ECLI:NL:RBDHA:2026:854

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63379
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VreemdelingenwetArt. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 5, onder a) richtlijn 2008/115Art. 5, onder b) richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en verzoek om schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet. Verweerder stelde dat de maatregel noodzakelijk was vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, onderbouwd met zware en lichte gronden. Eiser betwistte deze gronden en voerde aan dat zijn uitzetting uitzichtloos was en dat verweerder niet voortvarend had gehandeld.

De rechtbank oordeelde dat de zware gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen en het onttrekken aan toezicht, feitelijk juist waren. Ook de lichte gronden werden als voldoende onderbouwd beschouwd. Het zicht op uitzetting naar India werd bevestigd, ondanks dat de laissez-passer-aanvraag nog in behandeling was, en verweerder had voldoende voortvarend gehandeld door meerdere vertrekgesprekken en rappelleringen bij de Indiase autoriteiten.

Eiser voerde aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast en dat zijn terugkeer naar India een reëel risico op levensgevaar zou inhouden. De rechtbank verwierp deze bezwaren, verwijzend naar jurisprudentie en het ontbreken van bewijs dat het non-refoulementbeginsel of het belang van het familie- en gezinsleven zich tegen verwijdering verzetten.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.63379
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker ).

Procesverloop

Bij besluit van 26 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T.M. Butt. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het terugkeerbesluit
Eiser stelt dat niet is gebleken dat er een terugkeerbesluit is genomen. Daarnaast is niet gebleken dat eiser geen verblijfsrecht in Portugal heeft. Eiser een verblijfsaanvraag ingediend in Portugal, waarop nog geen beslissing is genomen. Ook is niet aangetoond dat eiser niet kan worden overgedragen aan Portugal in het kader van de Dublinverordening, nu hij daar een asielprocedure heeft lopen.
De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet. De in het dossier opgenomen meervoudige beschikking van 31 oktober 2025 kwalificeert als een terugkeerbesluit. Uit het dossier blijkt dat het beroep daartegen bij uitspraak van 24 december 2025 (NL25.54512 en NL25.54513) ongegrond is verklaard. Ten aanzien van de stelling dat niet is gebleken dat eiser verblijfsrecht heeft in Portugal, wordt verwezen naar de resultaten van het door verweerder verrichte Eurovis- en Eurodaconderzoek. Daaruit blijkt niet dat eiser elders
binnen Europa over verblijfsrecht beschikt of daar een procedure heeft lopen. De door eiser overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel, nu deze niet tot eiser herleidbaar zijn en bovendien geen officiële documenten van de Portugese autoriteiten betreffen. De beroepsgrond slaagt niet.
De bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist de gronden 3a en 3b, alsook de lichte gronden 4a en 4d. Ten aanzien van de zware gronden stelt eiser dat hij via een Dublin-procedure naar Nederland is overgedragen (3a). Omdat eiser is overgedragen, kon hij zich ook niet aan het toezicht onttrekken (3b). Wat betreft de lichte gronden voert eiser aan dat hij niet de kans heeft gehad om melding te maken van zijn onrechtmatig verblijf en dat hij vanwege zijn inbewaringstelling niet de kans heeft gehad om voldoende middelen van bestaan te kunnen verkrijgen.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), waaruit volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Uit het dossier blijkt dat eiser heeft verklaard met een smokkelaar naar Europa te zijn gekomen en vanuit Portugal zonder paspoort naar Nederland is gekomen. Verder blijkt uit het dossier dat eiser geen melding heeft gemaakt bij de korpschef van zijn onrechtmatige verblijf. De rechtbank van is dan ook van oordeel dat deze zware gronden feitelijk juist zijn en verweerder eiser deze terecht heeft tegengeworpen. Ook de lichte gronden 4a en 4d zijn feitelijk juist en het onttrekkingsrisico is bij deze gronden voldoende toegelicht. Deze gronden kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De beroepsgrond slaagt niet.

Zicht op uitzetting en voortvarend handelen

6. Eiser betoogt dat, nu de aanvraag voor de laissez-passer (lp) op 7 november 2025 is ingediend en tot op heden nog geen reactie is ontvangen, zijn uitzetting uitzichtloos is. Daarnaast stelt eiser dat er geen sprake is van voortvarend handelen, omdat er sinds zijn
inbewaringstelling niet is gerappelleerd en er geen aanwijzingen zijn dat verweerder zijn vertrek kan bewerkstelligen.
7. Gelet op de onweersproken mededelingen in de maatregel van bewaring dat is gebleken dat India medewerking verleent aan gedwongen terugkeer en dat niet is gebleken dat India geen reisdocumenten verstrekt voor gedwongen terugkeer, gaat de rechtbank ervan uit dat er in het algemeen zicht op uitzetting naar India bestaat.
8. Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar India in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. De op 7 november 2025 voor eiser ingediende lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Indiase autoriteiten. Dat na twee maanden geen (positieve) reactie van de Indiase autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is komen te ontbreken. Met een lp-traject bij de Indiase autoriteiten gaat in het algemeen de nodige tijd (soms meerdere maanden) gemoeid. Gelet hierop is er op dit moment geen aanleiding om te oordelen dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. De rechtbank wijst er tevens op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en lp-traject. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 29 december 2025 volgt dat eiser geen inspanningen heeft verricht om originele identificerende documenten te verkrijgen of om op een andere wijze zijn vertrek te bespoedigen. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject, als hij wel zou meewerken, op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven.
9. Ten aanzien van het voortvarend handelen, stelt de rechtbank vast dat uit de door verweerder overgelegde aanbiedingsbrief en de verslagen van de vertrekgesprekken volgt dat verweerder op 9 november 2025 en 29 december 2025 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Verder heeft verweerder ter zitting toegelicht dat op 22 november 2025 en 20 december 2025 bij de Indiase autoriteiten is gerappelleerd. De rechtbank ziet, zonder concrete onderbouwing door eiser, geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Gelet op deze uitzettingshandelingen, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld.
10. De beroepsgronden slagen niet.
Lichter middel
11. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel.
12. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en
het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014
(ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Er zijn geen omstandigheden door eiser aangevoerd die zouden moeten leiden tot een andere conclusie. De enkele stelling dat eiser bereid zou zijn zich aan een meldplicht te houden leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.

Beginsel van non-refoulement

14. Eiser betoogt dat niet is overwogen dat zijn terugkeer naar India, Kashmir, voor hem een reëel risico van levensgevaar zouden vormen. Eiser verwijst in dit verband naar het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor India en stelt dat voor dit gebied een oorlogssituatie geldt.
15. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement, bedoeld in artikel 5, onder a) van richtlijn 2008/115 zich verzet tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het beginsel van refoulement zich verzet tegen eisers verwijdering. Hetgeen eiser aanvoert is reeds beoordeeld in de afwijzing van eisers asielaanvraag bij meervoudige beschikking van 31 oktober 2025. Deze beschikking is bij de in rechtsoverweging 2 weergegeven uitspraak van 24 december 2025 beoordeeld en in rechte komen vast te staan. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van gehoor van 26 december 2025 voorafgaand aan de inbewaringstelling dat eiser niet afkomstig is uit Kashmir, maar uit Himachal Pardesh. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

16. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
16. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in artikel 5, onder b) van richtlijn 2008/115 zich verzet tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser zich verzet tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 januari 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.