ECLI:NL:RBDHA:2026:855

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63454
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VreemdelingenwetArt. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 2.16 Procesreglement bestuursrechtArt. 5 richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring wegens ontbreken terugkeerbesluit en zicht op uitzetting afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring die op 24 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd, omdat het terugkeerbesluit aanvankelijk ontbrak in het dossier. Tijdens de zitting is het terugkeerbesluit alsnog toegevoegd, waarna de rechtbank oordeelde dat dit in bewaringszaken geoorloofd is gezien de korte termijn van behandeling.

Verweerder stelde dat de maatregel noodzakelijk is vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht onttrekt en de uitzettingsprocedure belemmert. Eiser betwistte enkele zware gronden, waaronder het ontbreken van het terugkeerbesluit, maar de rechtbank achtte deze gronden terecht en voldoende om de bewaring te dragen.

Eiser voerde aan dat er geen zicht is op daadwerkelijke uitzetting vanwege een verlopen paspoort en onduidelijkheid over de removal order. De rechtbank stelde vast dat Qatar Airways toestemming gaf voor vervoer en dat een vlucht was aangevraagd, evenals medische ondersteuning vanwege psychische problematiek. Er was geen reden om te twijfelen aan voortvarendheid van verweerder.

Ambtshalve toetsing door de rechtbank bevestigde dat de maatregel niet onrechtmatig was en dat geen bezwaren bestonden op grond van non-refoulement of het belang van het gezin. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.63454
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. Schaap),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker).

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T.M. Butt. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ontbreken van het terugkeerbesluit
1. Eiser stelt vast dat het terugkeerbesluit niet is toegevoegd aan het dossier en dat er dan ook geen grondslag is voor de maatregel van bewaring.
2. Ter zitting heeft verweerder het terugkeerbesluit alsnog aan het dossier toegevoegd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verwezen naar artikel 2.16 van het Procesreglement bestuursrecht over te laat ingediende stukken. De rechtbank stelt vast
dat artikel 2.16, eerste lid, van het Procesreglement, waarin is neergelegd dat indien stukken tien dagen of minder voor de zitting door de bestuursrechter zijn ontvangen de bestuursrechter beoordeeld of deze stukken buiten beschouwing blijven, ingevolge artikel
8.1
van dat reglement niet van toepassing is in bewaringszaken. De korte termijn van 14 dagen waarbinnen de bewaringszaak na het instellen van het beroep ter zitting dient te worden behandeld, brengt met zich dat het niet in de rede ligt dat de bestuursrechter bij
overschrijding van de 10 dagen termijn van artikel 2.16, eerste lid, Procesreglement oordeelt dat stukken buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank overweegt dat het voor zowel de gemachtigde van eiser als de rechtbank vervelend is wanneer stukken laat of zelfs helemaal niet voorafgaand aan de zitting aan het dossier worden toegevoegd. Dit belemmert een goede inhoudelijke voorbereiding van de zaak. Het dossier is echter ter zitting wel volledig gemaakt, eiser heeft de kans gekregen om hierop te reageren en heeft dit ook gedaan. Eiser is dus niet zodanig benadeeld door deze gang van zaken dat de rechtbank aanleiding ziet hieraan consequenties te verbinden.
De bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist de zware gronden 3c, 3d, en 3e. Ten aanzien van 3c beroept eiser zich op zijn stelling dat het terugkeerbesluit voor de zitting ontbrak in het dossier. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen onder 2. is overwogen. Omdat eisers vertrekplicht voortvloeit uit dit besluit, is de rechtbank van oordeel dat deze zware grond feitelijk juist is en terecht is tegengeworpen. Verder stelt de rechtbank vast dat de zware gronden 3a, 3b, en 3i en de lichte gronden niet door eiser worden bestreden. De zware gronden 3a, 3b, 3c, 3i, en de lichte gronden kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bestreden gronden behoeven gezien het voorgaande geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
5. Eiser voert aan dat uit het dossier niet blijkt dat eiser daadwerkelijk zal worden uitgezet, omdat de vraag of de zogeheten ‘removal order’ geëffectueerd kan worden op een verlopen nationaal paspoort niet is beantwoordt door Qatar Airways. Volgens eiser ontbreekt dan ook zicht op uitzetting en er kan niet worden gesproken van voldoende voortvarend handelen.
6. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Uit het dossier blijkt dat Qatar Airways op 2 januari 2026 toestemming heeft gegeven voor het vervoer van eiser en dat een vlucht is aangevraagd. Verder blijkt dat verweerder op 5 januari 2026 een aanvraag heeft gedaan voor medische escorts ter ondersteuning vanwege eisers psychische problematiek. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser niet uitgezet zal worden middels de vlucht die voor hem is aangevraagd, of dat verweerder onvoldoende aan eisers vertrek heeft gewerkt. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 januari 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.