8.1van dat reglement niet van toepassing is in bewaringszaken. De korte termijn van 14 dagen waarbinnen de bewaringszaak na het instellen van het beroep ter zitting dient te worden behandeld, brengt met zich dat het niet in de rede ligt dat de bestuursrechter bij
overschrijding van de 10 dagen termijn van artikel 2.16, eerste lid, Procesreglement oordeelt dat stukken buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank overweegt dat het voor zowel de gemachtigde van eiser als de rechtbank vervelend is wanneer stukken laat of zelfs helemaal niet voorafgaand aan de zitting aan het dossier worden toegevoegd. Dit belemmert een goede inhoudelijke voorbereiding van de zaak. Het dossier is echter ter zitting wel volledig gemaakt, eiser heeft de kans gekregen om hierop te reageren en heeft dit ook gedaan. Eiser is dus niet zodanig benadeeld door deze gang van zaken dat de rechtbank aanleiding ziet hieraan consequenties te verbinden.
De bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist de zware gronden 3c, 3d, en 3e. Ten aanzien van 3c beroept eiser zich op zijn stelling dat het terugkeerbesluit voor de zitting ontbrak in het dossier. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen onder 2. is overwogen. Omdat eisers vertrekplicht voortvloeit uit dit besluit, is de rechtbank van oordeel dat deze zware grond feitelijk juist is en terecht is tegengeworpen. Verder stelt de rechtbank vast dat de zware gronden 3a, 3b, en 3i en de lichte gronden niet door eiser worden bestreden. De zware gronden 3a, 3b, 3c, 3i, en de lichte gronden kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bestreden gronden behoeven gezien het voorgaande geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
5. Eiser voert aan dat uit het dossier niet blijkt dat eiser daadwerkelijk zal worden uitgezet, omdat de vraag of de zogeheten ‘removal order’ geëffectueerd kan worden op een verlopen nationaal paspoort niet is beantwoordt door Qatar Airways. Volgens eiser ontbreekt dan ook zicht op uitzetting en er kan niet worden gesproken van voldoende voortvarend handelen.
6. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Uit het dossier blijkt dat Qatar Airways op 2 januari 2026 toestemming heeft gegeven voor het vervoer van eiser en dat een vlucht is aangevraagd. Verder blijkt dat verweerder op 5 januari 2026 een aanvraag heeft gedaan voor medische escorts ter ondersteuning vanwege eisers psychische problematiek. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser niet uitgezet zal worden middels de vlucht die voor hem is aangevraagd, of dat verweerder onvoldoende aan eisers vertrek heeft gewerkt. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.