Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8525

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/09/687186 / FA RK 25-4631
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie na wijziging zorgregeling en draagkracht

Partijen zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag over drie minderjarige kinderen. De vrouw verzocht om verhoging van de kinderalimentatie vanaf 18 juni 2025, terwijl de man een eigen verzoek indiende voor kinderalimentatie die hij van de vrouw zou ontvangen.

De rechtbank stelde vast dat de wijziging van de zorgregeling per 4 december 2025 en de gewijzigde draagkracht van partijen aanleiding geven om de alimentatie aan te passen. De jong-meerderjarige wordt niet meer betrokken bij de alimentatie.

De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op €1.728 per maand, zonder verhoging voor extra kosten die nog niet gemaakt worden. De draagkracht van de vrouw werd berekend op €545 en die van de man op €2.312 per maand na verrekening van kosten voor de jong-meerderjarige.

De alimentatieverplichtingen werden naar rato van draagkracht verdeeld, met zorgkortingen van 35% voor de man ten aanzien van twee kinderen en 5% voor de vrouw ten aanzien van één kind. Dit leidde tot een verplichting van de man om €528 per maand aan de vrouw te betalen en de vrouw €81 per maand aan de man.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de kinderalimentatie per 4 december 2025 waarbij de man €528 en de vrouw €81 per maand aan elkaar betalen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4631
Zaaknummer: C/09/687186
Datum beschikking: 10 maart 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 19 juni 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.V. Paniagua te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. van Biezen te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van de vrouw van 2 februari 2026, met bijlagen;
  • de F9-formulieren van de vrouw van 3 februari 2026, met bijlagen;
  • het F9-formulier van de man van 3 februari 2026, met bijlagen;
  • het F9-formulier van de vrouw van 4 februari 2026, met bijlage;
  • het F9-formulier van de man van 6 februari 2026, met bijlagen.
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft in raadkamer haar mening gegeven over het verzoek.
Op 10 februari 2026 heeft een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel het onderhavige verzoek als het verzoek van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden tot ondertoezichtstelling van de kinderen (C/09/688417 JE RK 25-1227). Bij de behandeling van het onderhavige verzoek waren aanwezig:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw luidt, met ingang van 18 juni 2025 de kinderalimentatie op € 2.236,- per maand, dan wel een ander bedrag zoals de rechtbank juist acht, te bepalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw door de man te voldoen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht om een door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie vast te stellen van primair € 250,- per maand en subsidiair € 136,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de man door de vrouw te voldoen, althans een zodanig bedrag en een zodanige ingangsdatum als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2012 tot [datum 2] 2022.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] ;
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats 2] .
- Zij zijn ook de ouders van de jong-meerderjarige:
- [de jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 4] 2007 te [geboorteplaats 1] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige kinderen uit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 23 februari 2022 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is – voor zover hier van belang:
- de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald;
- een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld, waarbij de kinderen eens in de twee weken in de oneven weekenden bij de man verblijven van vrijdag 17.00 uur tot zondag 15.00 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt op vrijdag en de vrouw op zondag;
- bepaald dat de vakanties en feestdagen bij helfte tussen partijen zullen worden verdeeld.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 4 maart 2021 zijn [de jong-meerderjarige] , [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling. Voor [de jong-meerderjarige] is de ondertoezichtstelling verlengd geweest tot zijn meerderjarigheid. Voor de andere kinderen is de ondertoezichtstelling steeds verlengd, laatstelijk (bij beschikking van 10 februari 2026) tot 4 september 2026.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 4 december 2025 is – voor zover hier van belang –:
- de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij de man bepaald;
- de zorgregeling met betrekking tot [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] gewijzigd, in die zin dat zij de ene week van maandag uit school tot de volgende maandag naar school bij de man zullen zijn en de andere week van maandag uit school tot de volgende maandag naar school bij de vrouw zullen zijn.

Beoordeling

Partijen hebben op de zitting toegelicht dat zij hun verzoeken beperken tot hun minderjarige kinderen. De rechtbank beschouwt de verzoeken ten aanzien van [de jong-meerderjarige] vanaf het moment dat hij meerderjarig is geworden daarom als ingetrokken.
Wijziging alimentatie
Bij beschikking van 23 februari 2022 van deze rechtbank (de echtscheidingsbeschikking) is het verzoek van de vrouw tot de vaststelling van kinderalimentatie afgewezen, omdat er bij de man geen draagkracht bestond om een bijdrage te voldoen.
Ontvankelijkheid (wijziging van omstandigheden)
De vrouw verzoekt nu om te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift bijdraagt in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen. Volgens de vrouw zijn er meerdere gewijzigde omstandigheden. De man heeft inmiddels wel draagkracht om de kinderalimentatie te voldoen, omdat de huwelijkse schuld en de leaseovereenkomst waarmee de rechtbank in de echtscheidingsbeschikking rekening hield zijn afgelost. Bovendien is [de jong-meerderjarige] inmiddels meerderjarig geworden en is de zorgregeling ingrijpend gewijzigd. Volgens de vrouw moet daarom worden gerekend met drie periodes: (i) vanaf de ingangsdatum van 18 juni 2025 tot aan [datum 3] 2025 (het moment dat [de jong-meerderjarige] meerderjarig werd), (ii) vanaf [datum 3] 2025 tot 4 december 2025 (het moment dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij de man werd bepaald en de zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] werd gewijzigd) en (iii) vanaf 4 december 2025.
De man voert verweer en verzoekt te bepalen dat de vrouw bijdraagt in de kosten van opvoeding en verzorging van [de minderjarige 1] . Hij stelt dat hij op dit moment alle kosten voor [de minderjarige 1] draagt. Volgens de man is sprake van een gewijzigde omstandigheid vanaf de wijziging van de zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] per 4 december 2025. [de minderjarige 1] verbleef immers al feitelijk bij de man, voordat haar hoofdverblijfplaats bij hem werd bepaald.
Een rechterlijke beslissing kan worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk vastgestelde bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). Dat sprake is van een dergelijke wijzigingsgrond voor de kinderalimentatie is tussen partijen niet in geschil.
De rechtbank zal hierna aan de hand van een nieuwe beoordeling van de draagkracht onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijziging(en) van omstandigheden ertoe leiden dat de rechterlijke uitspraak niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW Pro een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum.
Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de wijziging van de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van 4 december 2025, omdat dat de datum is waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de wijziging van de onderhoudsverplichting bepalend zijn. De leaseovereenkomst is kennelijk al voor de datum van de indiening van het verzoekschrift geëindigd. Op dat moment woonden [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige 1] feitelijk al langere tijd bij de man en droeg hij het merendeel van de kosten voor hen. Achteraf is echter niet meer goed vast te stellen om welke bedragen dit ging. Daarom zal de rechtbank de wijziging van de kinderalimentatie niet eerder laten ingaan dan 4 december 2025. [de jong-meerderjarige] was op dat moment al 18 jaar, zodat hij in de hiernavolgende berekening niet wordt betrokken.
Behoefte
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen in 2020 € 1.875,- per maand bedroeg. Dat komt neer op een bedrag van € 469,- per kind per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 576,- per kind per maand en in totaal € 1.728,- per maand (3 x € 576,-).
De vrouw stelt dat het tabelbedrag moet worden verhoogd met de (extra) kosten voor begeleiding en ondersteuning op school van [de minderjarige 3] van € 575,-. Volgens de man is nog niet duidelijk of deze kosten vergoed zullen worden. Bovendien stelt hij dat de benodigde begeleiding en ondersteuning nog niet gestart is, zodat op dit moment nog geen rekening gehouden hoeft te worden met deze kosten. De rechtbank ziet geen aanleiding om het tabelbedrag te verhogen, aangezien de extra kosten voor [de minderjarige 3] op dit moment (nog) niet worden gemaakt en de man op de zitting heeft toegezegd dat hij bereid is voor de helft bij te dragen aan deze kosten wanneer dat wel het geval is. De behoefte van de kinderen bedraagt dus € 576,- per kind per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
De vrouw stelt dat voor de bepaling van haar draagkracht moet worden uitgegaan van haar geschatte inkomen over 2025, zoals blijkt uit de door haar overgelegde voorlopige aanslag over 2025. Vanwege nieuwe wetgeving voor zzp’ers krijgt zij minder opdrachten. Bovendien kan zij vanwege de zorg voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] maar beperkt diensten draaien. Hierdoor is haar inkomen in 2025 lager dan in voorgaande jaren. Zij verwacht dat haar inkomen in 2026 nog lager zal zijn.
De voorlopige aanslag van de vrouw over 2025 is slechts gebaseerd op haar eigen gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw bovendien onvoldoende onderbouwd dat zij als gevolg van de recente wetswijzigingen niet meer in staat is een inkomen gelijk aan haar eerdere inkomen te genereren. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het algemeen bekend is dat er een groot tekort is aan zorgmedewerkers.
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank daarom uit van haar gemiddelde inkomen over de jaren 2022 tot en met 2024. De rechtbank gaat hierbij uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 37.176,- bruto per jaar en een gemiddeld inkomen uit overige werkzaamheden van € 3.951,- bruto per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 3.858,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van haar werkelijke woonlasten in plaats van het woonbudget. Volgens de vrouw heeft zij aanmerkelijke hogere woonlasten dan haar woonbudget. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd of haar huur inclusief of exclusief de kosten voor gas-, water- en licht is. Bovendien is hij van mening dat de vrouw de mogelijkheid heeft om naar een goedkopere huurwoning te verhuizen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende heeft toegelicht dat sprake is van een huur exclusief gas-, water- en licht. Dat is in de vrije sector ook gebruikelijk. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van de vrouw dat zij niet lang genoeg staat ingeschreven voor een sociale huurwoning alleszins aannemelijk is, zodat het niet realistisch is van haar te verwachten dat zij verhuist naar een goedkopere woning. De rechtbank zal daarom, mede gelet op het aanzienlijke verschil tussen de werkelijke woonlasten (€ 1.770,-) en het woonbudget (€ 1.157,-), voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw uitgaan van haar werkelijke woonlasten van € 1.770,- per maand.
Daarnaast is tussen partijen in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw de aflossing van schulden moet worden meegenomen. De vrouw stelt dat zij een schuld bij de belastingdienst heeft waarop zij € 1.000,- per maand aflost. Zij voert aan dat deze schuld niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, omdat deze is ontstaan omdat zij gedurende het huwelijk op een gegeven moment kostwinner werd. De rechtbank overweegt dat het merendeel van de schuld van de vrouw bij de belastingdienst op de inkomstenbelasting over 2024 ziet. In de berekening van de draagkracht wordt al rekening gehouden met de belastingdruk. Met de man is de rechtbank van oordeel dat dit moet worden beschouwd als een achterstand op de betaling van inkomstenbelasting die bij zzp’ers niet ongebruikelijk is, zodat hiermee geen rekening zal worden gehouden bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw.
Verder stelt de vrouw dat rekening moet worden gehouden met de extra kosten die zij maakt in verband met verzekeringen, de telefoonrekening van [de minderjarige 1] , voetbalkosten voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , opvangkosten en beugelkosten. De man is bereid om aan bepaalde kosten, zoals de voetbalkosten bij te dragen, maar stelt dat de vrouw deze extra kosten onvoldoende heeft aangetoond. De rechtbank is met de man van oordeel dat de extra kosten die de vrouw opvoert, geen kosten zijn die buiten het normbedrag vallen, zodat deze worden geacht in de alimentatieberekening te zijn verdisconteerd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw rekening te houden met deze kosten.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank – uitgaande van de werkelijke woonlasten van de vrouw – voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (€ 1.770 + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [€ 3.858,- – (€ 1.770 + € 1.310,-)] = € 545,- per maand.
Draagkracht man
Volgens de man kan voor de bepaling van zijn draagkracht worden uitgegaan van de gemiddelde winst uit onderneming over drie jaren. Hij heeft echter slechts zijn jaarrekening over 2024 overgelegd, zodat alleen de cijfers over 2023 en 2024 bekend zijn. De vrouw stelt daarom dat een schatting moet worden gemaakt van zijn winst over 2025. Deze winst moet aanzienlijk hoger worden geschat dan zijn winst over 2024, aangezien hij in 2024 een woning heeft kunnen financieren. De vrouw heeft in dat kader een proefberekening ingediend van de hypotheek van de man. De man betwist dat zijn winst in 2025 veel hoger is geweest dan in de voorgaande jaren. De vrouw vermoedt verder dat de man zijn huur betaalt vanuit de onderneming, zodat de huisvestingskosten van € 6.975,- bij de winst opgeteld moeten worden. De man betwist dat en stelt dat moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming zoals uit de door hem overgelegde jaarrekening blijkt.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man zal de rechtbank voorbij gaan aan het standpunt van de vrouw dat een aanpassing moet worden gemaakt op de winst uit onderneming die uit de jaarrekening van de man blijkt. De rechtbank zal voor de berekening van zijn draagkracht uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023 en 2024. Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank daarom uit van een winst uit onderneming van € 151.117,- bruto per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 7.765,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De man stelt dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met zijn belastingschuld van circa € 60.000,- als gevolg van het feit dat hij alle huwelijkse schulden van partijen heeft afgelost en omdat hij hard is getroffen door de gevolgen van Covid-19. Hij lost maandelijks € 4.450,- op deze schuld af. Zoals de rechtbank hierboven al heeft overwogen is een achterstand op de betaling van inkomstenbelasting bij zzp’ers niet ongebruikelijk en wordt bij de draagkracht al rekening gehouden met de belastingdruk, zodat zij ook bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening zal houden met de aflossing van deze schuld.
Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [€ 7.765,- – (€ 2.330,- + € 1.310,-)] = € 2.888,- per maand.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man de volledige kosten voor de jong meerderjarige [de jong-meerderjarige] draagt, zodat deze kosten in mindering op zijn draagkracht moeten komen. De draagkracht van de man bedraagt dus € 2.312,- per maand (€ 2.888,- -/- € 576,-).
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.857,- per maand (€ 545,- + € 2.312,-). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 2.312 / 2.857 x 1.728 = € 1.398,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 545 / 2.857 x 1.728 =
€ 330,-
samen € 1.728,-
Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 1.398,- per maand, wat neerkomt op € 466,- per maand per kind, voor rekening van de man. Een gedeelte van € 330,- per maand, wat neerkomt op € 110,- per maand per kind, komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de man gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] geldt ten aanzien van hen een percentage van 35. De zorgkorting ten behoeve van de man ten aanzien van zijn aandeel in de kosten voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bedraagt dan € 202,- per kind per maand (35% van € 576,-), wat neerkomt op een totale zorgkorting van € 404,-.
De door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie bedraagt voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] aldus € 264,- per maand per kind (€ 466,- -/- € 202,-).
Er geldt geen zorgregeling tussen de vrouw en [de minderjarige 1] , maar uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, blijkt wel dat er sporadisch contact is tussen de vrouw en [de minderjarige 1] . Zo zijn zij recent samen ergens wat gaan eten om de verjaardag van [de minderjarige 1] te vieren. De rechtbank zal daarom ten behoeve van de vrouw een zorgkorting van 5% ten aanzien van haar aandeel in de kosten voor [de minderjarige 1] hanteren. De zorgkorting ten behoeve van de vrouw bedraagt dan € 29,- (5% van € 576,-).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] bedraagt aldus € 81,- per maand (€ 110,- -/- € 29,-).
Conclusie
De man is aldus gehouden € 528,- per maand aan de vrouw te betalen en de vrouw € 81,- per maand aan de man. Daarbij onderstreept de rechtbank dat bij de vaststelling van dit bedrag, de man gehouden is om alle verblijfsoverstijgende kosten voor [de minderjarige 1] te voldoen en de vrouw alle verblijfsoverstijgende kosten voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] dient te voldoen.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt de door de man aan de vrouw, met ingang van 4 december 2025 te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen:
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] ;
  • [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats 2] ,
op € 264,- per kind per maand;
bepaalt de door de vrouw aan de man, met ingang van 4 december 2025 te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ,
op € 81,- per maand;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 10 maart 2026.