ECLI:NL:RBDHA:2026:852

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
SGR 25/1427
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.3 Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWSErfgoedwetWoonhuisregelingLeidraad subsidiabele instandhoudingskosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing subsidie instandhouding woonhuis-rijksmonument ongegrond verklaard

Eiser heeft een subsidieaanvraag ingediend voor de instandhouding van zijn woonhuis met rijksmonumentstatus. Verweerder kende een minimale subsidie toe, waarna eiser bezwaar maakte en beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat de kosten die eiser heeft gemaakt, zoals schilderwerk en het plaatsen van pompen en hekwerk, niet subsidiabel zijn volgens de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die verweerder toepast.

Eiser stelde dat het vertrouwensbeginsel hem recht gaf op volledige subsidie, omdat hij in voorgaande jaren wel volledige subsidie ontving. De rechtbank oordeelt dat dit vertrouwen niet gerechtvaardigd is, omdat de controle op subsidieaanvragen steekproefsgewijs plaatsvindt en het toeval is dat eerdere aanvragen niet werden gecontroleerd.

Daarnaast voerde eiser aan dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat medebewoners wel subsidie ontvingen. Dit werd niet onderbouwd met objectief bewijs, waardoor ook dit beroep faalt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidie voor instandhouding van het woonhuis-rijksmonument wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1427

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.I.M. Houniet),
en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigden: mrs. M. Knoop en M. Willems).

Inleiding

1. Eiser heeft op 31 maart 2024 een aanvraag ingediend bij verweerder voor een subsidie voor instandhouding van zijn woning als rijksmonument.
1.1
Bij besluit van 28 juli 2024 heeft verweerder de aanvraag toegewezen en het subsidiebedrag vastgesteld op € 0,60.
1.2
Met het bestreden besluit van 20 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de toewijzing en vaststelling van dit subsidiebedrag gebleven.
1.3
Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is eigenaar van zijn woonhuis, gelegen op het adres [adres] . De woning van eiser heeft de status van rijksmonument. Om die reden vraagt eiser jaarlijks een subsidie aan voor de instandhouding van dit woonhuis-rijksmonument bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, als onderdeel van verweerder.
Wat vinden eiser en verweerder over dit beroep?
3. Eiser is het niet eens met de besluitvorming van verweerder en heeft daarvoor samengevat, de volgende drie beroepsgronden aangevoerd:
(1) De kosten zijn wel degelijk gemaakt voor het behouden van de monumentale waarde van het pand en daarom subsidiabel;
(2) Ook als geen sprake is van subsidiabele kosten, dan is door eerdere toekenningen van deze subsidie het vertrouwen gewekt dat de subsidie weer volledig zou worden toegekend (het vertrouwensbeginsel);
(3) Tot slot wijst eiser erop dat er medebewoners zijn die voor hetzelfde jaar wel subsidie hebben ontvangen. Eiser vindt dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld (het gelijkheidsbeginsel).
4. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden van eiser en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en overweegt daartoe als volgt.
Is er sprake van subsidiabele kosten als bedoeld in de Woonhuisregeling en de Leidraad?
6. Deze aanvraag is beoordeeld aan de hand van de zogenoemde Woonhuisregeling [1] , die zijn grondslag vindt in de Erfgoedwet en de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: de Kaderregeling). Uit artikel 1.3 van de Kaderregeling volgt dat verweerder mag bepalen voor welke activiteiten en onder welke voorwaarden subsidie wordt verstrekt. Verweerder heeft hierbij een grote mate van beslissingsruimte.
6.1
Aan het verstrekken van een subsidie als deze ligt bij uitstek een politiek-bestuurlijke afweging ten grondslag. Verweerder heeft aan deze beslissingsruimte invulling gegeven door in de Woonhuisregeling de keuze te maken om voor wat betreft de subsidiabele kosten aan te sluiten bij de Leidraad [2] . Partijen zijn het erover eens dat de Leidraad geen kennelijk onredelijk beleid betreft en dat verweerder de aanvraag van eiser aan de hand van de in de Leidraad opgenomen criteria heeft mogen beoordelen.
6.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit op goede gronden heeft geconcludeerd dat de gemaakte kosten voor het schilderwerk en het plaatsen van pompen en hekwerk niet voor vergoeding in aanmerking komen op grond van de Leidraad. Zo heeft verweerder inzichtelijk gemotiveerd dat de kosten voor deze werkzaamheden niet direct bijdragen aan de instandhouding van de monumentale waarde van het pand, nu deze werkzaamheden bijvoorbeeld niet zien op het behoud van de historische materialen en constructies van het pand. De rechtbank acht de motivering van verweerder hierin navolgbaar en wat eiser aanvoert, geeft geen reden om deze conclusies van verweerder onjuist te achten. Daarmee is niet gezegd dat de werkzaamheden door eiser onnodig of onbelangrijk waren, maar alleen dat deze volgens de strikte eisen van de Leidraad, die verweerder moet toepassen, en waaraan de rechtbank moet toetsen, niet subsidiabel zijn. De beroepsgronden slagen niet.
Had verweerder op grond van het vertrouwensbeginsel subsidie moeten verlenen?
7. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan, of gedragingen zijn verricht, waaruit de rechtszoekende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat een bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen, en zo ja, op welke manier die bevoegdheid zou worden uitgeoefend.
7.1
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder hier op grond van gerechtvaardigd vertrouwen dat door zijn handelen geschept is, verplicht was om het volledige bedrag dat door eiser opgegeven is voor de subsidie te bekostigen.
7.2
Vaststaat dat eiser in de jaren voorafgaand aan subsidiejaar 2023 en voor subsidiejaar 2024 wél de volledige subsidie heeft ontvangen. Verweerder heeft uitgelegd dat aanvragen voor deze subsidies op basis van aselecte steekproeven worden gecontroleerd. Er komen jaarlijks namelijk zo’n 8.000 aanvragen binnen en uit een oogpunt van doelmatigheid en gelet op de kosten is de keuze gemaakt om van het totaal slechts 10 procent te controleren. In het onderhavige geval is eiser aan zo’n steekproef onderworpen en bij de controle van de stukken is gebleken dat de opgegeven kosten op grond van de Leidraad niet voor subsidie in aanmerking komen. Dat eiser in de jaren vóór 2023 en daarna niet is gecontroleerd, betreft toeval en reeds vanwege die aard van het toepassen van de controlebevoegdheid kan aan een dergelijk toeval niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat weer het volledige bedrag wordt toegekend.
Had verweerder op grond van het gelijkheidsbeginsel subsidie moeten verlenen?
8. Tot slot slaagt ook het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet. De stelling van eiser dat andere bewoners van het pand, die in dezelfde vereniging van eigenaren zitten, wél een subsidie hebben gekregen, is namelijk niet met stukken of andere objectieve bewijsmiddelen onderbouwd. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder op juiste gronden de door eiser gevraagde subsidie heeft beoordeeld en vastgesteld. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Besluit vaststelling beleidsregels instandhoudingssubsidie woonhuis-rijksmonumenten
2.De Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten, als bijlage van de Subsidieregeling instandhouding monumenten.