het nader gehoor.
4.Pagina 14 van het nader gehoor.