Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8573

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
NL25.40203
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75a AwbArt. 31 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet-tijdig beslissen op asielaanvraag na intrekking besluit

Eiser diende op 6 maart 2023 een asielaanvraag in. De minister wees deze aanvraag bij besluit van 18 augustus 2025 af als kennelijk ongegrond. Eiser stelde hiertegen beroep in. Vervolgens trok de minister het bestreden besluit op 26 maart 2026 in, vanwege een besluit- en vertrekmoratorium voor Iran.

Eiser verzocht de rechtbank het beroep om te klappen naar een beroep tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het ingetrokken besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, maar verklaarde het beroep tegen het niet-tijdig beslissen ontvankelijk en gegrond. De termijn van 21 maanden voor een beslissing was reeds verstreken op 6 december 2024.

De rechtbank beval de minister binnen twee weken na de uitspraak een nieuw besluit te nemen en legde een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding, met een maximum van €15.000. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van €467 aan proceskosten aan eiser.

De uitspraak werd gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 8 april 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eiser kan binnen vier weken beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen is gegrond verklaard en de minister is opgedragen binnen twee weken een nieuw besluit te nemen met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40203

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft het bestreden besluit op 26 maart 2026 ingetrokken.
Eiser heeft bij bericht van 26 maart 2026 de rechtbank verzocht om het beroep tegen het bestreden besluit om te klappen naar een beroep tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag en te bepalen dat verweerder binnen twee weken opnieuw dient te beslissen.
Verweerder heeft desgevraagd op 3 april 2026 een reactie ingediend.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten zitting uitspraak.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder het bestreden besluit heeft ingetrokken. Verweerder heeft toegelicht dat de reden hiervoor gelegen is in het thans geldende besluit- en vertrekmoratorium voor Iran. In zijn brief van 3 april 2026 heeft verweerder overwogen dat geen sprake is van een tegemoetkoming en dat verweerder daarom niet op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser. Verder heeft verweerder laten weten dat zo snel mogelijk een nieuw besluit zal worden genomen, omdat de termijn van 21 maanden is verstreken.
2. Eiser heeft verzocht om het beroep om te klappen naar een beroep tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Hij heeft het beroep niet ingetrokken, zodat artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb, niet van toepassing is.
3. De rechtbank verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk, nu dit besluit is ingetrokken en eiser daardoor geen procesbelang meer heeft.
4. Het intrekken van het bestreden besluit heeft tot gevolg dat de verweerder opnieuw op de asielaanvraag van eiser moet beslissen. De termijn waarbinnen verweerder uiterlijk op de aanvraag moest beslissen is verlopen. Daarbij geldt dat in een situatie waarin verweerder hangende het beroep het besluit intrekt als gevolg waarvan de situatie ontstaat dat niet tijdig is beslist, niet van eiser kan worden verwacht dat hij verweerder eerst in gebreke stelt voordat hij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit instelt. [2] Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag is daarom ontvankelijk en gegrond.
5. Eiser heeft zijn asielaanvraag op 6 maart 2023 ingediend. De uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is reeds op 6 december 2024 verstreken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom moet betalen voor elke dag waarmee de onder 5 genoemde termijn wordt overschreden. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom in deze zaak vast op een bedrag van € 100 per dag voor elke dag waarmee de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.
7. Verweerder wordt veroordeeld tot het betalen van de vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet-tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag;
- draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze
uitspraak een besluit op de asielaanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag
waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 8 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2013:BY8849.