Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8543

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
12044670 \ EJ VERZ 26-70029
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 BWArt. 7:678 BWArt. 7:672 lid 11 BWArt. 7:673 lid 7 sub c BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens diefstal beveiliger niet onverwijld gegeven, gefixeerde schadevergoeding toegewezen

Werknemer, werkzaam als beveiliger bij TCS, werd op 15 december 2025 op staande voet ontslagen wegens diefstal van sigaretten van een collega. TCS baseerde het ontslag op videobeelden en een spijtbetuiging van de werknemer. De werknemer berustte in het ontslag en wilde niet terugkeren in dienst.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven, omdat TCS pas ruim vier uur na het juridisch advies het ontslag aan de werknemer mededeelde, terwijl de werkgever al op 12 december 2025 op de hoogte was van het incident. Hierdoor was het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.

Vanwege het niet-rechtsgeldige ontslag wees de kantonrechter de door TCS gevorderde gefixeerde schadevergoeding af. De werknemer had recht op een gefixeerde schadevergoeding wegens het ontbreken van een opzegtermijn, die werd vastgesteld op €8.196,26 bruto. De transitievergoeding werd afgewezen omdat het gedrag van de werknemer als ernstig verwijtbaar werd gekwalificeerd. De billijke vergoeding werd op nihil gesteld. Verder werden resterend verlofsaldo en opgebouwde vakantietoeslag aan de werknemer toegewezen.

De proceskosten werden deels aan TCS opgelegd en deels gecompenseerd. De beschikking werd uitgesproken op 31 maart 2026 door de kantonrechter M.S. Vonck.

Uitkomst: Ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven en niet rechtsgeldig; werknemer krijgt gefixeerde schadevergoeding, geen transitievergoeding, billijke vergoeding nihil.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
JL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leiden
Zaaknummer / rekestnummer: 12044670 \ EJ VERZ 26-70029
Beschikking van 31 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE VLAARDINGSE BEVEILIGINGSDIENST B.V., h.o.d.n. TCS Static Security Services,
te Vlaardingen,
verzoekende partij,
verwerende partij in de zelfstandige verzoeken,
hierna: TCS,
gemachtigde: mr. L.S. van Dis,
tegen
[verweerder],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in de zelfstandige verzoeken,
hierna: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. L. van Dijk.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties, ingekomen ter griffie op 13 januari 2026,
- het verweerschrift, met zelfstandig verzoek, met producties, ingekomen ter griffie op 10 februari 2026,
- de wijziging van het zelfstandig verzoek, alsmede de aanvullende producties van [verweerder] ,
- de aanvullende producties van TCS,
- de mondelinge behandeling van 17 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitaantekeningen van mr. Van Dis, met wijziging van het verzoek van TCS,
- de pleitaantekeningen van mr. Van Dijk.
1.2.
De beschikking is (nader) bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verweerder] is op 28 februari 2018 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van TCS. Per 3 december 2023 is de arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde tijd) voortgezet bij TCS. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Particuliere Beveiliging van toepassing verklaard (hierna: de cao).
2.2.
[verweerder] is door TCS tewerkgesteld bij DHL in de functie van beveiliger.
2.3.
Op 15 december 2025 is [verweerder] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van diezelfde datum heeft [naam 1] (directeur TCS, hierna: [naam 1] ) onder meer het volgende aan [verweerder] geschreven:

(…)
Op vrijdag 12 december 2025 heeft TCS bericht ontvangen van haar opdrachtgever DHL, waar je jouw werkzaamheden verricht, dat je verdacht werd van het ontvreemden van sigaretten van een ander persoon werkzaam bij DHL. Er heeft vervolgens een gesprek met jou plaatsgevonden waarbij videobeelden zijn bekeken. Op die videobeelden was te zien dat jij [je] sigaretten toe-eigende die niet aan jou toebehoorden. Je [hebt] daarop verklaard dat je daar spijt van [hebt]. Wij hebben ook een schriftelijke spijtbetuiging ontvangen (…).
TCS is een beveiligingsbedrijf en de integriteit en betrouwbaarheid van onze medewerkers zijn ons handelsmerk. We hebben dat ook in diverse beleidsstukken uiteengezet. Daaruit volgt duidelijk dat in het geval van diefstal, wij overgaan tot het geven van ontslag.
(…)
Jouw gedraging levert een dringende reden op voor opzegging van jouw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang: een ontslag op staande voet zoals bedoeld in artikel 7:677 van Pro het Burgerlijk Wetboek. TCS zegt hierbij dan ook jouw arbeidsovereenkomst op, zij het onder de hierna te noemen voorwaarde.
Op grond van lid 2 van genoemd artikel ben je vanwege deze opzegging een vergoeding verschuldigd (…). Overigens heb je bij een ontslag op staande voet geen recht op een uitkering op grond van de werkloosheidswet.
Wij zijn bereid om je gedurende een korte periode de mogelijkheid te bieden om de arbeidsovereenkomst op een voor jou minder ingrijpende wijze te laten eindigen. Je moet daartoe bijgaande - niet onderhandelbare - vaststellingsovereenkomst voor de hieronder aangegeven datum en tijdstip voor akkoord getekend terugsturen (…). Indien je achteraf gebruik zou maken van de wettelijke bedenktermijn blijft het gegeven ontslag op staande voet in stand.
Voor de goede orde bevestigen we je dat je: per direct bent ontslagen door opzegging wegens een dringende reden en de hiervoor genoemde vergoeding bent verschuldigd, tenzij je voor vrijdag 19 december 2025, 16.00 uur bijgaande vaststellingsovereenkomst voor akkoord hebt getekend en geretourneerd en onder de voorwaarde dat je niet binnen de daarna geldende wettelijke bedenktermijn die beëindigingsovereenkomst hebt ontbonden.
(…)
2.4.
[verweerder] heeft de door TCS aangeboden vaststellingsovereenkomst niet ondertekend.

3.Het geschil

in de (voorwaardelijke) verzoeken van TCS
3.1.
TCS verzoekt, na wijziging, samengevat:
I. veroordeling van [verweerder] tot betaling van € 9.015,86 netto aan gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente,
II. (voorwaardelijk) voor het geval de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd wegens het ontslag op staande voet, de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden,
III. te verklaren voor recht dat TCS geen transitievergoeding is verschuldigd aan [verweerder] ,
IV. veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
3.2.
[verweerder] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de zelfstandige verzoeken van [verweerder]
3.4.
[verweerder] verzoekt, na wijziging en zo begrijpt de kantonrechter, samengevat:
primair
I. vernietiging van het ontslag op staande voet,
II. veroordeling van TCS tot betaling van € 4.721,46 bruto per vier weken aan loon, vanaf 15 december 2025, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging,
subsidiair
III. veroordeling van TCS tot betaling van € 10.000,00 bruto aan billijke vergoeding,
IV. veroordeling van TCS tot betaling van € 9.442,92 bruto aan gefixeerde schadevergoeding,
V. veroordeling van TCS tot betaling van € 13.288,13 bruto aan transitievergoeding,
VI. veroordeling van TCS tot betaling van € 2.683,66 bruto aan resterend verlofsaldo, te vermeerderen met de wettelijke verhoging,
VII. veroordeling van TCS tot betaling van € 2.159,90 bruto aan opgebouwde vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging,
meer subsidiair
VIII. voor het geval de arbeidsovereenkomst is geëindigd wegens het ontslag op staande voet, veroordeling van TCS tot betaling van € 13.288,13 bruto aan transitievergoeding,
een en ander te vermeerderen met:
IX. de wettelijke rente over de verzochte c.q. gevorderde bedragen;
X. de proceskosten.
3.5.
TCS voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in de (voorwaardelijke) verzoeken van TCS en in de zelfstandige verzoeken van [verweerder]
Het ontslag op staande voet
4.1.
De gemachtigde van [verweerder] heeft ter zitting – samengevat – verzocht om de door [verweerder] gevraagde vergoedingen toe te wijzen. [verweerder] heeft ter zitting vervolgens desgevraagd verklaard dat hij niet terug aan het werk wil bij TCS en dat hij inmiddels een nieuwe baan heeft. Daaruit begrijpt de kantonrechter dat [verweerder] berust in het ontslag. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 15 december 2025 is geëindigd, zodat aan het primaire verzoek van [verweerder] tot vernietiging van het ontslag op staande voet niet meer wordt toegekomen. Aan het voorwaardelijke verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van TCS wordt vanwege de berusting van [verweerder] niet toegekomen. Voor de beoordeling van de vraag of TCS en [verweerder] aanspraak kunnen maken op de door hen verzochte vergoedingen, welke verzoeken tijdig zijn ingediend gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 BW, dient de kantonrechter wel te beoordelen of het ontslag op staande voet van 15 december 2025 rechtsgeldig is gegeven.
4.2.
Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW Pro is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. In artikel 7:678 lid 1 BW Pro worden voor TCS als werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van [verweerder] als werknemer, die tot gevolg hebben dat van TCS redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van het antwoord op de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van [verweerder] , zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook wanneer de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.
4.3.
Een werkgever moet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk overgaan tot het ontslag op staande voet nadat hij bekend is geworden met de dingende reden. Of sprake is van een onverwijlde opzegging hangt af van de omstandigheden van het geval. Volgens vaste rechtspraak mag enige tijd verstrijken tussen het voordoen van de feiten die aanleiding geven voor het ontslag op staande voet en de daadwerkelijke opzegging, bijvoorbeeld om feitenonderzoek te doen of om juridisch advies in te winnen, maar er moet wel voortvarend worden gehandeld.
4.4.
Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd, staat voldoende vast dat TCS reeds op vrijdag 12 december 2025 op de hoogte was van de dringende reden die zij aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd. [naam 1] heeft ter zitting onweersproken verklaard dat hij in de ochtend van 12 december 2025 rond 9.00 uur is gebeld door een collega van DHL met de vraag of hij naar het kantoor van DHL wilde komen. Volgens [naam 1] wilde deze collega hem “over [verweerder] ” spreken, maar heeft hij op dat moment niet doorgevraagd wat er aan de hand was. Niet in geschil is dat [naam 1] naar het kantoor van DHL is gegaan en dat hij aan het begin van de middag (rond lunchtijd) van diezelfde dag camerabeelden heeft bekeken, waarop volgens partijen te zien is dat [verweerder] op 4 december 2025 sigaretten van een collega wegneemt. [naam 1] heeft [verweerder] vervolgens geconfronteerd met de beelden. [verweerder] heeft direct toegegeven dat hij zonder toestemming sigaretten van een collega heeft weggenomen en heeft aansluitend op het gesprek en het bekijken van de camerabeelden zijn verhaal voor TCS op papier gezet. Tussen partijen is in geschil of [verweerder] hierna zijn dienst tot 14.00 uur heeft afgemaakt (zoals [verweerder] stelt) of – op verzoek van TCS in afwachting van het door TCS in te stellen onderzoek naar de gevolgen van het incident – rond 13.30 uur naar huis is gegaan (zoals TCS stelt). TCS stelt verder dat [naam 1] diezelfde dag getracht heeft contact op te nemen met zijn gemachtigde om juridisch advies in te winnen over de haalbaarheid van een ontslag op staande voet. Omdat [naam 1] zijn gemachtigde die dag niet kon bereiken, heeft hij hem vooreerst op maandag 15 december 2025 rond 11.00 uur gesproken. De gemachtigde heeft in dat telefoongesprek aangegeven dat sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en [naam 1] geadviseerd, alvorens hiertoe over te gaan, te vragen naar de persoonlijke omstandigheden van [verweerder] , aldus TCS. [naam 1] heeft hierop direct [naam 2] (planner bij TCS, hierna: [naam 2] ) gebeld met het verzoek aan [verweerder] mede te delen dat hij op staande voet is ontslagen. Daarna is [verweerder] op werk verschenen om zijn dienst te draaien (naar de kantonrechter begrijpt ergens tussen 13.00 en 14.00 uur) en is dit bekend geworden bij TCS. [naam 2] heeft [verweerder] vervolgens pas om 15.08 uur telefonisch op staande voet ontslagen. Anders dan in het verzoekschrift en de pleitaantekeningen staan vermeld, staat vast dat [naam 1] [verweerder] niet zelf heeft gesproken; hij heeft [verweerder] dus ook niet gevraagd naar zijn persoonlijke omstandigheden. Wel heeft [naam 1] diezelfde dag het ontslag op staande voet per e-mail en aangetekend schrijven bevestigd aan [verweerder] , waarbij hem ook de mogelijkheid is voorgehouden om een vaststellingsovereenkomst met TCS te sluiten (waarvan [verweerder] geen gebruik heeft gemaakt).
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet in de gegeven omstandigheden eerder, bij voorkeur vrijdag 12 december 2025 maar in ieder geval niet later dan direct na het telefoongesprek op maandag 15 december 2025 rond 11.00 uur tussen [naam 1] en zijn gemachtigde, gegeven had moeten worden. TCS heeft geen legitieme reden aangevoerd waarom zij tot maandag 15.08 uur heeft gewacht met het verlenen van het ontslag op staande voet. Bij dat oordeel betrekt de kantonrechter de volgende omstandigheden. Zelfs als [naam 1] , zoals hij stelt, niet precies wist waarom hij naar het kantoor van DHL moest komen, hij dat vooraf ook niet heeft gevraagd en de reden pas hoorde bij aankomst – hetgeen op zichzelf opmerkelijk is (mede) gezien het feit dat hij ter zitting heeft verklaard dat hij niet vaak naar de locatie ging – is in elk geval duidelijk dat [naam 1] die betreffende vrijdag op enig moment voorafgaand aan het bekijken van de camerabeelden met [verweerder] op de hoogte was van het incident, dus reeds aan het begin van de middag van 12 december 2025. [naam 1] heeft ter zitting uitvoerig betoogd dat diefstal in de functie van beveiliger op een
high valuelocatie als DHL evident onacceptabel is. Daaruit maakt de kantonrechter op dat de ernst van het incident – de diefstal – hem direct nadat hij daarvan kennis nam duidelijk was. De kantonrechter is van oordeel dat TCS onvoldoende heeft onderbouwd dat het vervolgens voor [naam 1] die dag (vanaf het moment van het telefoontje aangaande [verweerder] om 9.00 uur ’s ochtends, dan wel sinds het begin van de middag (rond lunchtijd) toen hij aankwam op locatie) in het geheel niet mogelijk was om juridisch advies in te winnen in deze voor hem overduidelijke, ernstige zaak en alvast (enige) maatregelen jegens [verweerder] te treffen. Dat op 12 december 2025 na het bekijken van de beelden tegen [verweerder] is gezegd dat hij naar huis moest gaan en dat hij thuis moest blijven totdat er meer bekend was over het onderzoek, zoals TCS stelt, blijkt nergens uit. Ter zitting heeft [naam 1] daarover nog gezegd dat hij tegen [verweerder] heeft gezegd “ga maar lekker naar huis toe”. Daarnaast staat vast dat [verweerder] niet is geschorst of op non-actief is gesteld noch dat hij zijn toegangspas(sen) moest inleveren of deze werden geblokkeerd. [verweerder] verscheen de maandag daarop gewoon voor zijn middagshift op het werk en had die dag nog toegang tot (onder andere) het terrein van DHL zoals te doen gebruikelijk. Onvoldoende is weersproken dat [naam 2] het telefoontje aangaande het ontslag pas om 15.08 uur heeft gepleegd, ruim vier uur na het overleg tussen [naam 1] en zijn gemachtigde en nadat [verweerder] al op werk was verschenen en met zijn dienst was begonnen. Onduidelijk is gebleven waarom [verweerder] dan niet rond 11.00 uur is geïnformeerd over het ontslag op staande voet, althans dat hem op dat moment in ieder geval was aangezegd dat hij niet op het werk mocht verschijnen. Als [naam 1] , zoals hij stelt, aan het wachten was op stukken die zijn gemachtigde aan het voorbereiden was, waaronder – zo begrijpt de kantonrechter – een concept vaststellingsovereenkomst, is dat op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat het ontslag om die reden wel onverwijld gegeven is. [naam 1] had immers in de ochtend al juridisch advies gekregen over het te verlenen ontslag op staande voet, zodat hij daartoe direct had kunnen en moeten overgaan. Door dat niet te doen heeft TCS naar het oordeel van de kantonrechter niet met de vereiste voortvarendheid gehandeld. Het ontslag op staande voet is dus, alles in ogenschouw genomen, niet onverwijld gegeven met als gevolg dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.
in de (voorwaardelijke) verzoeken van TCS
Gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW Pro
4.6.
TCS verzoekt om toekenning van een vergoeding zoals bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW Pro. Op grond van dat artikel is de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd, indien de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Nu hiervoor is overwogen dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, bestaat er geen grond voor toekenning van de verzochte vergoeding. Het verzoek van TCS zal dus worden afgewezen.
Verklaring voor recht
4.7.
Nu hierna zal worden overwogen dat TCS geen transitievergoeding aan [verweerder] is verschuldigd, is de kantonrechter van oordeel dat TCS geen belang meer heeft bij de door haar verzochte verklaring voor recht. Deze zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.8.
TCS is de partij die ongelijk krijgt en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [verweerder] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.009,00
in de zelfstandige verzoeken van [verweerder]
Gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:672 lid 11 BW Pro
4.9.
Omdat TCS de arbeidsovereenkomst met [verweerder] zonder opzegtermijn heeft opgezegd, heeft [verweerder] recht op de gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:672 lid 11 BW Pro, bestaande uit het loon over de periode van 15 december 2025 tot 15 februari 2026. In artikel 9 lid 3 sub c van Pro de cao is immers opgenomen dat zowel werknemer als werkgever een opzegtermijn van acht weken hebben en dat niet tegen het einde van een loonperiode hoeft te worden opgezegd. Partijen twisten echter over de hoogte van het loon. TCS heeft ter zitting onderbouwd gesteld dat het loon van [verweerder] gemiddeld € 4.098,13 bruto per vier weken (inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering) bedraagt. [verweerder] heeft dat niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken, zodat de kantonrechter van de juistheid van dat bedrag uitgaat. Dat betekent dat TCS (2 x € 4.098,13 =) € 8.196,26 bruto aan gefixeerde schadevergoeding aan [verweerder] moet betalen. De gevorderde wettelijke rente wordt – gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 1 BW – toegewezen vanaf 15 december 2025, de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
Transitievergoeding
4.10.
[verweerder] verzoekt om toekenning van de transitievergoeding. Op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW Pro is de transitievergoeding niet verschuldigd, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer kan blijkens de wetsgeschiedenis onder meer sprake zijn in de situatie waarin de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt. Zoals hiervoor reeds is overwogen, staat vast dat [verweerder] zonder toestemming sigaretten van een collega heeft weggenomen. De kantonrechter kwalificeert dit als ernstig verwijtbaar. Daarbij betrekt de kantonrechter dat [verweerder] als beveiliger werkzaam was bij TCS, zodat des te meer van hem mag worden verwacht dat hij zich niet schuldig maakt aan diefstal. Dat betekent dat TCS geen transitievergoeding aan [verweerder] is verschuldigd.
Billijke vergoeding
4.11.
[verweerder] verzoekt voorts om toekenning van een billijke vergoeding van € 10.000,00 bruto. Bij de begroting van een eventueel toe te kennen billijke vergoeding moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. De kantonrechter is van oordeel dat er in de onderhavige situatie geen reden is om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen en licht dit als volgt toe. Weliswaar kan TCS een ernstig verwijt worden gemaakt van de omstandigheid dat zij het ontslag op staande voet niet onverwijld heeft gegeven en zij ten onrechte een (beperkt) deel van het loon van [verweerder] niet heeft uitbetaald, maar voor de directe financiële consequenties die uit dat handelen voortvloeien wordt [verweerder] gecompenseerd door de gefixeerde schadevergoeding en de hierover verschuldigde wettelijke rente. Het handelen van TCS en het tijdsverloop is niet dusdanig schadelijk geweest voor [verweerder] dat die ernstig in zijn belangen is geschaad. Ook weegt mee dat het aannemelijk is dat, ook als geen ontslag op staande voet had plaatsgevonden, het gedrag van [verweerder] op korte termijn tot een einde van zijn dienstverband zou leiden wegens (ernstig) verwijtbaar handelen, iets dat bij [verweerder] zelf (gelet op zijn functie) ook vooraf helder moet zijn geweest. Dit alles afwegende is de kantonrechter van oordeel dat [verweerder] met de hem toekomende gefixeerde schadevergoeding en de hierover verschuldigde wettelijke rente geacht moet worden voldoende gecompenseerd te zijn voor het ernstig verwijtbaar handelen van TCS. De kantonrechter stelt de billijke vergoeding daarom op nihil.
Resterend verlofsaldo en opgebouwde vakantietoeslag
4.12.
TCS heeft ter zitting erkend dat het resterende verlofsaldo en de opgebouwde vakantietoeslag nog niet aan [verweerder] zijn uitbetaald. De hoogte van de door [verweerder] gevorderde bedragen heeft TCS niet weersproken, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid hiervan. Dat betekent dat de vorderingen van [verweerder] zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter aanleiding ziet om de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro over deze bedragen te matigen tot 10%. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat van betalingsonwil aan de zijde van TCS niet is gebleken. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
Proceskosten
4.13.
Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
in de (voorwaardelijke) verzoeken van TCS
5.1.
wijst de verzoeken af,
5.2.
veroordeelt TCS in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als TCS niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
in de zelfstandige verzoeken van [verweerder]
5.3.
veroordeelt TCS om aan [verweerder] te betalen € 8.196,26 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 december 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt TCS om aan [verweerder] te betalen € 2.683,66 bruto aan resterend verlofsaldo, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en de wettelijke rente hierover vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt TCS om aan [verweerder] te betalen € 2.159,90 bruto aan opgebouwde vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en de wettelijke rente hierover vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag van volledige betaling,
5.6.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7.
verklaart de achter 5.3., 5.4. en 5.5. vermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders verzochte of gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.S. Vonck en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.