Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8489

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/09/692685 / FA RK 25-7558
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 IVRKArt. 1:266 lid 1 sub a BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag van de moeder wegens ongeschiktheid en belang minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige, geboren in 2020. De minderjarige verblijft sinds 2023 in een perspectief biedend pleeggezin vanwege een belaste voorgeschiedenis en onveilige thuissituatie bij de moeder. De moeder kampt met LVB- en persoonlijkheidsproblematiek, waaronder borderline, en heeft geen probleeminzicht.

De Raad stelde dat de moeder onvoldoende in staat is om de opvoedbehoeften van de minderjarige te vervullen en dat de samenwerking met hulpverleningsinstanties moeizaam verloopt. De moeder voerde verweer en vroeg om een hernieuwde screening van een familielid als mogelijke pleegouder, maar de rechtbank vond het onderzoek van de Raad en KSCD zorgvuldig en volledig.

De rechtbank oordeelde dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding kan dragen. Het gezag wordt daarom beëindigd en komt eenhoofdig toe aan de vader. De moeder behoudt het recht op contact, en de ouder-kindrelatie blijft van belang. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en wordt aangetekend in het gezagsregister.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en komt eenhoofdig toe aan de vader.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/692685 / FA RK 25-7558
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over de gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. F.G.T. Meershoek uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
[de pleegvader] en [de pleegmoeder],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 oktober 2025;
  • de door de advocaat van de moeder nagestuurde stukken, ontvangen op 4 februari 2026;
  • de brief van de advocaat van de moeder van 6 februari 2026;
  • de brief van de Raad van 9 februari 2026 met vermindering van het verzoek;
  • de brief van de gecertificeerde instelling van 9 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] namens de Raad;
  • de moeder met haar advocaat;
- [naam 2] en [naam 3] namens de gecertificeerde instelling.
De vader en de pleegouders zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat deze personen wel juist zijn opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] , blijkens een aantekening in het gezagsregister van 27 mei 2025.
2.3.
[de minderjarige] verblijft in een perspectief biedend pleeggezin.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 9 oktober 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt – na wijziging van het verzoek – het gezag van de moeder te beëindigen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek, schriftelijk en ter zitting, als volgt gemotiveerd.
3.2.
[de minderjarige] heeft een belaste voorgeschiedenis en zij heeft in haar eerste levensjaren onvoldoende veiligheid, stabiliteit en continuïteit in de thuissituatie bij de moeder gekend. [de minderjarige] is veelvuldig blootgesteld aan spanningen en zij heeft meerdere malen moeten wisselen van woonplek, opvoeders en opvoedsituaties. [de minderjarige] is sinds 2022 uithuisgeplaatst en zij verblijft nu sinds augustus 2023 in het perspectief biedende pleeggezin. [de minderjarige] lijkt zich hier veilig en vertrouwd te voelen. De moeder kampt met persoonlijke problematiek. Zij heeft een belast verleden, er is sprake van LVB-problematiek en er zijn duidelijke aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek (door NIFP is in 2019 borderline persoonlijkheidsproblematiek vastgesteld). Daarnaast speelt problematiek ten aanzien van financiën en huisvesting. Het is de moeder de afgelopen jaren niet gelukt om een voorspelbare en veilige opvoedsituatie voor [de minderjarige] te creëren. De afgelopen jaren is gekeken naar mogelijkheden voor thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. In 2024 heeft het Kennis-en servicecentrum voor diagnostiek (hierna: KSCD) onderzocht of [de minderjarige] (weer) bij de moeder kon wonen. Het KSCD heeft aangegeven dat door de persoonlijkheidsproblematiek en de daarmee samenhangende sterke emotionele kwetsbaarheid er significante pedagogische- en affectieve beperkingen zijn en dat de moeder onvoldoende in staat is om [de minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft. De moeder heeft geen probleeminzicht en zij gaat sterk uit van haar eigen behoeften in het contact met [de minderjarige] . Zij voelt niet goed aan wat [de minderjarige] van haar nodig heeft en het lukt haar niet om het belang van [de minderjarige] te laten prevaleren boven haar eigen belang. Zo wordt tijdens de (begeleide) contactmomenten gezien dat de moeder [de minderjarige] kan belasten met haar eigen problematiek. De moeder kan, zonder afscheid te nemen, de contactmomenten verlaten en kan zij zich boos uiten richting [de minderjarige] .
3.3.
Daarnaast verloopt de samenwerking tussen de moeder en de (hulpverlenings)instanties moeizaam. De moeder is wantrouwend en laat verbaal agressief gedrag zien. De grote weerstand die de moeder ervaart richting de (hulpverlenings)instanties zorgt ervoor dat er weinig tot geen vooruitgang kan worden geboekt. Ook is de moeder moeilijk te bereiken door de (hulpverlenings)instanties, waardoor het niet lukt om, samen met de moeder, belangrijke beslissingen over [de minderjarige] te nemen. Zo duurt het lang voordat belangrijke zaken, zoals een ID-kaart aanvragen, aanmelding bij een peuterspeelzaal en het inzetten van behandeling (kinderarts en Yulius) kunnen worden geregeld. De moeder is daarbij thans in mindere mate betrokken bij de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] , zij is onvoldoende geïnformeerd en het lukt haar niet om mee te denken over de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] . Volgens de Raad is dit niet in het belang van [de minderjarige] en ondervindt zij hiervan nadeel. De Raad acht de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] inmiddels verstreken. De moeder heeft voldoende kansen gekregen om een thuisplaatsing mogelijk te maken en zij heeft deze kansen onvoldoende benut. Hoewel de Raad de wens van de moeder begrijpt om [de minderjarige] te plaatsen bij de moeder, de vader of de oma vaderszijde, acht de Raad dit niet in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft continuïteit, veiligheid en stabiliteit nodig opdat zij zich (verder) kan gaan ontwikkelen en het is dan ook van belang dat de plaatsing van [de minderjarige] bij de pleegouders geborgd wordt. De moeder heeft wel nog steeds recht op contact met [de minderjarige] , maar wel op een voor [de minderjarige] passende manier. Gelet op het voorgaande acht de Raad een beëindiging van het gezag van de moeder in het belang van [de minderjarige] . Het feit dat met de gezagsbeëindiging van de moeder thans het eenhoofdig gezag bij de vader zal komen te rusten maakt dit voor de Raad niet anders.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder wil het beste voor [de minderjarige] en zij begrijpt dat zij niet volledig voor [de minderjarige] kan zorgen, maar zij zou wel een grote rol in het leven van [de minderjarige] willen hebben. De afgelopen periode is er veel gebeurd. De ouders zijn twee weken geleden op de hoogte gesteld van het feit dat [de minderjarige] heftige uitspraken heeft gedaan over seksueel grensoverschrijdend gedrag van haar voormalig pleegvader. Deze gebeurtenissen hebben volgens de moeder invloed op de eerder uitgevoerde screening van de oma vaderszijde en op het onderzoek van de Raad. De vraag is of het gedrag dat [de minderjarige] tijdens de screening liet zien in het contact met de oma vaderszijde samenhangt met de gebeurtenis die zij heeft meegemaakt in het voormalige pleeggezin. De moeder wenst dat er opnieuw een screening van een plaatsing bij de oma vaderszijde gaat plaatsvinden. De voorkeur heeft namelijk dat [de minderjarige] opgroeit binnen het familienetwerk. De advocaat heeft verder aangevoerd dat het onderzoek van de Raad onvolledig is geweest, omdat de Raad is uitgegaan van de situatie waarin de moeder eenhoofdig met het gezag over [de minderjarige] is belast. Dit terwijl zowel de vader en de moeder belast zijn met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . Hierdoor is de vader niet meegenomen in het onderzoek van de Raad. Het beeld dat door de Raad en de gecertificeerde instelling wordt geschetst is niet volledig en gedateerd. Op basis van dit onderzoek kan volgens de moeder haar gezag over [de minderjarige] niet worden beëindigd. Daarbij verloopt de samenwerking tussen de moeder en de gecertificeerde instelling niet moeizaam. Het is niet juist dat de moeder niet (tijdig) heeft getekend voor een aanvraag van een identiteitsbewijs van [de minderjarige] . De gecertificeerde instelling heeft – zo bleek destijds op de zitting – verzuimd de moeder te vragen om te tekenen voor de aanvraag van een ID-kaart. Daar komt bij dat het beter gaat met de moeder. De Raad heeft aangegeven dat er duidelijkheid moet komen voor [de minderjarige] , maar de moeder meent dat het beëindigen van alleen het gezag van de moeder geen duidelijkheid zal gaan creëren voor [de minderjarige] . De vader wilde eerder niet het gezag en hij is nooit betrokken geweest in het leven van [de minderjarige] , zoals de moeder. De vader heeft de moeder een screenshot gestuurd van het adres van het pleeggezin waar [de minderjarige] is misbruikt en hij bezit wapens. Het is belachelijk dat de moeder niet meer het gezag zou hebben en de vader wel. Het is van belang dat (opnieuw) wordt gekeken naar de rol van zowel de moeder als van de vader, en wat [de minderjarige] nodig heeft en in haar belang is. Yulius kan hier (mogelijk) een rol in spelen. De advocaat verzoekt – gelet op het voorgaande – om het verzoek af te wijzen en aan de gecertificeerde instelling de opdracht te geven om met de hulpverlening aan de slag te gaan.
4.2.
De gecertificeerde instelling staat achter het verzoek van de Raad. [de minderjarige] heeft nu eens in de maand een contactmoment met de moeder en de oma vaderszijde wordt op de hoogte gehouden over hoe het met [de minderjarige] gaat. [de minderjarige] is aangemeld bij Yulius voor traumabehandeling. Deze hulpverlening zal deze maand worden opgestart. De afgelopen jaren heeft de gecertificeerde instelling zich ingezet om een thuisplaatsing te realiseren. Dit is echter niet mogelijk gebleken. Vanuit het KSCD is uitgebreid onderzoek verricht, waaruit een duidelijk en helder beeld naar voren is gekomen. Daarbij loopt de samenwerking met de moeder nog steeds wisselend. De gecertificeerde instelling heeft toegelicht dat [de minderjarige] onlangs open is geweest naar de huidige pleegmoeder over een incident dat heeft plaatsgevonden bij het voormalige (crisis)pleeggezin. Hoewel de gecertificeerde instelling begrijpt dat dit veel heeft losgemaakt bij de moeder, betekent dit niet dat het onderzoek vanuit het KSCD op basis van onjuiste informatie is uitgevoerd. Het onderzoek van het KSCD ging met name over de situatie van de moeder en haar opvoedvaardigheden. Verder heeft de moeder aangekaart dat zij wenst dat de oma vaderszijde nogmaals wordt gescreend. De oma vaderszijde is eerder negatief gescreend voor een pleegzorgplaatsing. Er is toentertijd aangegeven dat de oma vaderszijde niet in staat is om de zorg over [de minderjarige] te dragen. Op dit moment is er geen aanleiding om dit (nogmaals) te onderzoeken. [de minderjarige] heeft behoefte aan duidelijkheid en stabiliteit en zij doet het goed in het pleeggezin. De zorgelijke signalen die [de minderjarige] laat zien richting de moeder en de oma vaderszijde zullen de komende tijd worden onderzocht bij Yulius.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen.
5.2.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder. [1]
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [de minderjarige] ernstig bedreigd en kan de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] niet binnen een aanvaardbare termijn dragen. [2] De rechtbank overweegt daartoe als volgt. [de minderjarige] is vlak na haar geboorte bij wege van spoedvoorziening voorlopig onder toezicht gesteld en bij beschikking van 9 oktober 2020 onder toezicht gesteld vanwege grote zorgen over de opvoedomgeving van [de minderjarige] bij de moeder. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, wat betekent dat [de minderjarige] al bijna haar hele leven onder toezicht gesteld is. Bij beschikking van 8 maart 2022 is [de minderjarige] met spoed uithuisgeplaatst vanwege aanhoudende zorgen en conflicten in de thuissituatie bij de moeder waar [de minderjarige] getuige van is geweest. Ook de uithuisplaatsing is nadien steeds verlengd. Inmiddels woont [de minderjarige] al sinds augustus 2023 in het huidige perspectief biedende pleeggezin, waar zij de stabiliteit, veiligheid en structuur geboden krijgt die zij nodig heeft. Zij heeft zich daarbij gehecht aan de pleegouders en zij voelt zich thuis bij hen. Niettemin bestaan er nog altijd zorgen over haar ontwikkeling. Vaststaat dat [de minderjarige] een fors belast verleden heeft, waarbij zij te maken heeft gehad met spanningen, inadequate opvoeding, wisselende verblijfplekken en wisselende opvoeders. Door haar belaste verleden heeft [de minderjarige] een bovengemiddelde opvoedvraag en behoefte aan rust, structuur en duidelijkheid. Uit onderzoek van het KSCD blijkt dat [de minderjarige] achterloopt in haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Zo kan zij een terugval krijgen in haar ontwikkeling als zij overvraagd wordt en zich terughoudend opstellen en gespannen gedrag vertonen. Zij heeft daarnaast recent zorgelijke uitspraken gedaan over seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vorige pleegvader jegens haar. [de minderjarige] kampt met onverwerkte trauma’s en hechtingsproblematiek, waarvoor zij tot op heden nog niet passende hulpverlening voor heeft ontvangen. Het is noodzakelijk dat er blijvend aandacht blijft voor haar (sociaal-emotionele) ontwikkeling en welzijn en dat passende hulpverlening wordt ingezet en doorgezet. [de minderjarige] staat aangemeld bij Yulius en deze hulpverlening zal binnenkort van start gaan.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder niet tegemoet kan komen aan de opvoedbehoeften van [de minderjarige] . De rechtbank leidt uit de stukken en het besprokene ter zitting af dat het de moeder de afgelopen jaren niet is gelukt om een voldoende stabiele en veilige opvoedsituatie voor [de minderjarige] te creëren. Daarbij speelt de persoonlijke problematiek van de moeder een grote rol. Bij de moeder is sprake van een belast verleden, LVB-problematiek en bestaan signalen van persoonlijkheidsproblematiek (waaronder borderline). Zij toont geen probleeminzicht, gaat vooral uit van haar eigen behoeftes en ziet onvoldoende in wat [de minderjarige] nodig heeft. Tijdens (begeleide) contactmomenten wordt gezien dat de moeder [de minderjarige] kan belasten met haar eigen problematiek onder meer door zonder afscheid te nemen het contactmoment te verlaten en door zich boos te uiten richting [de minderjarige] . Het is de moeder de afgelopen jaren ook niet gelukt om te profiteren van de geboden hulpverlening en haar persoonlijke problematiek onder controle te krijgen. De zorgen over haar opvoedvaardigheden en haar persoonlijke problematiek zijn daarmee nog onverminderd aanwezig. Ook is de moeder de afgelopen jaren niet in staat gebleken om (tijdig) gezagsbeslissingen in het belang van [de minderjarige] te nemen. Zij is niet (voldoende) bereikbaar voor de jeugdbeschermer(s) en de (hulpverlenings)instanties en zij heeft – nu zij meer op afstand staat van [de minderjarige] – onvoldoende zicht op wat [de minderjarige] nodig heeft. Zo is er lang gewacht op toestemming van de moeder voor aanmelding van [de minderjarige] bij een peuterspeelzaal, een controle bij de kinderarts en aanmelding voor passende hulpverlening voor [de minderjarige] . Voor de aanvraag van een identiteitsbewijs voor [de minderjarige] heeft de kinderrechter vervangende toestemming verleend. De moeder lijkt niet te beseffen dat de ontwikkeling van [de minderjarige] door haar toedoen wordt geschaad en dat noodzakelijke zaken niet voor haar geregeld kunnen worden als zij geen toestemming verleent. De rechtbank heeft er gelet op het voorgaande geen vertrouwen in dat de moeder in de toekomst tijdig de juiste beslissingen kan nemen in het belang van [de minderjarige] .
5.5.
De rechtbank komt – gelet op het bovenstaande – tot de conclusie dat de moeder niet in staat is om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen op een manier die in het belang is van [de minderjarige] . De rechtbank vindt het daarom noodzakelijk om het gezag van de moeder te beëindigen. De rechtbank volgt daarbij de moeder niet in haar standpunt dat het onderzoek door de Raad onvolledig is geweest, nu geen onderzoek is gedaan naar de vader als gezaghebbend ouder en dat beëindiging van het gezag van de moeder geen duidelijkheid aan [de minderjarige] zal geven. Voor de vraag of het gezag van de moeder zou moeten worden beëindigd dienen de opvoedvaardigheden van de moeder en de mogelijkheden van de moeder om deze opvoedvaardigheden te ontwikkelen te worden onderzocht. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de Raad (en daaraan voorafgaand het onderzoek van het KSCD) op die punten zorgvuldig en volledig is geweest. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de conclusies uit het onderzoek te volgen. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat [de minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid over de rol van de moeder in haar leven en met deze beslissing wordt deze duidelijkheid aan [de minderjarige] gegeven.
5.6.
Verder overweegt de rechtbank dat, nu de moeder en de vader hangende het onderzoek door de Raad gezamenlijk gezag hebben laten aantekenen, de situatie is ontstaan dat de vader met deze beslissing het eenhoofdig gezag zal krijgen. Dit brengt met zich dat de vader voortaan alleen – maar in overleg met de gecertificeerde instelling – gezagsbeslissingen kan nemen. Met de Raad ziet de rechtbank in dit gegeven geen aanleiding om anders te oordelen over de mogelijkheden van de moeder tot de uitoefening van het gezag. Het is aan de gecertificeerde instelling om de komende tijd te onderzoeken wat de mogelijkheden van de vader zijn voor de gezagsuitoefening over [de minderjarige] en welke stappen daarin gezet moeten worden. Daarbij overweegt de rechtbank evenzeer dat beëindiging van het gezag van de moeder los staat van een eventuele hernieuwde screening van oma vaderszijde als netwerkpleegouder, zoals door de moeder bepleit, in het licht van de recente signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag van een eerdere pleegvader die de eerdere screening mogelijk hebben beïnvloed. Het is aan de gecertificeerde instelling om – indien aanleiding daartoe wordt gezien nu het onderzoek naar het vermeende misbruik nog loopt –hierin nadere keuzes te maken.
5.7.
Tot slot overweegt de rechtbank dat de beslissing niet wegneemt dat de moeder altijd de moeder van [de minderjarige] blijft en dat hun ouder-kind band ook in de toekomst behouden moet blijven. De rechtbank gaat ervanuit dat alle betrokkenen zich zullen inzetten voor een betekenisvolle rol van de moeder in het leven van [de minderjarige] en dat gekeken moet blijven worden of een uitbreiding van de omgangsregeling in het belang van [de minderjarige] op termijn mogelijk wordt geacht.
5.8.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.9.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1994 in [geboorteplaats 2] , over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats 1] , waardoor voortaan alleen de vader het ouderlijk gezag over deze minderjarige uitoefent;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
gelast de griffier deze beslissing te laten aantekenen in het gezagsregister;
Deze beschikking is gegeven door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, mr.drs. W.G. de Boer en mr. T.P. Sarneel, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026, in aanwezigheid van mr. R.M. Goossen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro.
2.Artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.