Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster
[minderjarige 2], V-nummer [V-nummer] , beiden geboren [2014] ,(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen in de algemene procedure. Tegen deze afwijzing is beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met de behandeling van de beroepszaak op 5 februari 2026 behandeld. Op 2 april 2026 is in de hoofdzaak uitspraak gedaan, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en bepaalt dat verzoekster een vergoeding van proceskosten toekomt, welke door de minister moet worden betaald. De vergoeding is vastgesteld op €1.868,00, gebaseerd op het aantal proceshandelingen door de gemachtigde.
De uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff en is onherroepelijk, aangezien tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster.