ECLI:NL:RBDHA:2026:857

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
C/09/681825 / HA ZA 25-247
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 EP EVRMArt. 6:119 BWArt. 150 RvWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 223Meststoffenwet artikel 21b lid 1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens onvoldoende causaal verband bij fosfaatrechten geschil

Eiser exploiteert een melkveehouderij en stelde dat de Staat onrechtmatige besluiten had genomen omtrent het aantal fosfaatrechten, wat leidde tot schadevergoeding voor gemiste bedrijfsresultaten tot 2020. Eiser vorderde aanvullende schadevergoeding wegens vermeende negatieve invloed van de besluiten en procedures op zijn gezondheid en bedrijfsvoering tot 2023.

De Staat erkende de onrechtmatigheid en betaalde reeds een schadevergoeding. Eiser stelde dat de onrechtmatige besluiten spanningsklachten veroorzaakten die de bedrijfsvoering negatief beïnvloedden, wat leidde tot lagere melkproductie en hogere sterfte. De rechtbank onderzocht het causaal verband tussen de besluiten, gezondheidsklachten en bedrijfsresultaten.

Medische rapporten van een psychiater en verzekeringsarts werden gewogen. De psychiater stelde een verband vast, maar de verzekeringsarts betwistte dit op basis van gebrek aan objectieve medische vaststellingen. De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat de onrechtmatige besluiten de spanningsklachten veroorzaakten en dat deze klachten de bedrijfsvoering negatief beïnvloedden.

De rechtbank oordeelde dat de reeds betaalde schadevergoeding toereikend was en wees de aanvullende vorderingen af. Ook de vorderingen tot verklaring van onrechtmatigheid en aansprakelijkheid werden afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af wegens onvoldoende bewijs van causaal verband tussen onrechtmatige besluiten en verdere schade.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/681825 / HA ZA 25-247
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.C. Teeuw,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland)te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. M.T. Beumers.

1.Samenvatting

De Staat heeft onjuiste en daarmee onrechtmatige primaire besluiten genomen over het melkveebedrijf van [eiser] in het kader van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 en het Fosfaatrechtenstelsel 2018. Kort gezegd is de Staat in die besluiten uitgegaan van een te laag aantal fosfaatrechten. Medio 2020 heeft de Staat alsnog de besluiten genomen die zij oorspronkelijk had moeten nemen. De Staat heeft een schadevergoeding aan [eiser] betaald, voornamelijk voor gemiste bedrijfsresultaten wegens minder gehouden melkkoeien tot in het jaar 2020.
[eiser] stelt dat hij door de onrechtmatige besluiten verdere schade heeft geleden; hij vordert in deze procedure de vergoeding daarvan. Volgens [eiser] hebben de onrechtmatige besluiten en de daarmee gepaard gaande juridische procedures zijn (psychische) gezondheidstoestand negatief beïnvloed, en heeft dat weer een negatieve invloed gehad op de wijze waarop hij zijn melkveebedrijf heeft gevoerd. [eiser] betoogt dat dit tot in het jaar 2023 heeft geleid tot een lagere gemiddelde melkproductie per koe en tot verdere schade voor zijn bedrijf.
De rechtbank komt in dit vonnis tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat er causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige besluiten en de gestelde verdere schade waarvan [eiser] vergoeding vordert in deze procedure. De rechtbank zal de vorderingen van [eiser] dan ook afwijzen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 7 maart 2025, tevens houdende verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);
- de akte overlegging producties, met producties 1 tot en met 52;
- de akte vermindering van eis;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 13;
- het tussenvonnis van 16 juli 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
- de producties 53 tot en met 55 van [eiser] ;
- de productie 56 van [eiser] ;
- de brieven van de zijde van de Staat van 20 oktober 2025, waarin de Staat bezwaar heeft gemaakt tegen indiening van producties 53 tot en met 56;
- het e-mailbericht van de rechtbank aan partijen van 20 oktober 2025 (15:19 uur), waarin de rechtbank heeft meegedeeld geen aanleiding te zien de producties 53 tot en met 55 op voorhand buiten beschouwing te laten;
- het e-mailbericht van [eiser] aan de rechtbank, waarin hij reageert op het door de Staat gemaakte bezwaar tegen indiening van productie 56;
- het e-mailbericht van de rechtbank aan partijen van 23 oktober 2025 (8:54 uur), waarin de rechtbank heeft meegedeeld geen aanleiding te zien productie 56 op voorhand buiten beschouwing te laten;
- de akte houdende overlegging productie van de Staat, met productie 14.
2.2.
Op 30 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en hebben daarbij gebruikgemaakt van spreekaantekeningen, die zij aan de rechtbank hebben overhandigd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen tijdens de zitting hebben gezegd.
2.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser] exploiteert een melkveehouderij. In 2010 heeft [eiser] investeringen gedaan ten behoeve van de verdere ontwikkeling van zijn melkveebedrijf.
3.2.
In december 2010 heeft een GZ-psycholoog (hierna: de GZ-psycholoog) bij [eiser] de diagnose gesteld van Post-Traumatische Stress Stoornis (PTSS). Dit hield verband met een zeer ingrijpende gebeurtenis vóór 2010 die grote impact op [eiser] heeft gehad. Deze gebeurtenis wordt hierna ‘de ingrijpende gebeurtenis’ genoemd. In 2010 en 2011 is [eiser] door de GZ-psycholoog behandeld voor PTSS.
3.3.
Bij brief van 2 juli 2015 heeft het kabinet aan de Tweede Kamer een voorstel tot wijziging van de Meststoffenwet (Msw) aangekondigd waarmee een productiebegrenzing in de melkveehouderij wordt beoogd door de invoering van een stelsel van fosfaatrechten. Het betreffende wetsvoorstel is op 8 september 2016 bij de Tweede Kamer ingediend.
3.4.
Voor uitsluitend het jaar 2017 is bij ministeriële regeling de ‘Regeling Fosfaatreductieplan 2017’ ingevoerd. Deze regeling was erop gericht melkveehouders aan te moedigen om hun veestapel zoals die was op 1 oktober 2016 (het doelstellingsaantal) te verminderen tot het aantal koeien dat deze melkveehouder hield op 2 juli 2015, verminderd met 4% (het referentieaantal). Melkveehouders moesten kort gezegd een (in de tijd oplopende) tweemaandelijkse heffing betalen als de hoeveelheid vrouwelijke runderen hoger was dan het referentieaantal, in de periode maart 2017 tot en met december 2017. Het ging daarbij om in totaal vijf heffingen.
3.5.
In artikel 12 van Pro de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 was een knelgevallenregeling opgenomen op grond waarvan de Staatssecretaris het referentieaantal kon ophogen als op 2 juli 2015 door bepaalde buitengewone omstandigheden de veestapel tijdelijk kleiner was dan gebruikelijk.
3.6.
In 2017 hield het bedrijf van [eiser] meer melkvee dan op de peildatum van 2 juli 2015.
3.7.
Op 17 juni 2017 heeft de Staat een ‘Beschikking fosfaatreductieplan 2017’ genomen ten aanzien van het bedrijf van [eiser] . Daarbij is aan [eiser] een geldsom opgelegd van € 12.230,-. Bij deze heffing is tot uitgangspunt genomen dat het bedrijf van [eiser] in 2017 maximaal 3.373 kg fosfaat per jaar mocht produceren, gelet op de situatie van het bedrijf per 2 juli 2015.
3.8.
Per 1 januari 2018 is de Msw gewijzigd en daarmee is het fosfaatrechtenstelsel voor de melkveehouderij in werking getreden. Op grond van dit stelsel kent de minister aan een melkveebedrijf een hoeveelheid fosfaatrechten toe dat overeenkomt met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 door het betreffende bedrijf werd gehouden, verminderd met een generieke korting van 8,3% voor niet grondgebonden bedrijven. Daarbij is het op grond van artikel 21b lid 1 Msw verboden voor een landbouwer om in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. In artikel 23 lid 6 Msw Pro is een knelgevallenregeling opgenomen voor melkveehouderijen waar op de peildatum van 2 juli 2015 vanwege bepaalde bijzondere omstandigheden de veestapel minimaal 5% kleiner dan gebruikelijk is.
3.9.
Van december 2017 tot en met april 2018 is [eiser] (weer) door de GZ-psycholoog behandeld, voor een aanpassingsstoornis met sombere stemming en angst.
3.10.
Bij beschikking van 5 januari 2018 heeft de Staat het aantal fosfaatrechten van [eiser] vastgesteld op 3.373 (in kg fosfaat). Dit aantal fosfaatrechten is gebaseerd op de situatie van het melkveebedrijf van [eiser] per 2 juli 2015. [eiser] heeft tegen dit besluit tijdig bezwaar gemaakt. Verder heeft [eiser] een beroep gedaan op de knelgevallenregeling. Bij besluit van 20 september 2018 heeft de Staat het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard en ook het beroep door [eiser] op de knelgevallenregeling afgewezen.
3.11.
Bij ‘Beschikkingen fosfaatreductieplan 2017’ van 24 en 31 maart en 7, 14 en 21 april 2018 heeft de Staat heeft de Staat geldsommen/heffingen aan [eiser] opgelegd van respectievelijk € 12.230,-, € 12.019,-, € 14.813, € 14.486,- en € 14.539,-. Bij deze heffingen is steeds tot uitgangspunt genomen dat het bedrijf van [eiser] in 2017 maximaal 3.373 kg fosfaat per jaar mocht produceren, gelet op de situatie van het bedrijf per 2 juli 2015. [eiser] heeft tegen deze besluiten steeds tijdig bezwaar ingesteld. Bij besluit van 31 juli 2018 heeft de Staat deze bezwaren ongegrond verklaard.
3.12.
[eiser] heeft tegen de besluiten om zijn bezwaren ongegrond te verklaren, beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) en uitstel van betaling verzocht.
3.13.
Van de op grond van de in 3.11 genoemde beschikkingen verschuldigde heffingen heeft de Staat € 7.000,- ingehouden op zogenaamd melkgeld van [eiser] (de rechtbank begrijpt: gelden die de melkfabriek aan [eiser] is verschuldigd op grond van de door [eiser] aan de melkfabriek geleverde melk). Voor de rest van deze heffingen heeft de Staat uitstel van betaling aan [eiser] verleend tot het moment dat het CBb uitspraak zou doen over het door [eiser] ingestelde beroep bij het CBb.
3.14.
Bij uitspraak van 3 maart 2020 heeft het CBb geoordeeld dat de invoering van het fosfaatrechtenstelsel bij [eiser] heeft geleid tot een buitensporige last, die in strijd komt met het recht op eigendom dat is neergelegd artikel 1 van Pro het eerste Protocol bij het Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM), en de Staat opgedragen haar besluit van 5 januari 2018 over de hoeveelheid fosfaatrechten ten aanzien van [eiser] te herzien. Het CBb heeft daartoe overwogen:
‘Gezien het moment van de investeringen, de oorzaak van de achterblijvende uitvoering van de plannen en mede in aanmerking genomen de omvang van de financiële last en de impact op de bedrijfsvoering, is het College van oordeel dat goede redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat de last buitensporig is en dat de belangen van [ [eiser] ] zwaarder moeten wegen dan de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn). Het beroep op schending van artikel 1 EP Pro slaagt.’
Het CBb heeft in deze uitspraak verder overwogen dat de Staat terecht heeft geoordeeld dat geen sprake was van een knelgeval in de zin van de Msw en dat het fosfaatrechtenstelsel in het algemeen niet in strijd is met artikel 1 EP Pro EVRM.
3.15.
Bij besluit van 9 juni 2020 heeft de Staat een herziene beslissing op bezwaar toegezonden en het aantal fosfaatrechten voor [eiser] vastgesteld op 3.419 (in kg fosfaat) en een ontheffing verleend ter hoogte van 2.586 (in kg fosfaat). Dit komt bij elkaar op 6.005 kg fosfaat.
3.16.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 juni 2020. [eiser] heeft in dat verband onder meer aangevoerd dat aan hem extra (wel vrij verhandelbare) fosfaatrechten hadden moeten worden toegekend in plaats van het verlenen van een (niet vrij verhandelbare) ontheffing. Bij uitspraak van 7 september 2021 heeft het CBb het betoog van [eiser] dat de Staat niet had mogen kiezen voor het verlenen van een ontheffing in plaats van voor het toekennen van fosfaatrechten, verworpen.
3.17.
Bij nieuwe beslissing op bezwaar van 29 juli 2020 heeft de Staat zijn besluiten van 24 en 31 maart en 7, 14, en 21 april 2018 wat betreft het Fosfaatreductieplan 2017 herzien, in die zin dat de aan [eiser] opgelegde heffingen op nihil zijn gesteld.
3.18.
Bij brief van 22 augustus 2020 heeft [eiser] de Staat aansprakelijk gesteld voor de geleden schade als gevolg van de onrechtmatige besluiten.
3.19.
Op 15 januari 2021 heeft de Staat een schadevergoeding aan [eiser] toegekend van € 27.958,55. Dit bedrag bestond uit een vergoeding voor gemiste inkomsten over 2018 (€ 8.870,42) en 2019 (€ 15.971,04), advieskosten (€ 2.119,96) en wettelijke rente (€ 993,80).
3.20.
[eiser] heeft (kort gezegd) aan de Staat laten weten dat hij meent dat zijn functioneren op het bedrijf negatief is beïnvloed door de onrechtmatige besluiten en dat hij daarom meer schade heeft geleden dan de Staat aan hem heeft vergoed.
3.21.
De Staat heeft meermaals aan [eiser] laten weten dat wat hem betreft een medisch deskundige het causaal verband moet vaststellen tussen de onrechtmatige besluitvorming, de gestelde verergering van psychische klachten en de gestelde schade. De Staat heeft voor het inschakelen van een medisch deskundige ook concrete voorstellen gedaan, waaronder het formuleren van een vraagstelling voor een medisch deskundige. [eiser] is hier niet op ingegaan.
3.22.
Bij besluit van 4 augustus 2023 heeft de Staat een aanvullende schadevergoeding aan [eiser] toegekend van € 38.435,19, waarmee de in totaal aan [eiser] toegekende schadevergoeding (€ 27.958,55 plus € 38.435,19 is) € 66.393,74 werd. Dit totaalbedrag van € 66.393,74 is opgebouwd uit een vergoeding voor gemiste inkomsten over 2018 van € 14.987,27, over 2019 van € 20.824,17 en over 2020 van € 23.335,-, vermeerderd met € 2.119,96 aan advieskosten en € 5.127,34 aan wettelijke rente.
3.23.
Op 18 januari 2024 heeft mevrouw [naam 1] , psychiater (hierna: [naam 1] ) – na [eiser] te hebben gezien op 14 december 2023 – het volgende geschreven:
‘Vraagstelling: In hoeverre is er een verband tussen rechtszaken tegen de staat en de psychische/somatische klachten?
[ [eiser] ] strijdt sinds 2016 met de staat die wil dat het aantal melkkoeien gereduceerd wordt. (...) In maart 2020 werd hij het gelijk gesteld (...). In die periode kwamen er zorgen over het voortbestaan van het bedrijf. (...).
Anamnese
Hij had gemiddeld tot goed gedraaid, de koeien hadden een goede gezondheid.
[ [eiser] ] heeft geen depressieve klachten, hij kan van de boerderij en de kinderen genieten. Hij slaapt goed en de eetlust is goed. Heeft geen last van paniekaanvallen, herbelevingen of nachtmerries. Hij heeft zich in de loop van de tijd wel veel somatische klachten ontwikkeld.
(...)
Psychiatrisch onderzoek
Dhr. [eiser] is een goed verzorgde Nederlandse man die open is in het contact. Er is sprake van een helder bewustzijn waarbij aandacht en concentratie tijdens het gesprek niet gestoord zijn. Het denken is coherent in een normaal tempo zonder wanen. De waarneming is niet gestoord. De stemming fluctueert maar [ [eiser] ] is niet somber gestemd. Modulerend affect. De psychomotoriek is rustig en beheerst. [ [eiser] ] heeft een goed ziekte-inzicht en ziektebesef.
Beschouwing en beantwoording vraagstelling
De boerderij betekent veel voor [ [eiser] ] en hij ervaart een grote lijdensdruk sinds hij verlies begon te leiden. De rechtszaken hebben een grote tol geëist.
Dit wordt duidelijk in de dossierstudie van het huisartsendossier. Daarin komt naar voren dat [ [eiser] ] al jarenlang last heeft van concentratieproblemen, slapeloosheid en daardoor vermoeidheid. Hij kreeg steeds meer moeite om alle taken van zijn veebedrijf uit te voeren. Hij kreeg last van oorsuizen en een vastzittende rug en nek. Omdat dit al jarenlang speelt is dit invaliderend en heeft dit geleid tot schade. Ook in het gesprek met dhr. [eiser] op 14 december 2023 komt dit naar voren.
(...)
Het antwoord op de vraag is dat er een verband is tussen de rechtszaken en de klachten die daarna zijn ontstaan. Het is belangrijk om dit mee te nemen in de schadevergoeding.
Het heeft geleid tot een somatoforme stoornis met daarbij oorsuizen, rug en nekklachten.’
3.24.
Op 26 maart 2025 heeft de heer drs. [naam 2] (hierna: [naam 2] ) verbonden aan Finqa Schade Expertise, op verzoek van [eiser] een ‘Veterinair deskundigenbericht’ uitgebracht. Daarin is de schade die [eiser] zou hebben geleden door de onrechtmatige besluiten van de Staat, berekend op € 951.780,66,-.
3.25.
Op 3 juni 2025 heeft [naam 3] (hierna: [naam 3] ), als verzekeringsarts en medisch adviseur verbonden aan Peritia BV, een advies aan de Staat uitgebracht met betrekking tot [eiser] en het rapport van [naam 1] . In dit advies is onder meer het volgende opgenomen:
‘Ik vermeld wel dat [ [naam 1] ] geen klachten van depressiviteit of angst vaststelde. (...) Ze komt tot de vaststelling van een somatoforme stoornis, benoemt in dat kader oorsuizen en een vastzittende rug en nek. Zij neemt relatie tussen de rechtszaken tegen de staat en de klachten die daarna zijn ontstaan.
(...)
Uit de brief van 30 april 2018 van GZ-psycholoog blijkt dat de problematiek die in 2010/2011 speelde ([de ingrijpende gebeurtenis] en procedures die nadien zijn gaan spelen] ook (of weer) in 2017 – 2018 nog klachten gaf. (...) De GZ-psycholoog maakt in zijn brief van 30 april 2018 wel melding van de discussie over de fosfaatrechten maar lijkt de oude problematiek voorop te stellen. Bij de huisarts lijkt de discussie over de fosfaatrechten overigens pas op 29 januari 2019 gemeld. Het is gezien de aanwezige gegevens aannemelijk dat de discussie over de fosfaatrechten enige (stress)klachten gegeven hebben maar de verwijzing voor een herhaalde psychologische behandeling kwam voort uit de “oude problematiek” en ook de psycholoog benoemt die problematiek als eerste oorzaak. Overigens duidde de psycholoog de klachten als een aanpassingsstoornis hetgeen een stoornis is waaraan doorgaans geen duidelijke arbeidsbeperkingen zijn toe te kennen.
In het medisch dossier valt eigenlijk niets te lezen over arbeidsongeschiktheid door de jaren heen.
(...)
Ik kan me niet vinden in het advies [van [naam 1] ]. De belangrijkste vaststelling is dat de psychiater bij haar onderzoek geen afwijkingen kan vaststellen. De concentratieproblemen en vermoeidheid die ze later in het dossier noemt, worden op geen enkele wijze geobjectiveerd. Ze kan als gevolg daarvan ook geen duidelijke beperkende psychiatrische stoornis vaststellen.
De psychiater komt tot de conclusie van een somatoforme stoornis met daarbij oorsuizen, rug- en nekklachten. Die klachten zijn echter niet terug te lezen in het journaal van de huisarts en ook de aanwezige informatie van derden laat die klachten niet zien. Hoe die klachten dan zouden zijn ontstaan door de rechtszaken wordt verder niet onderbouwd.
Verder merk ik op dat de psychiater volledig voorbijgaat aan de procedure(s) die voortgekomen zijn uit [de ingrijpende gebeurtenis]. Dat speelde nog in 2017 en 2018 (...).
Mijn conclusie over het advies [van [naam 1] ] is derhalve dat het gestelde causale verband onvoldoende gemotiveerd wordt. Klachten die de psychiater aan de rechtszaken toeschrijft worden of door haarzelf niet geobjectiveerd (o.a. concentratiestoornissen) of blijken niet uit het dossier (oorsuizen, nek- en rugklachten).’
3.26.
In een brief van [naam 1] van 20 oktober 2025 is onder meer het volgende opgenomen:
‘Uit het huisartsendossier blijkt dat [ [eiser] ] vanaf 2018 last heeft gehad van concentratieproblemen, slapeloosheid, vermoeidheid en daardoor grote moeite heeft gehad met het uitvoeren van de taken op het melkveebedrijf. Door de procedures over het fosfaat ontstonden de psychische klachten. Daarbij kwamen ook psychische klachten terug, maar niet andersom zoals [ [naam 3] ] stelt. Zie bijvoorbeeld:
[opsomming van een aantal citaten uit het huisartsendossier].
(...)
Er is een somatoforme stoornis ontstaan:
(...)
Deze ziekte en de grote onzekerheid heeft grote impact gehad op [ [eiser] ] en zijn bedrijf. Het medisch dossier bevestigt dat [eiser] hierdoor niet in staat is om alle taken van het veebedrijf adequaat uit te voeren. Ook na de einduitspraak in 2020 de klachten niet direct zijn verbeterd.’
3.27.
Op 27 oktober 2025 heeft [naam 3] gereageerd op de rapportage van 20 oktober 2025 van [naam 1] . In deze reactie is onder meer het volgende opgenomen:
[I]nhoudelijk wil ik het volgende opmerken:
 Mevrouw [naam 1] baseert haar conclusies ten aanzien van de klachten en de gevolgen daarvan op het vermogen van de betrokkene om alle taken van het veebedrijf uit te voeren grotendeels op de door haar beschreven huisartsenconsulten. Ik wijs erop dat wat zij over de consulten (...) schrijft slechts de verslaglegging is van wat betrokkene zelf vermeldt. Het staat immers allemaal onder de S van de zogenaamde SOEP-notitie. Hierin staat S voor subjectief, met andere woorden de klachten die iemand uit; de O voor objectief, met andere woorden, de objectieve vaststellingen van de huisarts, de E voor evaluatie, doorgaans wordt daarbij de (vermoede) diagnose vermeld, en de P voor plan, met andere woorden, de benodigde actie (bijvoorbeeld: medicatie, verwijzing voor onderzoek of behandeling). Bij geen van de consulten is er een vermelding van objectieve vaststelling van psychische problematiek. Een concrete P in de zin van een behandeling door de huisarts zelf, medicatie of verwijzing voor behandeling is bij geen van de consulten vermeld.
 Mevrouw [naam 1] maakt melding van verwijsbrieven van aan 3 juli 2019, 10 april 2020 en 22 december 2020, daarmee de suggestie wekkend dat betrokkene verwezen zou zijn voor behandeling. In feite ging [het om] een verklaring van de huisarts om zijn verzoek voor versnelde behandeling van de rechtszaak kracht bij te zetten (3 juli 2019), een verklaring van de huisarts om de aanvraag voor bedrijfsverzorging te ondersteunen (10 april 2020) en een brief voor zijn advocaat (22 december 2020).
 Hoewel (...) betrokkene tussen 29 januari 2019 en 22 december 2020 wel enkele malen melding heeft gemaakt van lopende rechtszaken en de last die hij daarvan had, blijkt uit het journaal niet dat er in die periode beperkende psychische klachten vastgesteld zijn. De huisarts heeft geen diagnose(s) gesteld, evenmin behandeling ingesteld. Behoudens het contact op 29 januari 2019 lijken de consulten ook een zeker instrumenteel karakter te hebben gehad; consulten vonden plaats omdat betrokkene een verklaring van de huisarts nodig had en niet zozeer om zijn klachten sec kenbaar te maken en behandeling daarvan te vragen. Mogelijk ten overvloede geef ik nog aan dat er na 22 december 2020 tot aan 7 juli 2023 – tot die datum loopt het journaal – in het geheel geen psychische klachten gemeld zijn.
 Mevrouw [naam 1] gaat er opnieuw vanuit dat de voorgeschiedenis geen rol gespeeld heeft. Dat lijkt mij niet juist. Uit de brief van 30 april 2018 van [de GZ-psycholoog] valt af te leiden dat de voorgeschiedenis eind 2017-begin 2018 de klachten nog deels bepaalde en nog geen jaar later (29 januari 2019) was dat weer (of nog?) het geval.
(...)
Tot slot wil ik nogmaals vermelden dat de diagnose die mevrouw [naam 1] stelt niet volgt uit haar eigen onderzoeksbevindingen. Bij psychiatrisch onderzoek stelde zij immers geen afwijking vast (...) en de lichamelijke klachten waarop ze diagnose somatoforme stoornis mede baseert, zijn niet terug te vinden in het journaal van de huisarts.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – samengevat en na vermindering van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Bij wijze van voorlopige voorziening:
de Staat veroordeelt tot betaling van een voorschot van € 372.000,- te vermeerderen met wettelijke rente;
In de bodemprocedure:
  • I) voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door hem in januari 2018 slechts 3.373 kg fosfaatrechten toe te kennen terwijl dit, blijkens de (herziene) beslissing van de Staat, 6.005 kg fosfaatrechten had moeten zijn;
  • II) de Staat veroordeelt tot betaling van € 924.549,66, te vermeerderen met wettelijke rente;
  • III) voor recht verklaart dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die [eiser] lijdt en zal lijden vanwege het verlenen van een ontheffing in plaats van verhandelbare fosfaatrechten aan [eiser] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
met veroordeling van de Staat tot vergoeding aan [eiser] buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, beiden te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag.
4.2.1.
De Staat heeft onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld in het kader van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 en het Fosfaatrechtenstelsel dat op 1 januari 2018 is ingevoerd. Aan [eiser] is initieel een (veel) te laag aantal fosfaatrechten toegekend en dit is pas na geruime tijd en meerdere procedures hersteld. De Staat moet de schade die [eiser] daardoor heeft geleden, vergoeden.
4.2.2.
Door de toekenning van het te lage aantal fosfaatrechten is [eiser] ten eerste ernstig belemmerd in de verdere ontwikkeling (groei) van zijn bedrijf zoals hij dat in 2015 met succes in gang had gezet. De onrechtmatige besluitvorming en de procedures die [eiser] daardoor heeft moeten voeren, hebben bij [eiser] (kort gezegd) voor spanningsklachten gezorgd en aldus een negatieve invloed gehad op zijn gezondheidstoestand. Dit heeft weer een sterk negatieve invloed gehad op de bedrijfsvoering door [eiser] . In de hypothetische situatie zonder de onrechtmatige besluiten van de Staat, zou [eiser] in de jaren 2018-2023 115 melkkoeien met bijbehorend jongvee hebben gehad, met normale bedrijfsresultaten. In de feitelijke situatie heeft hij in (een deel van) deze periode een lager aantal melkkoeien met bijbehorend jongvee gehad en zijn andere aspecten van zijn bedrijfssituatie negatief beïnvloed. Bij het toekennen van schadevergoeding aan [eiser] heeft de Staat ten onrechte geen rekening gehouden met de schade vanwege verminderde melkproductie per koe, hogere afvoer en sterfte en andere negatieve effecten op het bedrijf. De verdere schade die [eiser] heeft geleden, moet worden begroot op € 924.549,66.
4.2.3.
De Staat is ten slotte schadeplichtig jegens [eiser] omdat de Staat [eiser] op 9 juni 2020 een ontheffing heeft verleend voor 2.586 kg fosfaat, in plaats van aan hem 2.586 extra fosfaatrechten toe te kennen.
4.3.
Aan de gevorderde voorlopige voorziening legt [eiser] ten grondslag dat de Staat hem een bedrag van € 924.549,66 aan schadevergoeding is verschuldigd en dat hij een zodanig groot belang heeft bij het gevraagde voorschot dat niet van hem kan worden gevergd dat hij de afloop van de hoofdprocedure afwacht, dit omdat zijn bedrijf in grote financiële nood verkeert.
4.4.
De Staat voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
4.5.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank neemt het volgende tot uitgangspunt. De Staat heeft in 2017 en 2018 onjuiste en daarmee onrechtmatige primaire besluiten genomen over het melkveebedrijf van [eiser] . De Staat is daarom verplicht om de toerekenbare schade die [eiser] door deze besluiten heeft geleden, te vergoeden. Om deze schade te berekenen, moet de feitelijke situatie van het bedrijf van [eiser] , worden afgezet tegen de hypothetische situatie waarin het bedrijf van [eiser] zou hebben verkeerd als de Staat in 2017 en 2018 direct juiste (rechtmatige) primaire besluiten zou hebben genomen.
5.2.
In de hypothetische situatie waarin de onrechtmatige besluiten worden weggedacht, zou de Staat bij het nemen van de primaire besluiten steeds ervan zijn uitgegaan dat het bedrijf van [eiser] met het melkvee in totaal 6.005 kg fosfaat per jaar mocht produceren. In die hypothetische situatie zouden aan [eiser] (in 2017 en 2018) géén heffingen zijn opgelegd in het kader van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 en zouden aan het bedrijf van [eiser] bij besluit van 5 januari 2018 ofwel 6.005 kg fosfaatrechten zijn toegekend, ofwel zou mede een ontheffing zijn verleend, steeds met als resultaat dat het bedrijf 6.005 kg fosfaat per jaar mocht produceren. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De vraag is vervolgens tot welk bedrag het bedrijf van [eiser] in de feitelijke situatie financieel is benadeeld ten opzichte van de beschreven hypothetische situatie.
5.3.
In zaken zoals hier aan de orde, berekent de Staat de verschuldigde schadevergoeding normaliter door – op basis van concrete bedrijfsresultaten van de melkveehouder in de relevante jaren – te berekenen wat een melkveehouder in de hypothetische situatie extra zou hebben verdiend met (a) de ten onrechte in het kader van het Fosfaatreductieplan in 2017 afgevoerde vrouwelijke runderen en (b) de extra toegestane fosfaatproductie, indien deze gelijk in januari 2018 aan de melkveehouder zouden zijn toegekend, en niet pas op een later moment.
5.4.
Vast staat dat [eiser] in 2017 géén vrouwelijke runderen heeft afgevoerd naar aanleiding van de heffingen in het kader van het Fosfaatreductieplan in 2017. De Staat heeft onweersproken gesteld dat hij daarom mocht aannemen dat het aantal koeien dat het bedrijf van [eiser] in het jaar 2017 heeft gehouden, niet door de onrechtmatige besluiten is beïnvloed. De Staat heeft verder een berekening gemaakt van het aantal melkkoeien dat [eiser] door het besluit van 5 januari 2018 heeft ‘gemist’ in de jaren 2018 tot en met 2020. [eiser] heeft niet gesteld dat door de onrechtmatige besluiten meer melkkoeien heeft ‘gemist’ dan de Staat heeft berekend. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de berekening van de Staat juist is wat betreft het aantal ‘gemiste melkkoeien’ tot en met het jaar 2020.
5.5.
Op verzoek van [eiser] heeft de Staat op 4 augustus 2023 de daardoor gemiste inkomsten berekend aan de hand van het melksaldo over de jaren 2017 en 2021, vermenigvuldigd met de feitelijke melkproductie over de jaren 2018 en 2019 en het aantal ‘gemiste’ melkkoeien tot en met 2020. Dit was voor [eiser] gunstiger dan de normaliter (en eerder voor [eiser] gebruikte) berekening. Dit heeft ertoe geleid dat de schadevergoedingsaanspraak van [eiser] uiteindelijk heeft berekend op € 66.393,74 inclusief advieskosten en wettelijke rente.
5.6.
Volgens [eiser] heeft de Staat zijn schade op deze wijze nog altijd op een (veel) te laag bedrag berekend. [eiser] stelt dat de onrechtmatige besluitvorming en de procedures die hij daardoor heeft moeten voeren, bij hem hebben geleid tot gezondheidsklachten/psychische klachten/spanningsklachten/somatische klachten (hierna kortweg: ‘spanningsklachten’) en dat dit weer een sterk negatieve invloed heeft gehad op de bedrijfsvoering door hem. In de visie van [eiser] hebben de onrechtmatige besluiten in zijn bedrijf aldus niet slechts geleid tot ‘gemiste melkkoeien’ in de jaren 2018 tot en met 2020 met bijbehorend gemist bedrijfsresultaat, maar ook tot (kort gezegd) een verminderd gemiddeld resultaat per melkkoe tot in het jaar 2023. Volgens [eiser] hebben de negatieve invloed op de bedrijfsvoering en de na-effecten daarvan, namelijk tot in 2023 geresulteerd in een lagere gemiddelde melkproductie per koe, een hogere afvoer en sterfte van koeien en problemen met uiergezondheid en vruchtbaarheid. Dit alles heeft geleid tot sterk verminderde bedrijfsresultaten ten opzichte van het hypothetische scenario waarin de Staat in 2017 en 2018 rechtmatige besluiten zou hebben genomen. De Staat betwist dat de (spannings)klachten die [eiser] vanaf 2017 of 2018 heeft gehad, door de onrechtmatige besluiten zijn veroorzaakt en hebben geleid tot problemen in de bedrijfsvoering van [eiser] .
5.7.
[eiser] beroept zich op het rechtsgevolg van zijn stelling dat er causaal verband is tussen de onrechtmatige besluiten en de verslechterde bedrijfsresultaten tot en met 2023. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro is het aan hem om deze stelling voldoende te onderbouwen en zo nodig te bewijzen.
5.8.
De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of het causaal verband tussen de onrechtmatige besluitvorming door de Staat en de gevorderde financiële schade komt vast te staan. De beantwoording van deze vraag valt in twee deelvragen uiteen:
is er een causaal verband tussen de onrechtmatige besluitvorming door de Staat en de spanningsklachten van [eiser] of de verergering van bestaande spanningsklachten;
is er een causaal verband tussen de (gestelde) spanningsklachten en de verslechterde bedrijfsresultaten van [eiser] .
5.9.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] zijn stelling dat de door hem ervaren spanningsklachten het gevolg zijn van de onrechtmatige besluitvorming door de Staat (deelvraag a.) onvoldoende heeft onderbouwd. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling over het causaal verband, gewezen op het rapport en de nadere verklaring van [naam 1] . [naam 1] komt tot de conclusie dat ‘de rechtszaken tegen de Staat’ (naar de rechtbank begrijpt: de bezwaar- en beroepsprocedures tegen de onrechtmatige besluiten) bij [eiser] hebben geleid tot somatische klachten, én dat dit een grote (negatieve) impact heeft gehad op zijn bedrijf. Voor zover uit de rapportages van [naam 1] naar voren komt, baseert zij haar conclusie over de situatie van [eiser] in de jaren 2017 tot 2023 uitsluitend op het bestuderen van het huisartsendossier. De Staat heeft onder verwijzing naar de rapportages van [naam 3] vervolgens onweersproken gesteld dat de onderdelen van het huisartsendossier waarop [naam 1] zich baseert, slechts de verslaglegging zijn door de huisarts van wat [eiser] destijds zelf heeft verklaard, zónder vermelding van een objectieve vaststelling van psychische problematiek en zonder dat er iets wordt vermeld over behandeling door de huisarts, over medicatie of over verwijzing voor behandeling door een andere zorgverlener. Daarnaast heeft de Staat onweersproken gesteld dat meerdere somatische klachten waarvan [naam 1] melding maakt in haar verklaring van 18 januari 2024 (oorsuizen, nek- en rugklachten) niet in het huisartsendossier voorkomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat onduidelijk is gebleven met welke (psychische of somatische) klachten [eiser] in de periode na 2017 werd geconfronteerd en dat [naam 1] geen deugdelijke motivering heeft gegeven voor haar medische oordeel over het causale verband tussen de onrechtmatige besluiten door de Staat en de spanningsklachten van [eiser] .
5.10.
[eiser] heeft dit gestelde causale verband evenmin op andere wijze voldoende onderbouwd. Aan verklaringen van anderen – zoals de dierenarts van [eiser] – komt in dit verband geen waarde toe, aangezien zij niet over de benodigde medische deskundigheid beschikken. De rechtbank gaat niet mee in [eiser] betoog dat de spanningsklachten wel door de onrechtmatige besluitvorming moeten zijn veroorzaakt, omdat andere denkbare oorzaken ontbreken. Het dossier bevat aanknopingspunten voor mogelijk andere oorzaken voor eventuele spanningsklachten, zoals de invoering van het fosfaatrechtenstelsel – dat ingrijpende gevolgen had voor melkveehouders maar in zijn algemeenheid niet onrechtmatig was – en bij [eiser] vóór de onrechtmatige besluitvorming bestaande (psychische) problematiek die in 2017-2018 opnieuw klachten gaf (de rechtbank verwijst op dit punt naar de onder 3.25 geciteerde passage uit het rapport van [naam 3] ).
5.11.
Ook indien deelvraag a. bevestigend zou moeten worden beantwoord – en er dus een oorzakelijk verband zou kunnen worden aangenomen tussen de onrechtmatige besluitvorming door de Staat en de spanningsklachten van [eiser] – zou de rechtbank de causaliteit tussen de onrechtmatige besluitvorming en de gevorderde financiële schade niet kunnen aannemen. Daarvoor is vereist dat ook deelvraag b. bevestigend wordt beantwoord. [eiser] heeft echter onvoldoende onderbouwd dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de (gestelde) spanningsklachten en de verslechterde bedrijfsresultaten. Indien aangenomen zou worden dat [eiser] als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming door de Staat spanningsklachten heeft ervaren, is daarmee nog niet gezegd dat die spanningsklachten bij [eiser] hebben geleid tot een beperking in het verrichten van arbeid of in het aansturen van het melkveebedrijf, die heeft geresulteerd in verminderde melkopbrengsten en (dus) financiële schade. Het door [eiser] in het geding gebrachte rapport van Finqa biedt op dit punt onvoldoende onderbouwing. Uit het rapport valt niet af te leiden op welke wijze spanningsklachten zouden hebben geleid tot slechtere bedrijfsvoering. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat geen sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid, maar dat hij in de periode na 2017 minder scherp en minder adequaat was. [eiser] heeft echter onvoldoende toegelicht wat deze verminderde scherpte concreet betekende voor zijn aansturing van het melkveebedrijf en hoe en in welke mate dit effect heeft gehad op de melkopbrengst van zijn koeien.
5.12.
Hoewel goed denkbaar is dat de onrechtmatige besluitvorming door de Staat [eiser] stress heeft bezorgd, is het verband tussen de onrechtmatige besluitvorming en de in deze procedure gevorderde financiële schade (voor zover nog niet door de Staat vergoed) niet vast komen te staan. De schade die [eiser] aantoonbaar heeft geleden door deze besluiten, heeft de Staat reeds aan hem vergoed. De vordering onder II wordt daarom afgewezen, evenals de gevraagde voorlopige voorziening.
5.13.
De Staat heeft al lange tijd vóór het starten door [eiser] van deze procedure erkend dat de primaire besluiten onrechtmatig waren jegens [eiser] . [eiser] heeft niet gesteld waarom hij er desondanks belang heeft dat de rechtbank dit voor recht verklaart. Ook de vordering onder I wordt daarom afgewezen.
5.14.
Het CBb heeft in de uitspraak van 10 juni 2020 reeds geoordeeld dat niet is gebleken dat de Staat niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor het verlenen van een ontheffing in plaats van in de vorm van het toekennen van extra fosfaatrecht. Het daartoe strekkende besluit heeft formele rechtskracht gekregen en moet dus door de rechtbank als rechtmatig worden beschouwd. De vordering onder III wordt dus eveneens afgewezen.
5.15.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 6.861,-
- salaris advocaat € 7.004,- (2 punten × tarief II á € 3.502,-)
- nakosten
€ 178,-(plus de eventuele verhoging vermeld in de beslissing)
totaal € 14.043,-.
5.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals
vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat van € 14.043,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,- plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in
artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving
zijn betaald;
6.4.
verklaart de veroordelingen onder 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
1769